De Dollard of geschied, -
aardrijks- en natuurkundige ...
Goswin Acker Stratingh,
Gerard Azings Venema, CA. Venema
Google
Digitized by GoogI
Digitized by GooqI
Digitized by GooqI
DE DOLLARD
OF
(JKSCHÏ m .\ A Hl) H 1-1 k S- ft \ N AT! 1 1 ' li l\ I \ |) | ( ; r
BESCHRUYfNi; VAN DKXEN liOKZKM UKH KKMH-
door
Jledic rI l'fnlo.sonli VaimDom .
u ^
[.ld cfet- iVov.n, Staten . Bui^emeentttr pn-trroii<has«neJiU4|kort<! Winschot
De Vi.s.sdier met zijn krailp op den Dollard, hl iTO .
. Digitized by Google
BIBLIOTHECAJ
MOKACENSIS,
V O O KB li R I G T.
Met een enkel woord mcenen wij den Lezer te moeten inleiden tot
het werk , dat wij hierbij het genoegen hebben aan het publiek aan
te bieden.
De bouwstoffen voor dit werk waren reeds grootendeels voor eeni-
gen tijd , sommige zelfs voor jaren , door elk van ons beiden afzon-
derlijk bijeenverzameld en zoo, dat de een zich meer bij de geschie-
denis of den voormaligen toestand van den Dollard , de andere zich
bij den tegenwoordigen staat van dezen boezem had bepaald. Toe-
vallig wederkeerig hiervan kennis hebbende bekomen en de zaak ter
sprake gebragt zijnde bij het Bestuur van het hier gevestigde
Genootschap ter bevordering der Natuurkundige Wetenschappen,
besloten wij, op aanmoediging vooral van dat Bestuur, het een en
ander gezamenlijk nader te bewerken, tot een geheel te brengen en
dit alzoo uit te geven.
Zoo toevallig en ongezocht, mogen wij zeggen, verkreeg dit werk
zijn aanzijn. Veel bragt hiertoe ook bij de belangstelling, die men
van meer dan eene zijde in dezen boezem en deszelfs binnendijking
betoonde, alsmede de gedachte, dat, naarmate met dien boezem de
overblijfselen en blijken van zijnen voormaligen toestand meer en
meer verdwenen, het des te wenschelijker werd, om ze voor de
vergetelheid te bewaren.
Digitized
VI
Ons doel was alzoo in de eerste plaats, als liet ware, een Ge-
denkboek zamen te stellen, waarin wij ons en onze nazaten zich
nog , als er eenmaal geen Dollard meer bestaat , in die tijden zouden
hunnen verplaatsen , toen hij nog niet ivas, voor den geest kunnen
stellen, hoe hij ontstond en weder verdween, hoe beurtlings land in
water en water in land werd herschapen; maar wij wenschten in de
tweede plaats ook dat water en land zelve, zooals beiden nu bestaan,
in eenige bijzonderheden te doen kennen, zoodat de beschrijving
daarvan niet slechts dienstig mogt geacht worden te zijn voor den
bewoner dier streek of voor hen, welke meer onmiddellijk belang
daarbij hebben of daarin stellen, maar ook meer algemeen voor de
kennis van onzen vaderlandschen bodem en de veranderingen, welke
deze heeft ondergaan en nog ondergaat, als waarvan de Dollard-
bodem zulk een merkwaardig voorbeeld oplevert
Dit een en ander is dan ook in 't kort de inhoud van dit werk,
en wij hebben gemeend, dien des te aanschouwelijker en duidelijker
te moeten maken, door de bijvoeging van de noodige kaarten en
teekeningen, die wel is waar den jirijs aanmerkelijk moesten doen
verhoogen, doch in nog meerdere mate de waarde daarvan zouden
doen stijgen. Zoo zal men met ons ook wel de plaatsing van de
voor de geschiedenis van den Dollard belangrijke oude, meerendeels
wel gedrukte , maar verspreide , deels nog ongedrukte gedenkstukken ,
als Bijlagen , achter het werk voor niet ongepast beschouwen en
waardig, om ze daarbij en aldus bijeen te bewaren.
Schoon nu de een van ons meer de voormalige, de ander meer
de tegenwoordige gesteldheid van den Dollard heeft bewerkt, zoo
kan evenwel dit werk van elk onzer in zoo ver ook als beider ge-
zamenlijk werk beschouwd ivorden , als ieder over en weer het zijne
daartoe heeft bijgebragt. Wij hebben daarbij echter misschien niet
geheel kunnen vermijden , wat natuurlijk van zoodanige verschillende
bewerking het gevolg is, namelijk verschil hier en daar in stijl.
Wij moeten niet nalaten te melden , dat wij voor de zamenstelling
van onzen arbeid hier en daar veel aan anderen verschuldigd zijn,
vooral door terhandstelling of aanwijzing van verschillende stukken
en het opgeven van plaatselijke bijzonderheden. In het werk zelf
zal men de blijken daarvan aantreffen, terwijl wij hier, niet wel in
het bijzonder personen en zaken kunnende opgeven , in het algemeen
onzen hartelijken dank daarvoor betuigen. — Onder de gedrukte
Digitized by Go
VII
bronnen hebben wij tot aanwijzing van vele aangehaalde oorkonden
niet eerder dan in de Bijlagen gebruik kunnen maken van het nieuwe
Register van het Archief van Groningen , door Mr. H. O. feith ,
Archivarius der Prov. Groningen, I, 1853, en II, 1854, daar
reeds vóór de uitgaaf daarvan ons werk voor een groot deel afge-
drukt was, hebbende de voltooijing van het laatste gedeelte en van
de kaarten, door omstandigheden, tot ons leedwezen, nog al eenige
vertraging ondergaan en alzoo ook de uitgaaf zelve van het werk.
Deze opheldering meenden wij te moeten geven aan hen, die het al
eerder verwacht hadden.
Wij hebben ons ook nog te verontschuldigen wegens eenige feilen ,
die , niettegenstaande de zorg aan de bewerking en correctie besteed ,
er in zijn gebleven of geslopen, vooral in de opgaaf van cijfers.
Wij hebben getracht dit goed te maken , door de verbeteringen ach-
ter het werk te voegen. Wij hadden gehoopt met de uitgaaf van
onzen arbeid nog te hebben kunnen berigten , dat het plan van eene
nieuwe indijking van den Dollard intusschen bepaald icas geworden ,
of dat althans de beletselen, daartegen bestaande, zooals o. a. het
geschil met Hannover over de grensscheiding, uit den weg geruimd
waren. Deze zaak schijnt echter haar volledig beslag nog niet te
hebben bekomen.
En hiermede zij verder deze onze arbeid aan den Lezer aanbe-
volen, in de hoop, dat dezelve niet geheel zijne verwachting moge
te leur stellen.
GbO.WGEN, i Januarü 1855.
Winschoten, )
DE SCHRIJVERS.
Digitized by Go<
„ Nicht auf dem Boden deiner Erde wandelst du , armer
„ Mensch , sondern auf cinem Dach deines Hauses , das
„durch yiele Ucberschwemmuugen erst t.n dem werden
„ konnte , was es dir jetzt ist."
J. G. von Herder.
INHOUD
EERSTE AFDEELING.
De voormalige staat en geschiedenis van den Dollard.
EERSTE HOOFDSTUK.
dchets van de in den Dollard vergane landstreek en van den
loop der rivieren door dezelve.
Benaming van den Dollard, bl. 1. — Vroegere Schrijvers over
het ontstaan daarvan, emmius en anderen, bl. 2, 3. — Oude
kaarten van het in den Dollard verdronken land, bl. 3—7. —
Beschrijving van dit land, bl. 7. — Dc loop der rivieren door
hetzelve, de Ee en Tjamme, bl. 8—13. — Het Huninga meer , bl.
14 — 15. — De Termunter Ee en hare takjes, de Zijpe enz., bl.
15— 20. — De westelijke tak of Zijpe, bl. 20. — Vroegere vaart
tusschen de Stad en het Oldambt, bl. 21, 22. — Vermeende
oude loop der Eems door Reiderland, bl. 22—25. — Verklaring
der genoemde riviernamen, Aant. bl. 25—27.
tweede hoofdstuk.
Beschrijving van de plaatsen, in den Dollard vergaan.
Aantal daarvan, bl. 26—28. — A. Plaatsen ten westen de Ee
en ten noorden de Tjamme gelegen :
Digitized
X
a. In Reiderland : Westerreide , bl. 29 , 30. — Homburg , bl.
30. — Tijsiveer, Stokdorp, Zanddorp, Hakkelsum, bl. 31. —
Saxurn , Hermenswolde , Saxwnerwolde , Wijndeham , Ockeweer , bl.
32, 33. — Reidenoolde, Kappeldebeerde , Palmar, bl. 34 — 36. —
Megenham, bl. 36. — Golthorn, bl. 37, 38.
b. Plaatsen ia het Oldambt: Zwaag, As tok , bl. 38, 39. —
Beerta niet, bl. 39, 40. — Menterwolde, bl. 41 — 45. — Fimel,
Baamsum, beide veel verminderd, bl. 45, 46. — Oud Midwolde,
bl. 46, 47. — Oud Scheemda, bl. 47. — Oud Meeden, bl. 47,
48. — Zuid- en Noordbroek ook verplaatst, bl. 48. — Oostwold
en Finserwolde wel desgelijks, bl. 48, 49. — Oostfinserwolde ge-
heel vergaan, bl. 49, 50.
B. Plaatsen tusschen de Tjam en de Ee of in het Osnabrugsche
Reiderland gelegen: Wijndeham, bl. 50, 51. — Haijkeweer, Do~
nellen, bl. 51. — Torperen, bl. 51—54. — Meerhuizen, Markhui-
zen , Hovingagast , bl. 54. — Stoksterhuis , Oud-Exterhuis , bl. 55. —
Beerta en Winschoten weinig veranderd , doch Blijham wel geheel
verplaatst, bl. 56.
C. Plaatsen ten oosten van de Ee gelegen: Oosterreide, bl. 57,
58. — Lutgerskerk, bl. 58. — Beda, Jansum, Liede, Berum, Fle-
tum, bl. 59. — Nesse, Wilgum, bl. 60. — Peterswolde, Torum,
Uiterpawing, bl. 61. — Duvelee, Uiterbeerte , Oosterbeertc , Garme-
den, bl. 62. — Homingeham, Blijham, bl. 62, 63. — Winemeer ,
Harkenborg, Medum, Bundergartenij , Exterhqf, bl. 64, 65. —
Bellingioolde en Vriescheloo verplaatst, bl. 65. — Twijfelachtige
plaatsen, bl. 66.
Vergane plaatsen aan de Eems in Oostfriesland, bl. 66, 67.
DERDE HOOFDSTUK.
Het ontstaan en de vorming van den Dollard.
Oorzaken daarvan, bl. 68. — Eerste inbraak in 1277 en an-
dere, bl. 70—73. — Zinking van den bodem, daarby ook ver-
ondersteld, bl. 73, 74. — Verdere uitbreiding van den Dollard
door herhaalde vloeden, verzuim en inlandsche oorlogen, bl.
74—80. — Bedijking daartegen in 1454, bl. 81, 82. — Door-
braak daarvan in 1507 en vervolgens, bl. 83, 84. — Bedijking
in 't Oldambt van 1545, bl. 85—87. — Allerheiligenvloed van
1570 en volgende , bl. 88. — Bedijking aan de Oostfriesche zijde ,
bl. 89, 90. — Grootste uitgebreidheid van den Dollard, door
den grond aangewezen, bl. 91. — Langzamerhand alzoo ont-
staan, bi. 91—93. — Verandering daardoor in den loop der
Eems voorbij Emden en verder ontstaan, bl. 93, 94. — Invloed
van de inbraak op het overgebleven Reiderland, bl. 95, 96.
Digitized by Go
XI
VIERDE HOOFDSTUK.
Geschiedenis van de indijkingen en van den wederaanwas van
land aan den Dollard, in verband tevens beschouwd met
de veranderingen, welke de waterstaat der
omstreken daardoor heeft ondergaan.
Herwinning van land aan den Dollard , bl. 07.
A. Bedijkingen in den westelijken boezem : Eemsdijk tusschen
Delfzijl en Reide, bl. 98. — Dollarddijk van Reide tot Finser-
wolde en andere binnendijken, bl. 99—104. — Omvang der
hierdoor binnengedijkte kleilanden , bl. 105. — Veranderingen
in den waterstaat van het Oldambt door de inbraak en die
bedijking, bl. 105—108. — Indijking van 1597 en polderland
daardoor gewonnen, bl. 108, 109. — Afwatering door de
Carringerzijl , bl. 109. — Oprigting van het tegenwoordige
Termunter zijlvest in 1601, bl. 110, 111. — Indijking van
1626, bl. 112. — Aanleg van het Koediep in 1635 en van
het Schuitendiep van Zuidbróek naar Winschoten in 1636 , bl.
113. — Van het Kostverloren en het Kattendiep ten zelfden üjde,
bl. 114. — Plan van een nieuw Termunter zyldiep, bl. 114,
115. — Indijking van 1665, bl. 115, 116. — Indijking van
1701, bl. 116. — Indijking van 1769, bl. 117-119. — Indijking
van 1819, bl. 119, 120. — Gezamenlijk bedrag van het binnen-
gedijkte land in den Westelijken boezem, bl. 120.
B. Bedijkingen in den Oostelijken boezem.
a. In het Zuidoostelijk gedeelte nog wt Groningen behoorende:
Oude bedijkingen alhier, onzeker wanneer geschied, bl. 121 —
128. — Bedijking van Oud Bunder Nieuland in 1605, bl. 128,
129. — Afsluiting van den boezem door de overdijking van
Drieborg naar de Nieuwe Schans in 1657, bl. 129— 132. — Aanleg
van het Beertster zijldiep in 1636, bl. 133—135. — Van het Bel-
lingwolder zijldiep in 1657, bl. 136. — Staat van beide uitwate-
ringen, bl. 136—138. — Indijking van den Kroonpolder in 1696,
bl. 139, 140. - Van den Stadspolder in 1740, bl. 141, 142. —
Gezamenlijk bedrag aan land van genoemde polders, bl. 142.
c. Bedijkingen in het Noordelijk gedeelte van den boezem of in
Oostfriesland: Loop van den uitersten Dollardsdijk alhier, bl.
142, 143. — Overzigt van de Oostfriesche polders, bl. 143—
146. — Van al het aan den Dollard weder aangewonnen land,
bl. 146, 147. — Voornaamste lotgevallen, welke de voor-
noemde bedykingen door watervloeden hebben ondergaan, bl.
147-151.
Digitized by Go
XII
VIJFDE HOOFDSTUK.
Over den gang der aanslijking , bepaaldelijk over den jaarlijkschen
aanwas van den aangewonnen Dollardgrond , uit deszelfs
bedijking afgeleid.
Welke indijkingen hier alleen in aanmerking kunnen komen,
bl. 152, 153. — Gevoelen van akends hieromtrent, bl. 153. —
Bedrag van het aangewonnen land in elke eeuw, bl. 153,
154. — Jaarlijksche aanwas op ons grondgebied en dat van
Oostfricsland bereken.! en genoegzaam gelijk bevonden, bl. 155 —
159. — Tegenwoordige aanwas hier en ginds, bl. 160.
TWEEDE AFDEELING.
De tegenwoordige staat en natuurlijke Historie van den Dollard.
»
EERSTE HOOFDSTUK.
Grootte van den Dollard.
Eerst bekende opmeting van den Dollard in 1733, bl. 161. —
Regeling van de grensscheiding in den Dollard, in 1723, bl.
162—164. — Hernieuwing daarvan in 1824, bl. 165, 166. —
Geschil daarover ontstaan metHannover, bl. 167, 168. — Bepa-
ling van de grootte van den Dollard, bl. 168—170. — Verhou-
ding der slyk- en kweldergronden , bl. 171. — Jaarlyksche aan-
was van de kweldergronden, bl. 172—174. — De plaatsen ,
waar deze aanwas het grootst en het geringst is , bl. 174— 177. —
Verdeeling van den Dollard onder verschillende gemeenten,
bl. 177. — Eigendom van den aanwas en verdeeling hiervan en
van den Dollard tusschen verschillende eigenaars, bl. 178, 179.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over de toaterloopen in en de waterwerken langs den Dollard.
Voorkomen van den Dollard b\j vloed en eb, bl. 110. — De
verschillende stroomen en stroompjes in denzelven , bl. 180—
183. — De overloopen, bl. 183, 184. — Onstandvastigheid der
Digitized by Go
Xlll
waterloopen, bl. 184—186. — Het Schansrher diep de hoofd-
stroom, bl. 18G, 187. — Zijlen, welke in den Dollard daardoor
uitwateren; de Bel 'lin g wolder zijl en moe in het bijzonder, b!.
187, 188. — Toeslibbing der zijlgaten en middelen daartegen,
het spuijen en ploegen, bl. 188 — 190. — Afvoeringsvermogen
der onderscheidene zijlen , bl. 191. — Onderhoud der zylen en
dijken, bl. 191, 192.
DERDE HOOFDSTUK.
Grondsgesteldheid van den Dollard.
Verschillende aard der gronden in den Dollard, bl. 193. —
Scheiding in klei- cn zandgronden , bl. 193, 194. — Liggingen
dikte der kleilagen, bl. 194— 19G. — Overeenkomst tusschen het
afnemen van de kleilaag en het toenemen van den aanwas, bl.
196. — Hoogte van de slijkgronden en platen, bl. 197, 198. —
Hoogte van de kweldergronden , bl. 198, 199.
V1ERDK HOOFDSTUK.
Aanwas en ophooging der slijkgronden.
Ophooging van den slijkgrond door slib en overgang in aan-
was en kweldergrond , bl. 200. — De biets of slib op de slijk-
gronden, bl. 201, 202. — Aanvoering dier slib met den vloed-
stroom en diens loop , bl. 202—204. — Neerslag van slib vooral
bij eb, bl. 204. — Invloed der winden daarop en daardoor ver-
schil in de ophooging in verschillende maanden , bl. 204—206. —
Invloed van den vorst en vooral van den plantengroei op de op-
hooging van den grond , bl. 206 , 207. — Zij hangt echter vooral
af van de rigting van den vloedstroom ten opzigte van de kust,
bl. 208-211.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Het bevorderen van den aanwas.
Middelen daartoe en de grondslagen daarvan, bl. 212 — 214. —
Begraving van den aanwas, bl. 214—218. — Plan daarvan op
de Stads aanwassen , bl. 218 — 229. — Aanleg van het onverdeelde
Munnekeveen, bl. 229, 230. — Op andere verdeelde kweldergron-
den, enz., bl. 230—232.
Digitized
XIV
ZESDE HOOFDSTUK.
Voortbrengselen uit het plantenrijk.
Voorkomen van de Dollardvlakte bij eb, bl. 233. — Eerste
planten op de slijkgronden , de Hanevoet en Suite, bl. 234, 235. —
Het Kweldergras en andere planten, bl. 235, 236. — Die drie
genoemde planten vormen zoovele strooken, bl. 236, 237. —
Over den groei nog van eenige der genoemde en andere gewas-
sen, bl. 237, 238. — Gebruik en nut van deze en gene planten,
bl. 239—241. — Van het Kweldergras en opbrengst daarvan , bl.
241, 242. — In het bijzonder van den Stadskwelder , bl. 243. —
Grondbelasting van de kwelder- en slijkgronden, bl. 243—245.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Dieren.
Hazen, Vossen, Muizen, Mollen, bl. 246, 247. — Vogels, bl.
247. — Ganzen en de Ganzejagt, bl. 248—250. — Eenden, bl.
250. — Microscopische organismen, bl. 251 — 253. — De Bolworm,
bl. 254. — De Koning en Stommel, bl. 254, 255. — De Botweide,
de Krabben en Weekdieren , bl. 255. — De Garnaal en Garnaal-
vangst, bl. 256— 259. — Ansjovis, Spierling, Giep , Knorhaan , Sprot
(Barnsteen) enz., bl. 259, 260. — Vroegere vangst van Haring en
Ansjovis, bl. 260—262. — Bot èn Botvisscherij , bl. 262—264. —
De Schar en kleine Schol, bl. 264, 265. — De vischtuigen, bl.
265, 266. — De Steur, Zalm en Elft, bl. 266. — De Bruinvisch,
bl.267. — De Zeehond, bl. 268. — Aal, bl. 268, 269. — Aantal
Visschers, bl. 269. — De kraite en booten, bij hen gebruikebjk,
bl. 270. — Vermindering der vischvangst, bl. 271. — Staat daar-
van, bl. 272. — De Botvangst met de botreep, bl. 273, 274. — -
De Garnaalvangst met de lade, bl. 274, 275.
ACHT8TE HOOFDSTUK.
De Dollardpolders ten slotte nog iets nader beschouwd.
Ligging der polders, bl. 276 — 278. — De oppervlakkige klei-
laag, bl. 278. — Drieërlei soort van kleigrond, 1. gewone Dol-
lardklei, bl. 279, 280. — 2. Roodoorn „ bl. 280, 281. — 3. Knik-
klei, bl. 282. — Vruchtbaarheid der Dollardklei en afneming
daarvan, bl. 282—285. — De zucht, bl. 285—291. — Verbete-
ring van de roodoorn, vooral door kleigraven, bl. 291 — 293. —
Digitized by Google
XV
Bouwstelsels , bi. 293—296. — Bemesting der kleigronden, bl.
297. — Verbouw op de roodoorngronden , bl. 297, 298. — Op
zuchtige gronden, bl. 298, 299. — Onkruiden op de Dollard-
gronden, Kweekgras, Hoefblad, Onnyt, Riet, Kiek, wilde Haver,
zwart Gras enz., bl. 299—802. — Houtgewas, bl. 302. — Die-
ren, bl. 302, 303. — Het drinkwater, bl. 303.
BIJLAGEN.
No. I. Overeenkomst van eenige Reiderlander en Oldambtstcr Ho-
velingen nopens de grensscheiding, wateren, zijlen en dij-
ken van deze beide Landschappen van 1391 , bl. 304—308.
No. II. De vorige overeenkomst met eenige veranderingen ver-
nieuwd, 1420, bl. 309—312.
No. III. Uittreksel uit een Register van de Friesche kerspelen in
deze Provincie en het naburig Oostfriesland, onder het
Bisdom Munster, inhoudende die, welke tot de Proostdijen
Farmsum en Hatzum of Nes behoorden, uit de laatste
helft der lbde eeuw , bl. 313—315.
No. IV. Attestatie van den Kelner van het klooster te Termunten en
eenige bejaarde Oldambtster ingezetenen over den Dollard,
1565, bl. 316.
No. V. Aanteekeningen over het ontstaan van den Dollard, bl.
321, 322.
No. VI. Gelijke en andere Aanteekeningen over den Dollard, ge-
boekt door J. RENGERS VAN TEN POST, bl. 323, 324.
No. VII. Dijkbrief van het Oldambt , van 1441 , bl. 324—326.
No. VIII. Verdeeling van de goederen van het klooster Palmar tus-
schen die van Wittewierurn en Dockum, bl. 327, 328.
Vertaling van voorgaand stuk, bl. 328, 329.
No. IX. Verdrag tusschen Groningen en Ommelanden ter eene , en
het Oldambt ter andere zijde, over het maken en onder-
houden der Reiderdijken, tusschen Palmar en Finserwolde ,
bl. 330, 331.
Verbeteringen, bl. 332, 333.
Digitized
XVI
KAARTEN.
No. I. Kaart van het in den DoUard verdronken land.
No. II. Kaart, inhoudende: Caarte van het begin der aanleg van
een polder na de kant der DoUard, achter de Stads
Nieuwe polder , zoo ver dezelve afgebakend is in de 'maand
April 1796, door G. kuiper, Oud Bouwm. en a. sïeur-
sixg, Geadm. Landm., naar de kopij van h. verburgh,
Bouwm., en andere teekeningen, hiertoe behoorende,
behalve Fig. 1, voorstellende de vorming van een
Overloop.
No. III. Kaart van den DoUard (bij laag water) en zijne om-
streken.
Digitized by Go
DE DOLLAR D.
EERSTE AFDEELING.
DE VOORMALIGE STAAT EN GESCHIEDENIS VAN DEN
DOLLABD.
EERSTE HOOFDSTUK.
Scïtets van de in den Dollard vergane landstreek
en van den hop der rivieren door dezelve.
Aan de noordoostelijke grens van ons land op het
grondgebied van de provincie Groningen en voor een deel
ook van Oostfriesland, in het Koningrijk Hannover, ligt
een opmerkelijke zee- of liever een rivier-boezem, namelijk
van de JSems, de Dollard of Dottart, ook wel Duüard 3e-
heeten, waarschijnlijk naar de onstuimigheid zijner baren (1).
(I) Zoo als BMMiüS {Rer. Friste. Hist. L. XII. f. 167) zegt: „a
flucttmm rabie"; van deszelfs dollen aard, o. oüthop in een versje
daarop, bl. 370 van zijn straks te noemen werk. De naam zal dan wel
oorspronkelijk Dollaart of Dollaard zijn , even als men zegt wreedaard.
Zoo droeg ook den naam van Dullart de aanzienlijke boezem, welke,
later de Braakman geheeten, aan de noordkust van Vlaanderen door
overstroom ingen in de 14e en 15e eeuw, vooral in den vloed van 1377
is ontstaan, maar naderhand weder verzand is geworden. Zie fr.
arend9, Natuurkundige Geschiedenis van de kusten der Noordzee, uit het
Hoogd., met Aant. van Dr. n. westerhoef, D. II, Gron. 1835 ,bl. 65; III,
1837 , Geschiedenis der Watervloeden , bl. 45.
1
Digitized
2
De plaats, welke deze boezem thans beslaat en vroeger
nog meer besloeg, was eenmaal land, dat onder zijne
golven is bedolven. De geschiedenis willende beschrijven
van dezen boezem , dienen wij derhalve in de eerste plaats
eene schets te geven van de gesteldheid der landstreek,
welke zijne wateren hebben ingenomen, zoo ver men die
nog kan nagaan. Dit een en ander is reeds meermalen
gedaan , maar nog niet met die naauwkeurigheid en volle-
digheid, als wenschelijk is, en wij zullen beproeven, om
althans meer voldoende en naar waarheid dan vroeger het
tooneel zoowel als het tafereel dier belangrijke gebeurfe-
nis, gelijk het ontstaan van den Dollard is, voor oogen te
stellen. Gebrek aan toereikende berigten uit zulk een
ver verleden tijd, waarin dat plaats had, maakt het even-
wel ondoenlijk alles met zekerheid meer te kunnen opdie-
pen en opgeven.
De voornaamste voorganger en bron in dezen is ge-
weest ubbo emmius, de vader, kan men zeggen, der ge-
heele Friesche geschiedenis (2). Hem toch zijn de mees-
fS) Deze schrijver handelt daarover, even als over de gehcele geschie-
denis van den Dollard , tot aan zijn tijd , in zijn boven aangehaald groot ge-
schiedkundig werk, Rer. Fris. IlisL Lugd. Bat. 1616, L. XII, f. 176 en
177, vooral in de bijgevoegde plaatsbeschrijving van Oostfriesland of De-
script. Ckorograph. Fris. Oriënt, f. 36—40. Hij heeft echter, blijkens de
voorrede van dat laatste geschrift, dit reeds eenige jaren vroeger opgesteld,
toen hij nog in Oostfriesland woonde.' Achter hetzelve is eene lijst in onze
taal geplaatst van dc in den boezem verdronken plaatsen. Hij schijnt , behalve
uit de na to melden Dollardkaart en andere ongedrukte stukken of oorkon-
den, zoo als wij zullen zien, zijne berigten ontleend te hebben uit de Chro-
nica der Freessen, eene geschrevene Kronijk, doch onbekend van wien,
denkehjk van een Oostfries, die tot aan het jaar 1443 of 1514 loopt
en naar dc taal te oordeelen, in het begin der 17e eeuw geschreven zou zijn.
Het werk is zoo hoogst zeldzaam, dat het exemplaar, hetwelk zich in de
verzameling van H. S. van het Groningsche Genootschap : Pro excolendo
Jure Patrio (no. 1 op de gedrukte' lijst van dc H. S.) bevond (want hot
wordt sedert jaren daaruit vermist) en hetwelk hetzelfde is , dat de Oost-
friesche historieschrijver t. d. wiarda bezat, volgens zijne aanteekening
daarvoor, waarin hjj het bovenstaande daarvan vermeldt even als in zijne
straks aan te halen geschriften, hoogst waarschyniyk het eenige exem-
plaar uitmaakt , dat er nog van bestaat ; — bestaat , zeggen wij , omdat
het gebleken is nog aanwezig te zijn , maar in handen van iemand van
wien het Genootschap vruchteloos getracht heeft het terug te bekomen.
Zoo is het ons dan ook niet gelukt van dat H. S. gebruik te maken,
Digitized by Go
3
ten gevolgd, welke dit onderwerp hebben behandeld, zon-
der zijne opgaven evenwel altoos genoegzaam te toetsen
aan de oorspronkelijke bronnen, vooral aan de nog be-
staande oorkonden, zoo wel die waaruit hij zijne be-
rigten ontleend heeft, als die welke hij niet gebruikt
schijnt te hebben. Oostfriesche schrijvers, waartoe emmius
ook wel behoort, hebben zich vooral met dit onderwerp
bezig gehouden, meer dan de onzen. Onder de eer-
sten zijn dan verder als de voornaamsten te noemen
OÜTHOF, HARKENROHT, WIARDA, REINHOLD en VOOral
arends (3); onder de laatsten de schrijvers van de Oud-
heden en Gestichten van Groningen enz., van den Tegen-
woordige staat van Stad en Lande (Dl. II), alsmede voor
kort nog a. smith (4). Allen, zelfs ook emmius, naar
't schijnt, hebben daarbij gebezigd eene oude kaart, die
het in den Dollard verdronken land voorstelt en vroeger
hing op het Raadhuis te Emden (door een onzer daar nog
wel gezien) , maar welke zich thans aldaar sedert jaren niet
meer bevindt, zoodat wij vruchteloos daarnaar onderzoek
hebben gedaan. Wel vindt men er onder de Archieven
nog eene andere kleinere geteekende Dollardkaart , maar
van weinig of geene waarde , daar er slechts de loop der
welke moeite wij daartoe ook hebben aangewend. Dit is nu wel in zoo
verre geen verlies als het wel niet veel meer zal bevatten, dan ons door
emmius en ook wiarda daaruit is medegedeeld geworden , maar het ware
toch wel van belang geweest te weten, ter betere beoordeeling daarvan,
wat zij er uit geput hebben, en dit blijkt daarbij niet.
(3) G. oüthop, Verhaal van alle hooge Watervloeden in Europa, van
Noachs tijden af tot heden, Emd. 1720. J. t. iiarkenroht, Oostfriesche
Oorspronkelijkheden enz. , Gron. 1731 (2e dr.), vooral D. I, bl. 232 en v.
T. d. wiarda, Ostfries. Geschichte, Aur. 1797, 2e Aufl., Th. I, S. 262
u. f. Ostfries. Mannigfdltigk. Jahrg. 1786: Wann und wie der Dollart
entstanden? Fr. arkndb, Erdbeschreibung des Fürstenthums Ostfriesl. und
des Harlmgerlands, Emd. 1824, vooral deszelfs a, werk Natuurk. Geschied,
van de kusten der Noordzee, bl. 162 — 192. — Dr. reinhold , Kurze Dar-
steil, der Entsleh. des Dollarts u. 8. w. in Ostfries. Volks-Buch, le Jahrg. ,
Leer, 1831, S. 63—74.
(4) A. smith, Geschied, der Prov. Groningen enz., 1849, bl. 37-^46. Hij
heeft echter grootendeels arends gevolgd en weinig bijzonderheden meer,
dan wij niet van elders wisten, medegedeeld, hoedanige wij vooral van
plaatselijke n aard verwacht hadden van iemand, die daartoe zoo zeer
in de gelegenheid was ; integendeel bevat z\jn werk bjj zoo weinig oorspron-
kelijks, gelijk wij zullen zien, ook hieromtrent vele onnaauwkeurigheden.
Digitized by Go
4
rivieren, die hier alle, behalve de Eems, Ee of Aa
heeten, met enkele plaatsen, op is aangewezen, zoodat
alleen het naaste deel onder Oostfriesland, het toenmalige
Nesserland, meer uitvoerig, even als op de vorige Dollar d-
kaart, is geteekend, komende deze kaart overigens hiermede
geheel overeen , ook in de op- of bijschriften en het bijge-
voegde kaartje , den Dollard voorstellende , zooals deze gesteld
was, ten tijde dat de kaart gemaakt is. Zij schijnt slechts
eene schets te zijn, en wel gemaakt naar eerstgenoemde
kaart, ten behoeve van dat gewest, waarom daarop alleen
het hieronder behoorend deel er van , Nesserland , is afge-
werkt (5). Naar die oude Dollardkaart , welke in het oor-
spronkelijke niet meer voorhanden is, zijn dan ook wel
al de andere dusdanige kaarten gemaakt, die hier en daar,
zoo ongedrukt als gedrukt , nog gevonden worden. Van
de eerste of de geteekende kaarten , bij welke dat meestal
uitdrukkelijk is bijgevoegd, noemen wij de volgende, die
ons zijn in handen of voor oogen gekomen : als die van
(5) Deze kaart, waarvan arends (Nat. Geschied, van de kusten der
Noordzee, II, bl. 164) ook gewaagt, maakt op het Archief te Emden
n°. 53 uit van een M. S. folio boek, bestaande nit kaarten, teekeningen,
genealogische en geschiedkundige aanteekeningen, en andere, alle tot Em-
den en Oostfriesland betrekkelijke, sommige gedrukte stukken. Het is
genaamd Trifolium aureum Oistfrisico-Embdanum en bijeengebragt en aan
den Magistraat van Emden opgedragen door timan rudolphi , Raadsheer
van Emden in Grasm. 1679. De kaart is breed 48 3 en boog 39 N. dm.
Haar grondslag is even onzeker als die der grootere kaart van Emden.
Zoo beschrijft feith (Onderzoek naar den gehuwden staat der Vriesche pries-
teren in de Verhand, van het Gen. P. E. J. P. VI, 596, Aant.) deze kaart,
door hem te Emden in 1844 naauwkeurig bezigtigd, geheel overeenkom-
stig met eene in 1837 gemaakte Authentieke kopij van deze kaart, welke
kopij berust bij bet Genootschap ter bevordering van Natuurkundige Weten-
schappen alhier. Het verdient nog aanteekening, wat in zijne , onlangs door
diens zoon en waardige opvolger, als Archivarius, uitgegevcne Kronijk
(1854, 1, 78), j. rexgers van ten rosT vermeldt, dat er ook eene Dollard-
kaart op het Groninger Raadhuis ten zijnen tijde hing. Deze Ommelander
Edelman schreef die Kronijk , welke op deze en gene plaats meer belang-
rijke berigten omtrent den Dollard behelst, in het laatst der I6e eeuw,
als balling in Oostfriesland. Zoo hij dan niet de Emder kaart bedoeld
heeft, kan er wel toen eene kopij van deze in het Raadhuis te Gronin-
gen bewaard zijn, en mogen van deze kopij misschieu vele genomen zijn,
welke men van Groninger Ingenienrs vindt; te meer daar eene andere blijkt
niet bestaan te hebben.
Digitized by Go
5
den heer Mr. l. t. van staeckenborg , denzelfden Om-
melander Edelman, van wien wij ook eene nog zeer op
prijs gestelde kaart van onze Provincie bezitten; wij ken-
nen dezelve echter alleen uit kopijen, hiervan weder ge-
nomen (6); eene door A. tideman in het jaar 1699 en 1705,
zoo als het bijschrift luidt, naar oude kaarten geteekend ; eene
naar die van Emden in 1722 gemaakt door H. w. polkers ;
dergelijke in 1733 van al la ut verburgh, van hendricus
teysinga en andere, meestal meer of min bekende
Groninger Ingenieurs of Landmeters , sommige ook zonder
naam, om van de nieuwere kopijen niet te gewagen.
Er doet zich in deze kaarten nog wel eenig verschil in de
opgaaf van de namen van plaatsen en andere bijzonderhe-
den op, doch in de hoofdzaken komen allen overeen en
toonen éénen oorsprong. De een heeft er dit , een ander
dat bijgevoegd, zoo als de bedijkingen, die tot aan hun-
nen tijd met den Dollard weder hebben plaats gevonden.
Van de gedrukte Dollardkaarten , alle in klein formaat , is
in de eerste plaats te noemen het kaartje , hetwelk men
vindt op eene door w. blaauw op naam van ubbo emmius
in zijn Grooten Atlas (Amst. T. II, 1664) uitgegevene
kaart van Oostfriesland. Dit komt, hoezeer verkleind, zoo
genoegzaam overeen met de geteekende Dollardkaart , dat er
wel geen twijfel aan kan zijn of het is hiernaar gemaakt.
Wat grooter naar deze kaart en naar de beschrijving van
emmius door outhof vervaardigd is het door abraham
maas geteekende kaartje, dat in zijn werk over de Wa-
tervloeden bij de beschrijving van den Dollard is gevoegd
en ook door harkenroht en anderen is overgeno-
men (7). Buitendien is er een Dollardkaartje op meerdere
(6) Als daar zijn gemaakt door de Groninger Ingenieurs a. verburgh
en u. cleveringa van het jaar 1769 en eene andere door eenen x. b. van
het jaar 1785 Nov. De eerste bezit de heer j. van clebff, de tweede
de heerMr. j. n. quintus, Oud-Rentmeester der stads veenen, te Groningen,
cn de derde berust in de Provinciale Archieven aldaar , met do volgende
Van A. TIDEMAN.
(7) Door HARKENRonT namelijk in zijn werk: Oostfriesche Oorspronke-
lijkheden bij zijne beschrijving van den Dollard t. a. p. , alsmede in Oost-
friesche Watersnood, Emd. 1723; voorts in het Ostfr. Volhsbuch 1831,
L a. p. en op nieuw met ccnige onbeduidende verandering , doch gecno
verbetering , door smith in zijn a. werk.
Digitized by Go
6
kaarten van Oostfriesland en Groningen geteekend , zoo als
van de laatste op die van a. d. G. de gboss van 1792. —
Door wien de oorspronkelijke of eerste Dollardkaart van
Emden vervaardigd is, is ons onbekend gebleven. Het
voornoemde oude gedrukte kaartje op de kaart van Oost-
friesland, die op naam van emmius door w. blaauw is
uitgegeven, wordt bij Oüthof en anderen ook het kaartje
van emmius genoemd, immers dit bieronder wel bedoeld
en alzoo geacht door dezen vervaardigd te zijn (8). Maar
deze kaart van Oostfriesland is wel geene oorspronkelijke
kaart van emmius of die welke hij heeft uitgegeven met zijne
werken in 1616, bij zijne pkatsbeschrijving van dat gewest,
en die de eerste is die hiervan gemaakt is. Neen, maar
naar deze en andere kaarten heeft w. blaauw de zijne
vervaardigd, lang na den dood van emmius (in 1625 voor-
gevallen), en zoo zal hij ook het Dollardkaartje naar de
Dollardkaart te Emden er bij gevoegd hebben. Op de
kaart van emmius is ook zoodanig Dollardkaartje niet aan-
wezig. Evenmin schijnt emmius de eerstgenoemde getee-
kende kaart te Emden gemaakt te hebben , schoon de tijd
van vervaardiging daarvan wel mag overeen komen met
dien , waarin hij die plaatsbeschrijving heeft opgesteld , na-
melijk omstreeks het laatste der 16e eeuw (Aant 2). Aan
den oenen kant komt zijne beschrijving van het verdronken
land in den Dollard wel veel overeen met die kaart en
blijkt het, zoo als wij zeiden, dat hij die gebruikt heeft,
maar aan den anderen kant, is er ook genoeg verschil
tusschen. Zoo is o. a. op de Dollardkaart de loop van de
Tjamme verkeerdeüjk geteekend ten zuiden van de Beerta,
daar die rivier ten noorden dier plaats vloeide , gelijk haar
overblijfsel nog bewijst en emmius ook juist opgeeft. Had
hij nu die kaart gemaakt, dan zou hij voorzeker die feil niet
begaan hebben, noch andere die er op voorkomen, hij beter
ingelicht, zoo als hij was en ook toont te zijn door andere
bescheiden. Wat den tijd betreft , waarin de kaart vervaar-
digd is, hoezeer deze ook niet met zekerheid is op te ge-
—
(8) Dit zal ook wel hot geval zyn mot het mede zoogenoemde Dollard-
kaartje van emmius, hetwelk, volgens de aanwijzing der aftcokening, zich
hevindt ter zijde op dc Dollardkaart van het Trifolium nureum geplakt.
Digitized by Go
7
▼en , zoo kan men daaromtrent toch eene gissing maken.
Uit de voorstelling , zoo op de kaart zelve als op het bij-
gevoegde kaartje, (dat wel niet op alle kopijen wordt ge-
vonden , maar toch al op de oorspronkelijke kaart schijnt
geteekend geweest te zijn), van den Dollard in zijne groot-
ste uitgestrektheid , die hij eerst , zoo als wij zullen zien ,
omstreeks het midden der 16e eeuw heeft verkregen, kan
men besluiten, dat zij na dien tijd moet ontworpen zijn.
Men zou het tijdstip nog nader, en wel op het jaar 1593
kunnen bepalen, dat wij vonden onder het gewone on-
derschrift van eene Dollardkaart, zonder naam, maar lui-
dens het opschrift geteekend naar oude kaarten in 1664
door een geadmitteerden Landmeter, als wij mogten aan-
nemen, dat dit jaartal ook op de oorspronkelijke kaart ge-
staan heeft. Wij worden daarin bevestigd, door hetgeen
algemeen op de kaarten bij den jongsten dijk aldaar van
Farmsum naar Termunten aangeteekend staat, namelijk: dat
nu op dat jaar aldaar die dijk is gelegd. Dit toch wijst ons
vrij zeker op dat jaar, als dat waarop zij is ontworpen. Dit
is dus meer dan drie eeuwen later dan de Dollard is
begonnen zich te vormen. Geen wonder dan ook , dat zij
in vele opzigten gebrekkig is en eene meer ware en naauw-
keurige afbeelding van het verdronken land, zoo als wij
bij de beschrijving daarvan zullen trachten te geven , even
wenschelijk. Wij zullen nader, nu hiertoe overgaande,
op die kaart terug komen en de gelegenheid hebben, om
de gewigtigste gebreken daarvan aan te wijzen.
De landstreek, welke alzoo door de wateren van den
Dollard is ingenomen en te gronde gegaan, bestond uit
een groot deel van het toenmalige Reiderland , met een klei-
ner gedeelte van het Oldambt , zoodat het eerste daardoor
geheel is van een gescheurd, hebbende van hetgeen nog
is overgebleven een deel aan de Eems in Oostfriesland
nog alleen den naam behouden , maar zijnde het overige
aan onze zijde vervolgens tot het Oldambt en Westerwol-
de gerekend geworden. De landtong van Reide aan deze
zijde was alzoo vereenigd met den hoek bij Pogum aan
gene zijde; de Eems stroomde, meer bepaald binnen hare
oevers, met eene bogt voorbij Emden, tusschen die stad
en het voormalige Nesserland door, dat nu, zoo veel als
er nog van overig is , aan dc vaste kust van Oostfriesland
Digitized by Go
8
is verbonden. Al wat bezuiden dien loop der Eems nu
water is en thans den Dollard vormt, was vast land, door-
sneden dooreen paar rivieren. De eene of de hoofdstroom ,
welke den naam van Ee droeg, was een vervolg van de
tegenwoordige Westerwoldsche Aa en vloeide in de lengte
of van het zuiden naar het noorden door het oostelijk ge-
deelte des lands, zoodat zij ten oosten van het tegenwoor-
dige Reide, of tusschen de voormalige dorpen Wester- en
Oosterreide door, omstreeks tegen over Logum in Oost-
friesland , met een breeden mond in de Eems viel , en wel
door zeven zijlen , zoo als de gezegde Dollard kaarten dit
aanwijzen, alsmede emmius en anderen opgeven, luidens
de overlevering. Men zal onder deze zeven zijlen echter
wel geene zeven afzonderlijke sluizen, maar misschien zoo
vele zijl- of sluisdeuren hebben te verstaan , en nog wel
niet met de tegenwoordige te vergelijken. Deze stroom
is, ter onderscheiding van andere van dien naam, naar het
land, hetwelk hij alzoo doorstroomde, ook wel Reider Ee
of Aa bijgenaamd , zijnde de naam Ee of Aa een algemee-
ne oude naam voor dergelijke stroomende waters en van
daar ook aan meer gegeven, die wij in of bij dit oord zul-
len ontmoeten. Zoo zuilen wij die zijlen of zijl aan haren
mond ook wel met den naam van Reiderzijl nog om-
streeks 1413 aantreffen. Op de kaart van Starckenborg
wordt, volgens de genoemde kopijen daarvan, vermeld,
dat in het jaar 1673 de botten d. i. de slagbalken van
deze zijlen aldaar nog te zien zijn geweest. Zoo als de
loop der rivieren op de Dollardkaart wordt aangewezen,
mag hiermede meer of min overeenkomstig zijn geweest
haar ware loop en dezen ook nog behouden hebben de kil ,
welke thans, als een vervolg der Westerwoldsche Aa, door
den Dollard kronkelt , zoodat zij voor de oude bedding der
rivier te houden is, voor zoo ver zij namelijk niet ver-
plaatst is geworden , zoo als wij zullen zien , dat met deze
en andere stroomen , zoo wel als met de platen in den Dol-
lard , van tijd tot tijd het geval is. Naauwkeurig echter —
dit volgt wel hieruit — laat zich haar loop, zoo als hij
zal geweest zijn, niet meer opgeven.
Als een tak van deze Ee (zoo als wij haar zullen blij-
ven noemen), doorliep een tweede minder aanzienlijke
stroom , de Tjam of Tjamine geheeten , het verdronken
Digitized by Go
9
land , en scheidde voor een groot deel of tot zeker punt
Keiderland van het Oldambt, en geheel, namelijk tot aan
haren uitloop in de Ee, het Sticht van Osnabrug van dat
van Munster, zoo als die voorheen afzonderlijk bestaan
hebben. Zoo zal toch haar loop te verstaan zijn, die wordt
opgegeven in een paar oude hoogst merkwaardige beschei-
den van de jaren 1391 en 1420, behelzende een verdrag
tusschen de Reiderlanders en Oldambtsters over de grens-
scheiding en afwatering beider landstreken en bisdommen ,
zooals die tóen herhaaldelijk vastgesteld zijn, maar reeds
van vroegeren tijd her grootendeels zoo bestonden. Wij
zullen deze oorkonden in de Bijlagen (N<>. I en II) achter
dit werk in haar geheel mededeelen , schoon zij reeds
geboekt zijn, maar de eene hier, de andere daar, en
emmius ze beide wel kende , doch haren inhoud slechts
kort mededeelt en evenmin als lateren wel heèft begre-
pen. Zij zijn in zoo verre meer of min gelijk , dat de eene
latere blijkt eene hernieuwing van de andere vroegere te
zijn , en haar inhoud wel hier en daar in de lezing en
den vorm iets verschilt, maar overigens in de hoofdza-
ken overeenstemt. De loop der Tjamme nu wordt hier
opgegeven van beneden naar boven , zoo ver ze de grens
uitmaakte tusschen het Oldambt en Reiderland en beide
bisdommen tevens, wel niet in zijn geheel, tot aan of
van de Ee waarin zij viel. Men heeft dit echter alge-
meen zoo begrepen en de Tjam gevolgelijk beschouwd
als geheel de grensscheiding beider landen uitmakende ,
tot aan hare vereeniging met de Ee. Zoo wordt het
op de kaarten, door emmius en lateren voorgesteld. Out-
hof, op zijn kaartje, alsmede feith (t a, pl. bl. 519)
maken hierop echter eene uitzondering, maar zoo dat zij,
aan den anderen kant weder te ver gaande , de grens van
de Tjam te westelijk tot aan de Termunter Ee laten loopen ;
even verkeerdelijk beperkt outhof daarentegen die grens,
als gaande van de Tjam tot de Westerwoldsche Aa en
verder, zoo als nu de grens tusschen onze provincie en
het tegenwoordige Reiderland is , maar welke niet die van
dit voormalige land was. Doch raadplegen wij genoemde
verdragen. Er wordt daarin gezegd, dat de Tjam be-
gon als zoodanig, als burgerlijke en kerkelijke grens-
scheiding , in WijnedaJiam — en wel, volgens den in
10
houd van het tweede verdrag, te Tijdwijnedaborg tus-
schen die plaats en Megenham — en liep voorbij Rei-
derwolde door Megenham en Torpsen, voorbij de St
Nikolaaskerk in Oostfinserwolde en zuidwaarts tusschen
Finserwolde, Oostwolde en Midwolde aan de eene, en
Beerta, Winschoten enz. aan de andere zijde, door het
moer in de Zijpe, die gelegen was tusschen de Eexta en
Scheemda eenerzij ds , en Heiligeriee anderzijds , en ook
de verdere grens vormde en zich ontlastte met andere
takjes in de Ëe of Aa, die naar Termunten stroomde.
„Deze Tkyamme" zoo luidt verder het verdrag van 1391"
„uyt Tydwynedaborch in de Zijpe dale, hent aan den Santwech,
„dit is de rechte scheydinge tusschen beyden Stichten ende
„Landen voorschreven, ende scheydet alle Hammericken
„ontweevan beyden Landen, die tusschen Tydwynedaborch
„ende defl Santwech gelegen sint" De Tjamme kan dus
verder dan Tijdwijnedaborg , waar zij tusschen Wijnedaham en
Megenham begon de grens te zijn, nog doorgeloopen heb-
ben in de Ee, en deze plaatsen, zoowel als Reiderwolde
en Oostfinserwolde, waar zij voorbij liep en wel ten zui-
den, gelijk blijkt uit den zin, waarin dit woord ook vervol-
gens genomen wordt, kunnen nog tot Reiderland behoord
hebben, dat zich alzoo nog meer ten westen de Ee zal
uitgestrekt hebben. Zulks wordt buiten twijfel gesteld door
eene oude lijst uit de laatste helft der 15® eeuw van de
Friesche Proostdijen met hare kerkdorpen, die onder het
Bisdom van Munster behoorden, waarvan wij een uittrek-
sel in de Bijlagen (No. III) zullen mededeelen, namelijk
behelzende de Proostdijen Farmsum en Hatsum of Nes.
De eerste bevatte het Oldambt met een deel van Fivelin-
goo, de laatste Reiderland, dat vroeger in twee Proosfc-
dijen met die namen verdeeld was, maar welke toen reeds
ten gevolge van de inbraak des Dollards tot ééne Proostdij
vereenigd waren. Op deze lijst worden, zooals wij nader
zullen zien, deze en andere dorpen opgenoemd, die ten
westen de Ee lagen; gevolge! ijk moet Reiderland zich nog
over deze rivier, benoorden de Tjam, uitgestrekt hebben,
zooals ook buitendien van sommige plaatsen genoegzaam
bekend is, als Westerreide enz. Dezelfde lijst bevestigt
voorts ook, wat velen zoo vreemd is voorgekomen, de
kerkelijke scheiding van Reiderland, schoon geheel een
Digitized by Go
11
Friesch gewest, in een Munstersch en Osnabrugsch ge-
deelte, en leert ons nader kennen, welke plaatsen tot
dat, en bij gevolg ook welke tot dit gedeelte behoord heb-
ben. Dit laatste was het zuidelijkst deel tusschen de Tjam
en de Aa, en misschien voor een deel over de Aa, zoover
het aan Westerwolde grensde, dat ook in den Osnabrug-
schen sprengel lag. Het overige van Reiderland, benoor-
den de Tjam en beoosten de Aa of Ee in ons gewest en
land, lag in den Munsterschen sprengel. Dit onderscheid
tusschen de wereldlijke en kerkelijke verdeeling niet in
aanmerking nemende , maar de Tjam tot in de Ee , en
deze verder ook als de grenslijn tusschen Reiderland en
het Oldambt beschouwende, heeft emmius , als ook de
maker van de Dollardkaart deze en andere plaatsen meer
verkeerdelijk tusschen de Tjam en de Ee geplaatst, zoo-
als wij straks nader zullen zien en aantooneh gezegde
kerkelijke en wereldlijke scheidingen bij de bijzondere be-
schrijving der oude Dollardplaatsen (9). Zeer verkeerde-
lijk wordt dus op de Dollardkaarten de loop der Tjamme
ook daarin opgegeven, dat zij voorgesteld wordt te vloei-
jen ten oosten of zuiden van de Beerta en Winschoten, in
de rigting van het Beerster en Pekeldiep , in plaats van ten
noorden dier plaatsen. Zij heet daarop ook de Ae of Ee ,
even als de Reider en Termunter Ee; op de kopijen van de
kaart van ötabckenborg, wordt geheel verkeerd de naam
van Tjamme aan de laatste gegeven. Smith heeft die op-
gaaf wel getracht te verbeteren, door op zijn kaartje een
water in de juistere rigting bij te teekenen , maar hij heeft
den verkeerden loop van de Tjam nog behouden. De ware
loop is hier nog uit de overgebleven sporen op te maken.
De Tjam namelijk is nog voor een deel daar als grens-
scheiding tusschen de genoemde plaatsen of de gemeenten
Finserwolde eenerzijds en de Beerta anderzijds en zal
met eenige verandering, misschien door regt- of vergra-
ving veroorzaakt, als nog voor den ouden weg dier rivier
beschouwd mogen worden. Aan den ouden dijk van den
Kroonpolder bij Stoksterhorn gekomen, wordt zij wel
(9) Over den ouden aardrijkskundigen toestand van Keiderland is
verder gehandeld in stratingh. Aloude Stemt en Geschied, des Vadert.
IT , ii , 141 enz.
12
gezegd voort te loopen westwaarts bijlangs dien dijk en
den Ganzedijk, en zich uit te storten nabij de Vierkar-
spelen of Beerster zijl in het diep , dat daardoor in den
Dollard uitwatert (10). Dit is echter een later gegraven
en zoo genoemd kanaal; want men weet den loop van de
Tjam, schoon thans bij Marijke en door den Stadspolder
afgedamd, nog aan te wijzen door dezen polder heen, waar
zij langs de tweede boerenplaats, van het westen afgere-
kend, tot in den Dollard liep. Die rigting hebben wij alzoo
te volgen, om ons haren verderen loop door dien boezem,
tot in de Ee voor te stellen, die echter slechts, even als
van dien hoofdstroom, meer bij gissing en ten naaste bij
kan opgegeven worden, daar hare kil niet meer overig is.
Met die , welke de Beerster en Bellingwolder moe of mude
vormen, zal zij wel geen gemeenschap gehad hebben,
daar dezelve met den aanleg dier diepen eerst ontstaan
zal zijn. Doch keeren wij nog een oogenblik tot den oor-
sprong of het bovenste deel van de Tjamme terug, waar
zij met de Zijp in een liep.
Haar oude loop tusschen Oostwolde en Midwolde, in
het Oldambt eenerzijds , en Winschoten met Heiligerlee, in
Beiderland anderzijds, dien men verder nog door de veen-
landen dezer streek in eene sloot kan nagaan, is niet meer
de tegenwoordige gemeentegrens, maar bevindt zich wat
zuidelijker. Bij de nadere grensbepaling dier dorpen of ge-
meenten , of bij eene andere gelegenheid zal eensdeels grond
ontnomen zijn aan die Oldambster dorpen en gevoegd bij
Winschoten , terwijl anderdeels ook van Beiderland geschei-
den zijn Heiligerlee en Westerlee, en deze aan Midwolde
en Scheemda toegevoegd. Zoo zijn hier de aloude grenzen
dier dorpen en landschappen verbroken, maar nog vol-
doende na te gaan in die overgeblevene waters, waarvan
de Tjam nog Iaat ook hier haren naam heeft behouden,
tot in de Zijpe toe, of daaraan geleend. Sommige lande-
rijen in de Scheemda, welke op den weg langs het Win-
schoterdiep uitloopen, worden in oude koopbrieven nog
gezegd te strekken aan den Tjamweg. Deze weg droeg dan
(10) Zie h. kremer, Beknopte Aardrijks- Geschiedk. en Plaats. Be-
sehnjv. der Ptoü. Gron. 2de (door westendorp) verbeterde druk , St. II,
1837 , W. 97.
Digitized by Go
13
nog wel dien naam , omdat hij van ouds voerde naar de
naburige Tjam. In een der Rapporten van de gecom-
mitteerden tot het graven van 'tdiep en de wegen door
het Oldambt, van den 13 Aug. 1627, wordt berigt, dat dat
diep geleid werd van de Tjam tot naar 't olde Winschoterdiep ,
dat van Westerlee kwam. Hieruit blijkt, dat de Tjam wel
tot aan het tegenwoordige Winschoterdiep strekte of zoover
toen dus genoemd werd , waar anders , volgens de voorzeide
oudere bescheiden , de Zijp reeds vloeide. Beide mogen
afzonderlijk in de deels hier nog aanwezige hooge veen-
of moergronden haren oorsprong gehad hebben; want of-
schoon de loop der Tjam al in die oude bescheiden
onmiddellijk tot in de Zijpe vervolgd wordt en hier mede
verbonden mag zijn geweest, zoo zullen zij wel vroe-
ger elk op zich zelve gestaan en ontsproten zijn, zoodat
de Tjam oostwaarts en de Zijp westwaarts liep. De Zijp
wordt ook alleen als grensscheiding voorgesteld te zijn
een vervolg van de Tjam, maar niet uitdrukkelijk mede
als waterleiding, en. zij mogen ook toen nog daarin ge-
scheiden geweest zijn , dat de belendende landerijen , en wel
van Reiderland , zich eensdeels in de Tjamme Dollardwaarts
ontlastten, anderdeels door de Zijpe in de Termunter Ee,
zooals wij straks bij de beschouwing van den loop dezer
stroomen zullen zien. Men kan vragen , of het Oosterwol-
der meer , dat tusschen het dorp Oostwolde en de Tjam op
oude kaarten als zoodanig, en thans nog, schoon droog en
in Meerland veranderd, met dien naam vermeld wordt,
toen reeds bestond en als een oorspronkelijk meer is te be-
schouwen , dan als later ontstaan , en wel door overstrooming
van den Dollard, zoo als wijlen de bekende predikant van
Oostwolde L. van bolhuis van meening was (11). In het
verdrag van 1420 wordt de Tjam wel gezegd te stroomen,
doer dat gantze meir in de Zipe , maar in dat van 1391 of
het oorspronkelijkste, wordt zij gezegd te strekken over dat
moer, zoodat men hieronder wel gezegde hooge veenen zal
hebben te verstaan, juist geen meer. Het kan evenwel als
-
(11) Tweetal phglige Redevoeringen , Gron. 1778, bl. 75 der eerste,
ter inwijding van de nieuwe Kerk te Oostwolde in 1777 gehouden. Zie
ook voorts over dit meer het Art. Huningameer in het Aardrijkskundig
Woordenboek van a. j. van der aa, V, 947.
14
zoodanig , als een meerstal , hoedanig men meer in de hooge
veenen aantreft, bestaan en zijn afloop gehad of verkregen
hebben in de Tjam. Aldus wordt het voorgesteld op de
Dollardkaart, door een takje hiermede in verbinding staan-
de. Op de latere oude kaarten van de Provincie wordt
het meer verschillend voorgesteld, ook in den naam. Zoo
droeg het mede den naam van Htminga meer, naar de
voorname en vermaarde Oldambtster familie huninga,
welke te Oostwolde haren hoofdzetel of stamplaats had;
ook wel dien van Eeckelsmeer en van Fledder, zoo dit geene
verwarring is met het Vledder of het dus genoemde land
ten oosten van Finserwolde. Het komt dan eens als reeds
droog gemaakt, dan weder als nog een meer voor, op zich
zelf staand of uitwaterende door de oude Oostwolder zijl,
ook wel in verbinding met de Tjam. Op de kaart van
beckeringh van 1781 wordt het nog als meer voorgesteld ,
waaruit zelfs de Tjam ontspruit. Deze voorstelling is zeker
onjuist, daar de Tjam wel met het meer in verbinding mag
gestaan hebben, gelijk nog heden , maar ten zuiden daar-
van haren weg nam. De bodem van het meer geeft het
waarschijnlijkste te kennen, dat het wel door den Dollard is
overstroomd, maar niet gevormd geworden. Het meer vormt
eene kom, welke aan de noord-, oost- en zuidzijde door
hooge gaastgronden , die uit leem, potklei, zand met veel
vuursteen vermengd, bestaan, is ingesloten, terwijl het
aan de westzijde door de Midwolder hooge veenen (voor
een gedeelte reeds afgegraven) is begrensd en aan de zuid-
westzijde ligt aan eene streek laag veen, waar nog gebag-
gerd wordt. De kom heeft van boven kleigrond (roodoorn),
die meestal op darggrond ligt en het dikst wordt aange-
troffen langs de oude grenzen van het meer, het minst in
het zuiden, zoodat er, bij het gedurig ploegen, bijna geen
klei is aan te treffen. Die klei nu is denkelijk met het
Dollardwater aangevoerd, schoon het zoete water ook zijn
aandeel daaraan zal hebben gehad, gehjk wij zullen zien,
dat zich de oorsprong van den roodoorn ook daaruit laat
verklaren. Men vindt vooral langs de noordzijde , waar het
meer het naast met den Dollard , althans bij hooge vloeden ,
in verband zal hebben gestaan of ingebroken zijn, op den
darg- of ouden veengrond klei, ook westelijk van het meer,
en aan de noordoostelijke zijde van de Midwolder hooge vee-
Digitized by Go
15
nen tot digt naar dc Groeve een zeer moeras- en dargachtigen
grond, die vroeger zeker tot het meer heeft behoord en vrij
veel diepte moet gehad hebben, zoodat het meer, waarvan
nu de oppervlakte, of van het zoogenoemde Meerland, zoo-
als het door zijne wegen is ingesloten, op ongeveer 450
B. geschat wordt, voorheen veel aanzienlijker van omvang
zal geweest zijn. Dit meer, dat nog niet lang geleden
voor een groot deel onbebouwd daarheen lag, levert nu,
door een watermolen droog gehouden, goede vruchten op,
en zou bij eene betere afwatering en drooghouding nog
meer opbrengen.
Behalve de Tjam, liep er, volgens de Dollardkaart , nog
ten oosten een takje van de Reider Ee door het Oost-
friesche gedeelte van het verdronken land. Dit nam op
de hoogte van Bunde een begin, vloeide noordwaarts
langs eene plaats Wijnemeer geheeten, waar het met een
meertje in verbinding stond, en viel niet ver van Uterpa-
wing in dien hoofdstroom. Dit takje is daarmede geheel
verdwenen.
Wij hebben nu ook nog nader te beschouwen de oude
Termunter Ee, zoo als die, volgens de meergenoemde oude
bescheiden van 1391 en 1420, uit de Zijpe en andere ri-
viertjes ontsproten, als de oude waterlossing van het ge-
heele Oldambt, door hetzelve stroomde, maar ook door de
inbraak van de Dollard groote veranderingen heeft onder-
gaan, zoodat zij van het latere en tegenwoordige Termun-
ter zijldiep zeer verschilt.
De Zijpe dan sproot waarschijnlijk, gelijk gezegd is, ook
in dezelfde hooge veen- of moergronden, waaruit ook de
Tjam een aanvang nam, en liep tusschen Scheemda en
Eexta eenerzijds en het Nonnenklooster Heiligerlee met zijne
landerijen anderzijds tot aan het smalle steenhuis in de Op
(of Boven) Eesct, geheeten Nemehe Eppens Steenhuys (zoo
als nog in het andere verdrag staat) ; voorts tot aan den
Zandweg, die van Eexta ging naar de gast te Westerlee,
en verder naar de Meeden (zoo als in het jongere ver-
drag staat), makende alzoo ook de grens uit tusschen het
Oldambt en Reiderland en tusschen de Bisdommen Mun-
ster en Osnabrug. Door eene zijl in dien Zandweg stortte
de Zijp haar water uit in de Addensloot, ten westen van
dien weg, vervolgens in de Zijd- of Zuidwending en ein-
delijk in de Ae of Ee, makende die Zijdwending ook de
verdere grens tusschen Eexta en Westerlee en beide ge-
noemde landen en stichten uit — De naam van Zijp is
aldaar nu wel niet meer bekend, maar toch nog eene en
andere sloot aanwezig, die als vervolg van de Tjam ten
noorden van de buurt het Kloosterkok door moerassige
plaatsen loopt naar het Winschoterdiep , even ten zuid-
oosten van het vallaat der Ennemaborger veenen, en wel
hetzelfde water is, dat tot zoo ver later ook dien naam droeg.
Achter de boerenplaats , waar het klooster in die buurt ge-
staan heeft — achter de hoogte, waarop het gedenkteeken
van Graaf adolf in 1826 ook is geplaatst — vindt men nu
nog eene streek roodoorn op den moerassigen darggrond,
die men kan aannemen, dat door het tot in de Zijp inge-
drongen Dollardwater hier is afgezet geworden. Ten zuid-
westen van dit diep , loopt die sloot door den weg van
Eexta naar Westerlee , daar waar nog eene aanzienlijke oude
boerenwoning staat, welke den naam van Steenhuis draagt;
van dit punt zal zij geloopen hebben langs de Hooilaan,
die hierop uitkomt, naar de zandhoogte of gast aan het
eind daarvan , tot aan eene tweede Eooüaan in eene nog
bestaande watering, die vervolgens met eene bogt in de
Ooster Ae voert Zij maakt, behalve in laatstgenoemde
watering, even min als de Tjam heden de grensscheiding
tusschen de plaatsen uit ; deze loopt tusschen Midwolde
en Heiligerlee wat noordelijker tot aan voornoemd vallaat
en dan tusschen Scheemda en Eexta eenerzijds en Heili-
gerlee en Westerlee anderzijds, eerst zuidwaarts langs het
Winschoterdiep en vervolgens westwaarts langs zekere wa-
tering naar het einde van de eerste Hooilaan, hier te za-
men met de oude grens. Maar die zal ook tot hier ver-
anderd zijn; want dat zij langs die sloot geloopen heeft,
is uit dë rigting der landerijen op te maken, die aan
weerszijden daarop en op die Hooiland uitloopen en eindi-
gen. De oude Zandweg, waardoor de Zijp uitwaterde, is
ook met de plaats hiervan nog te herkennen. Er loopt
namelijk van de Eexta, en wel van het eind des wegs
die onmiddellijk van de kerk aldaar komt, naar gezegde
zandhoogte of gast eene sloot, de Zandwegshot genoemd,
en zeker zoo, omdat langs dezelve de voornoemde Zand-
weg geloopen heeft. Er zijn nog sporen overig, dat hier
Digitized by Go
17
vroeger, aan dien weg, huizen gestaan hebben, en die
zandhoogte kan geene andere dan gemelde Oostergast te
Westerlee zijn. Er wordt ook nog door de landbouwers
verhaal^, dat Graaf adolf met zijne legermagt langs dien
weg getrokken is naar die gast en hier gesneuveld is in
den strijd met de Spaansche benden, die voorviel op den
23 Mei 1568. Hier liep dan ook de Zijp door dien weg
in de Zijdwending, en is deze dan de voornoemde nog
bestaande grenswatering met haar vervolg, de Ooster Ae.
In de Zijp en Zijdwending liepen voorts nog twee an-
dere kleinere waters uit. In de Zijp, voor dat zij door
den Zandweg ging, de Nije- of Monnikemloot , zoo gehee-
ten, omdat zij was gegraven door de kloosterlieden van
Heiligerlee, nadat hun en dien van Westerlee door het
Zijlvest van het Oldambt was toegestaan , mede hun water
in de Termunter Ee te loozen, waaronder hunne landen,
als in Reiderland gelegen, anders niet behoorden. Voor
die sloot zal waarschijnlijk nog te houden zijn het deel
van de meergenoemde watering , hetwelk van de grond-
pomp , die tegen de kloosterplaats onder het Winschoterdiep
door ligt, tot aan meer gezegde zandhoogte of gast zich
uitstrekt. Jn de Zijdwending waterde uit een riviertje, dat
ook de Zijpe heette of de Letze en, tusschen Westerlee en
de Meeden doorloopende , alzoo mede de grens van ge-
zegde landen en stichten vorrrMe. Dit watertje zal nog
overig zijn in de Zijpsloot , die tusschen beide genoemde
dorpen of de gemeenten Sclieemda en de Meeden door
uit de afgegravene hooge veenen in de Ooster Ae zich
ontlast. Voorts wordt er ook nog gewaagd van derge-
lijk water, gelegen tusschen de Meeden en Muntendam,
en tusschen deze plaats en Broek (Zuidbroek). Hieronder
is voorzeker te verstaan de nu zoogenoemde Oude Ae ,
die van Muntendam tot boven Veendam nog daar is,
vroeger tot in het oude Zwanemeertje zich uitstrekte en
wel als de hoofdtak van de Termunter Ee zal zijn te
beschouwen. Zij ontsproot namelijk uit dit, bijna op de
grenzen van Drenthe , in de nu ook afgegravene en
ontgonnen hooge veenen gelegen meertje , liep dan
langs de voornoemde plaatsen en verder door het later
aangespoelde land, waar haar loop meer verdwenen is,
naar den hoofdstroom , min of meer langs het Winscho-
2
Digitized
18
terdiep, of de nog tegenwoordige grens tusschen Zuid-
broek en Muntendam met Meeden, naar het Sckeemder
tolhek , na vooraf nog opgenomen te hebben dien tak ,
welke eveneens nog onder den naam van de Leest uit de
veenen op de grenzen van het Gooregt ontspringt en, langs
die van Zuidbroek en Muntendam heen vlietende, zich
met de oude Ae ten zuiden van gezegd diep veree-
nigt (12).
De hoofdstroom of de Termunter Ee nu alzoo gevormd
zijnde door genoemde onderscheidene takjes , liep , vol-
gens dezelfde bescheiden, naar Broek, dat is Zuidbroek
of wel Noordbroek mede, van hier naar de Zwaag en
voorts naar de zijl te Termunten. Onder (Je Zwaag zal
hier niet de buurt de Zwaag, onder de Scheemda enz.,
maar het meer noordoostwaarts gelegen, in den Dollard ver-
gane dorp van dien naam te verstaan zijn. Overeenkom-
stig deze aanwijzing kan men het spoor van haren loop
nog volgen van het Scheemder tolhek tot aan den grind-
weg tusschen Scheemda en Zuidbroek, en wel in eene
kleine sloot, die in die rigting loopt op eenigen af-
stand ten westen van den Oudendijker weg , zoodat de oude
stroom den grindweg, ongeveer op de helft van den af-
stand dier dorpen , zal gesneden hebben. Die Oudedijker
weg 9 dus genoemd naar den uitersten Dol lardd ijk hier van
1545 , maakt thans de grenslijn uit tusschen die beide ge-
meenten en de dorpen Zuidbroek en Eexta, en zoo mag dan
(12) L sanwks, de opkomst van Veendam, Vcondam 1830, bi. 106,
schrijft, dat da oude Ee haren oorsprong had , behalve uit het kleine
Zwanen- of Drenther-tneer , ook nog uit eon tweede grooter meerstal , te
weten het nu ook droog gemaakte Boedmansmeer , hetwelk zuidooste-
lijk, niet ver van het Nieuwe Pckcla-diep gelegen was, en meteen
streng , de Hoedmansgoot genaamd , ongeveer 100 roeden boven het begin
van de Wildervank aan het Westerdiep in de oude Ee zou uitgeloopen
hebben. De Schrijver dwaalt hier zeker, want het Hoedmansmeer was de
oorsprong van de Pekel Aa, in het diep van dien naam vergraven, en ge-
heel afgescheiden van de oude Ee of Ae bij Veendam. Dit is uit beider
loop , zoo als die op oudere kaarten van ons gewest nog aangewezen
staat, onmiskenbaar op te maken. Dien loop zoowel als de ligging der
beide meerstallen vindt men ook aangeduid op de Kaart van de Bro-
vincie Groningen, onder toezigt van o. aokrr stratihgh, opgemaakt door
j. a. smit vam der VROT, 1637 , die men ook verder mj onze beachry-
ving kan raadplegen.
Digitized by Go
19
vroeger de Eestroom die lijn gevormd hebben. In den
dijk van dien stroom zullen dan hieromstreeks ook geweest
lijn de twee zijlen , welke volgens diezelfde bescheiden ,
binnen Eexster-hamrik in den Eedijk plagten te liggen en
geheeten waren ThyarUa en Ubbinga-zijl. Van genoem-
den grindweg tot aan Nieuw-Scheemda is het spoor niet
meer te herkennen , doch zal de Ee waarschijnlijk ten
westen niet ver van dat dorp gekronkeld hebben naar het
Waar., mogelijk voor een deel langs de zich aldaar nog
bevindende oude watering, die nog voor een deel de grens
uitmaakt tusschen Noordbroek en Scheemda. Men vindt
in haren omtrek in den bodem onder de roodoorn een
diepen besten kleigrond en heeft ook zelfs niet ver van
daar, ten westen aan den Regie- Watster weg , in 1849—1850
daarin ontdekt het onderste gedeelte van een schip en
eene mast 2.5 el onder in de klei. Maar deze stukken
kunnen later ook bij eene overstrooming, na de inbraak
van den Dollard, hier in den grond gekomen zijn (13).
Van het Waar mag men in het tegenwoordige Termun-
ter zijldiep nog het vergravene oude diep aannemen ,
tot voorbij Nieuwolda namelijk ; want hier is het oude
bed weder verlaten, door de latere verlegging van het
diep , en liep door waar nu het Kattendiep is , weder tot in
de overgeblevene oude Ae, die haren ouden naam zoo-
wel als loop heeft behouden. Dat het tegenwoordige
Termunter zijldiep tusschen het Waar en Nieuwolda het
vervolg is der oude Ee, is blijkbaar ook uit den naam
van Ae landen , welke de landerijen ten oosten van dat
diep nog dragen, en uit het verband met de overig
zijnde oude Ae. Deze zal , hoezeer verkleind en verland ,
evenwel nog grootendeels haren ouden kronkeligen weg
volgen langs Woldendorp , misschien wel tusschen dit dorp
en het verdronkene Zwaag door, omdat in gedachte be-
scheiden gesproken wordt van den Eedijk (waarvan de
sporen ook nog overig zijn) alom in dit dorp in goeden
stand te houden; voorts langs het Grijze Monniken kloos-
(13) Overeenkomstig hiermede heeft de heer dijkexa ook den loop
der oude Termunter Ee opgegeven in zg*ne Proeve van eene Geschiedenis
der Landhuishouding en beschaving in de Provincie Groningen , Gron-
1851 , St. I, bh 243.
Digitized
20
ter of oudtijds dat van Menterna naar Termunten.
Hier stortte zij zich, niet op dezelfde plaats als de te-
genwoordige zijl, maar wat oostelijker en noordelijker uit
in de J5ems , en wel met vier zijlen, zoo als de oude
berigten en kaarten inhouden, eene enkele heeft ook
drie , en i. bengers daarentegen zelfs vijf zijlen (14).
Deze Termunter Ee , om dit er nog bij te voegen , nam
waarschijnlijk ook nog een westelijken tak op , die almede
den naam van Zijpe of Sijpsloot droeg en nog draagt bij
zijn oorsprong in het veen , niet ver van Kolham , en de
grens vormt eerst tusschen het Gooregt en Fivelingoo en
vervolgens tusschen dit kwartier en het Oldambt, min of
meer Joopende bijlangs den ouden Veendijk en den Zomerdijk
aldaar, door de Kromme- en Molensloot en het Hondshal-
stermaar en eindelijk door een gedeelte misschien van het
tegenwoordige Termunter zijldiep in de oude Ee , waar
dat diep zich thans met dien ouden stroom vereenigt. De-
ze Zijp moet vrij breed geweest, maar digtgeslijkt zijn.
Tusschen Noordbroek en Siddeburen zal die breedte wel
15 en meer ellen bedragen hebben; zoo breed strekt zich
immers aldaar de kleilaag aan weerszijden van hare tegen-
woordige wallen uit, en wel tot eene diepte van 2 el
en meer. Verder van den oever verwijderd, komt men
in roodoorn , die 2 of 3 palmen dik op den darg- veen-
of zandgrond zit. Van die klei langs de Zijp maakt de
landbouwer vooral onder Siddeburen een nuttig gebruik ,
(14) Kronijk , I, 74. — Men vindt in het meergenoemde verdrag
van 1391 eene eukele maal van 'Zijlen ter Munten gewaagd, maar
overigens in dit zoowel als in het herhaalde verdrag vau 1420 van
eene Zijl aldaar, zoodat men daaruit het bestaan van meer dan eene
zijl te Termunten niet kan afleiden. In dezelfde bescheiden wordt
ook nog gewaagd van de Finser Ee , in het eerste, en van de FJi~
mell Ee in het laatste stuk. Men heeft, naar de eerste lezing, hierin
wel een water gemeend te vinden , dat langs Finserwolde geloopen en
daaraan den naam gegeven zou hebben , maar w\j meencn , naar de twee-
de lezing, daarin de Termunter Ee te herkennen, die misschien , wegens
haren ouden uitloop nabij het thans nog niet ver daarvan aan den Dol-
larddyk gelegene gehucht de Fimel, zoo genoemd zal zjjn. Wy gissen
dit ook daarom , omdat zij het eerst van .alle waters genoemd en het
sluiten en openen daarvan bepaald wordt, zoo als er bijgevoegd wordt,
om watersnood in het Oldambt, wat dus', in het algemeeu het geheele
land betreffende , op dien hoofdstroom past.
Digitized by Go
21
door ze uit te graven en op den bouwgrond te brengen ,
even als men elders meer doet. Het is dan ook niet on-
waarschijnlijk dat deze Zijp hier en daar bevaarbaar is ge-
weest, en een deel heeft uitgemaakt van de vaart, welke
er bestaan heeft tusschen de stad Groningen en het 01-
dambt en Westerwolde, voor dat zij het Schuitendiep in
het begin der 17e eeuw heeft begonnen derwaarts door
te graven en naderhand daaruit het Noordbroekster diep
met deszelfs vervolg, het Buiten nieuwe Diep , tot in het
Termunter zijldiepbij 't Waar. Die vaart zou namelijk door
het Schuitendiep , dat al vroeg tot in het Drentsche diep
gegraven is , uit dit diep en door het Foksholster meer
geloopen hebben in het Abrams- of Oude diepje, dat nog
tegenwoordig nagenoeg Kolham van het Hoogezand of
Fivelingoo van het Gooregt scheidt, en vroeger om het
oude Sappemeer of Duivelsmeer in de Zijp , die alzoo waar-
schijnlijk naar 't Oldambt voerde en in verband stond met
de vaart , die tevens van het Damsterdiep langs Slochteren
naar het Oldambt en Winschoten liep. Deze vaart
heeft de stad aangelegd in 1585, omdat haar de Spanjaar-
den door het bezetten der kust en Eems allen toevoer
hadden afgesneden (15). Zij is nog op oude kaarten van
Groningerland (als die van coenders en barthold wi-
cheringe) aangeteekend en heeft geloopen uit het Dam-
sterdiep door de Poster en Slochter Ee in onze Zijpe
benoorden Sappemeer, dan een eind weegs langs de-
zelve tot in en langs de Noordbroekster vaart, ook
verder van den Noordbroekster weg, waar die vaart nu
ophoudt, maar voor een deel nog overig is in het Bui-
ten nieuwe Diep, langs dien weg naar de Scheemda en
viel zoo in de oude Termunter Ee, van waar men mis-
schien door het Eexter diep naar Heiligerlee en eindelijk
(15) Zie de Kronijken vau tf. h. i*hebens , p. 220, eü ab. eppens ,
bi. 435 , cn Tegenw. St. v. Stad en Lande , 1 , 506 , waar cr bijgevoegd
wordt , dat volgens een Stadsbesluit van den 31 Januarlj 1585 zelfs ge-
magtigden benoemd zijn tot onderzoek , of cene diergelijke vaart ge-
maakt konde worden van Winschoten langs de Bourtange naar Rhenen
in do Eems ; — een plan dat al vroeger was op touw gezet en hetwelk men
thans weder het voornemen heeft , schoon langs een anderen weg , na-
melijk door voortzetting van het Stads kanaal, ten uitvoer te brengen.
Digitized
22
naar Winschoten enz. voer, langs het oude Winschoter-
diep, dat, blijkens het rapport van 1627 (bL 13), hier
reeds bestond, voor dat het tegenwoordige diep toen
daarin gegraven is, en misschien oorspronkelijk een tak
van de Pekel Aa was. Zoo laat zich verklaren, wat de
overlevering meldt, dat door die Zijp het veerschip tus-
schen Groningen en Wedde gevaren heeft (16).
Voor dat wij hier van de oude Dollardrivieren afstap-
pen, moeten wij nog het bijzonder gevoelen van abends
onderzoeken , dat hij omtrent den loop van de Eems in het
voormalig land van dien boezem heeft voorgesteld. Hij
hield het er namelijk voor , dat er zelfs nog een arm van
die rivier door Reiderland heeft gestroomd, die, onder
den naam van Geise, zich bij Ween er van den hoofdstroom
zou afgezonderd, tusschen Bomerwold en Mariënkoer
door, westwaarts geloopen en eigenlijk die Ee en Tjamme
opgenomen hebben, waarnaar hij bij Reide weder in de
Eems zou gevallen zijn. Wel is waar melden noch oude
berigten , noch de Dollardkaarten , noch andere beschei-
den hiervan iets , maar hij meent toch daaraan niet te kun-
nen twijfelen , dewijl die arm zich in de opgegevene rig-
ting tot aan den ouden dijk des Dollards laat nasporen,
en hier wel niet plotseling zoude ophouden , ja , volgens de
berigten van den Oostfrieschen Historieschrijver e. henin-
(16) Zie s. j. mJTO«R8, Beschrijving van Kolham, Gron. 1849 , bL 8.
Die vaart naar Winschoten zal betreffen de Stadsresol. 20 Jutij 1611,
waarby na gehoord rapport den Drost gelast is , dat het diep van Win-
schoot na Slogteren door die van 't Oldambt opgeschoond en gegraven werde.
Die van 12 Julij 1619 houdt in: Op rapport der Gecommitteerden tot de
wegen gearresteert een schipvaart uit Oldambt na deze stad, moetende die
van 't Oldambt graven het diep tot aan de Veendijk tusschen Noordbroek en
Slogteren en van daar tot last van Duurswok en Fivelingo , enz. en kan
betreffen de vaart door de Zij po uit het Schuitend iep , zijnde dit in 1617
tot Hoogezand gegraven en het Sappemeer in 1618 uitgetapL Het
Noordbroeksterdiep is veel later aangelegd. Volgens R. R. 24 Jan. 1637 is
het ontwerp daarvan toen goedgekeurd , maar het heeft nog lang ge-
duurd, eer het volvoerd is geworden, blijkens R. R* 11 en 14 April, 12
Aug., 26 Sept. 1657, 15 en 19 April 1658, 1 en 15 Junij 1661 ; zijnde
vervolgens ook beraamd en besloten dit diep te vervolgen naar het Ol-
dambt tot in het Termtmter ztfldiep, en alzoo het Buiten nieuwe Diep
gegraven, ingevolge R. R. 10 Dec. 1664, 15 Febr. 1665, 23 Maart en
15 Mei 1666. En zoo zal hierna de vaart door de ZJjpe en die van
Slochteren over Noordbroek naar Scheemda verlaten z\)n.
Digitized by Go
23
ga , in de 16* eeuw nog aanwezig was , aan weerszijden
met dijken bezet en in de Eems open. Want die berig-
ten zouden inhouden , dat die arm aan de eene zijde bij
Holtgast in 1494 doorgedamd is, bij We ener aan de an-
dere zijde voor het eerst in 1555, en toen de dijk weder
weggespoeld werd, voor de tweedemaal in 1556 (17).
Doch kwalijk beroept, onzes inziens, arends zich op be-
ningjl. Wij lezen bij hem, ja wel, hoe de Graaf edzard
de Gene bij Holtgast, die sedert vele jaren open lag, zoo-
dat men met geladen schuiten te Holtgast kon aanleggen ,
in 1494 heeft laten bedijken (18). Maar dit zal slaan op
eene bedijking van den Dollard , die toen zoover binnens-
lands tot aan Holtgast zal zijn doorgedrongen , waardoor
deze plaats te midden van de klei of den aangeslijkten
grond is komen te liggen op eene zandhoogte of gast,
waarvan zij den naam draagt. Dit blijkt uitdrukkelijk uit
een bescheid van den jare 1496 , waarin voormelde Graaf
met Graaf uko aan het Johanniter Convent te Jemgum
100 deimten van dat nieuws ingedijkte land bij Holtgast
hebben verkocht, onder beding, dat dat Convent (dat
toen naar Holtgast zou verplaatst worden) geene verdere
aanspraak op het overige ingedijkte zou maken (19). Met
dien naam van Gese of Geise wordt alzoo gezegde polder-
grond genoemd; ook de aangeslijkte streep gronds, welke
van Weener tot Holtgast zich uitstrekt, en geenszins be-
doeld de stroom, welke hier langs zou gevloeid zijn. Die
naam is misschien verwant met geest, gast, en ontleend ♦
even als deze, aan de hoogere ligging des bodems. Zoo
toch wordt de zandplaat aan den hoek van Pogum in
den Dollard ook nog de Geise geheeten; eveneens de rand
der plaat , westelijk van het groote gat in den Dollard. —
Er schijnt echter wel van Weener, tusschen dit vlek en het
naast daaraan gelegene landhuis Boswijk , een oud bed der
Eems geloopen te hebben naar Holtgast , langs die streep
kleigrond. Dit duidt de grond en de naam van oude Eems,
(17) Arehds, OstfriesL u, Jever, B. I, S. 168—174. Noordzeehiê-
Un, D. II, bl. 166 en bL 192—194.
(18) E. BBNuroA, Kronijk of Riêtorit van Ooitfrksl by matthaw ,
AnaL Vet. aevi, T. IV, bl. 384. Op het jaar 1533, bl. 664, spreekt hij
ook van de Gese dike by Jemgum.
(19) Zie dit bescheid bij sddb , Oslfr. Klöster, S. 119.
Digitized
24
welke hij draagt , genoegzaam aan. Maar dit was een arm
dier rivier , die zich bij Holtgast weder met de tegen-
woordige Eems zal vereenigd en hier alzoo slechts een ei-
land gevormd hebben. Die arm mag bij Holtgast en Weener
afgedamd zijn , doch zoo min als het eerste berigt van be-
ninga ziet op de afdamming bij Holtgast, even min zal
zijn laatste op de afdamming bij Weener slaan. Hier
dunkt ons eenvoudig sprake te zijn van het digten van
een gat in denEeinsdijk aldaar (20). Arends noemt die
hereeniging ook den natuurlijksten weg van dien arm,
doch houdt alleen strijdig daarmede, dat de grond aldaar
van Holtgast naar de Eems van denzelfden aard is , als
de overige Eemszoom , namelijk uit zware klei bestaat, in
plaats uit van poldergrond of den zaveligen bodem , hoedanig
de Geise bij Holtgast en die van Weener tot deze plaats
of gezegde bedding van de oude Eems oplevert. Maar
hoe kan men zoo nabij de Eems een anderen grond
verwachten, dan die aan hare boorden gevonden wordt?
Wij houden dus die oude bedding voor niets anders, dan
voor een verlanden arm der Eems , die zich te Weener ver-
deelde en të Holtgast weder vereenigde. — Ten noorden van
gemelde Geïse te Holtgast loopt de Muusdijk, bijna oost
en west van de Eems bij Jemgum naar de oude Dollard-
bed^iBg^ dezec,,d^ . mftafa; de scheiding tusschen Opper-
en Ntdêf^Reiderktnd. Ook hier langs wil men dat er een
stroom gevloeid hebbe, waarvan de bedding nog hier en
daar te herkennen zou zijn , en welke den naam aan Rei-
derland zou gegeven hebben (21). Hiervan is echter niets
geschiedkundigs bekend; de regte rigting van den dijk
duidt ook geen loop eener rivier aan : wel kan er eene
gegravené watering, als gewoonlijk, bij langs geloopen
hebben. Wij meenen alzoo geen anderen loop van de
(20) Zoo z egt benïnöa (t. tu p. bi. 815) op het jaar 1555 , dat de
Gravinnc Van 1 Öostfrieeland het Wemger gat, dat bij des Graven bnko
jeven niet tocgéèlagen wa* , door Hollanders en Zeelanders heeft laten
bédden maar mi\ht terstond weder ingebroken ia; en op het jaar 1556
(bl. 819) dat egge i: ik mening a Drost te Lehrort dat gat toen ingedijkt
(21) ARE5fos, Erdbesckreib. S. 218. In zijn later werk over de
Noordzeekusten zw\jgt A. hiervan en hij schijnt dns
aan dit gevoelen te hechten.
Digitized by Go<
25
Reider Ee dan den opgegeyene door den Dollard te moe-
ten aannemen (22).
(22) Wij teekenen hier ten slotte nog het een en ander aan over de
boven genoemde riviernamen. Ee of Aa , Ae is, gelijk gezegd is, een be-
kende oude algemeene naam voor een stroomend water en eigen aan vele
rivieren. Maar is 7)'amme ook een dergelijke meer algemeene dan bijzondere
naam ? Emmiüs bekent dit niet te weten (Fris. Or. descript. Chorogr.
f. 39). Wij vermoeden het eerste, daar die naam in het verdrag gelijk-
namig wordt genomen met watering in het algemeen: „Thyamen , rivü-
ren ende ook of Zijpen," staat er in het eene oudere verdrag en „alle ol-
de Tiammingen offte Wateringe" in het andere jongere verdrag. Tjam,
Tkgamme heeft veel overeenkomst met Thije, Tja, Tjarxjl , zoo als
de uitwateringen in de ingedijkte landen achter 'tZandt in dit gewest
genoemd worden, en hetwelk zooveel als tocht of loopend watter, van ft>
en , tien d. i. trekken , zal willen zeggen. Verg. r. wbstbrhoff , de
Ku-dder heest ie , Aant. bl. 95. Tjam enz. is misschien een verlengde
uitgang van Tja enz., even als ook de naam van Eems , de Eem in de
prov. Utrecht en andere dergelijke van Ee mag zijn en desgelijks een stroom
aanduiden- Zoo is dan ook blijk!) aar de naam van Sijpe of Zijpe , zoo als
die in datzelfde verdrag meermalen voorkomt, als eigeu aan kleine vlie-
tende waters , vooral veenwaters , te beschouwen^ Jn de Provincie Noord-
Holland heeft men den polder de Zijpe van de vroegere ingebrokene
moerassige streek misschien zoogenoemd. De oorspTonkelglè ' beteekenfo
van dit woord zal zijn te verklaren uit Sijpen of Zijpen , stroomen , vloei-
jen {kjliax t EtymoL oprnw.); doorzijpelen, is Immers hier nog gebruikelijk
voor doorvloeijen. Zoo mag de naam van Letze oud-Friesch , thans
Leest, ook koomen van Lekken, en dan hetzelfde zijn en beteekenen als
Lek , Leek , te weten een langzaam vlietend of gering stroomtfe. Zoo
wordt de Jfoersloot of scheidssloot tusschen Oostfriesland en Hannover aan
gene, en ons gewest en rijk aan deze zijde, In een stuk, door den heer
feith bijgebragt , de Dunebroeker Leetze genoemd , naar de plaats , waar ze
'angs loopt, nog heden voor een deel de Late. Op dc Dollard kaarten heet
deze sloot weder de Sijpe. Volgens genoemden oudheidkenner zou het
oad-Friesche woord Leetze of Letze een moeras beteekenen , en noemt on-
der het landvolk de gemeene visscher kleine, met gras begroeide pool-
tjes nog heden ten dage Ladden. Zie zijne Aanteek. bij de a. Verhand.
van het Gron- Genoota, Pro Exeol Jure Patrio , D. VI , bl. WO. —
Omtrent de Termunter Ee moeten w^j nog doen opmerken de gissing van
wbstbhdobp , dat deze geheele rivier certyds of oorspronkehjk den naam
van Menie of Munte heeft gedragen , even als die van Fivel en Hunse uit
eene sedert eeuwen in onze streken onbekende taal afstammende , en van
daar vele plaatsen in het Oldambt dus genoemd zyu , als Muntendam en
Vermunten, oudtijds Mentena of Mentema, even als het klooster aldaar en
het geheele Klei-Oldambt zoo geheeten werd ; alsmede Menterwolde , wel-
26
TWEEDE HOOFDSTUK.
Beschrijving van de plaatsen , m den Dollar d
vergaan.
Eene bloeijende en bevolkte landstreek moet het ge-
weest zijn, welke te gronde is gegaan. Dit laat zich uit
hare ligging aan de Eems en andere genoemde stroomen
ken naam het Wold-CHdambt en een in den Dollard vergaan kloos-
ter vroeger droegen. Zie westendorp, Oudheidkunde Tijdschr. St. I , of
zijne Verhand, over een ontdekten grafheuvel te Termunterzijl , Qron.
1819, bl 15 en 16. Verg. driessbn, Monum. Gron.l f p. 51. Nergens
is ons echter de naam van Mente of Munte voor dien stroom voorge-
komen en sommige dier plaatsnamen laten zich ook wel anders verkla-
ren. Zoo wil de schrijver van den Tegenw. Staat van Stad «n Lande, U,
bi 288 , dat de naam van Muntendam eigenlijk Munnikendam zal geweest,
zijn, trithoofde de veenen aldaar meest kloosterveenen lijn geweest. Dit
is waar? men heeft er het Munnikenveen gehad, dat ook Munterveen
genoemd werd, groot 800 akkeren en verkocht voor ƒ25,000 door de
Provincie in 1650. Zie over dit Munnekeoeen janssoxiüs , vijftal Leerred.
Gron. 1772 , bl. XXXVII, en sahkes, de opkomst van Veendam, bh
108 en 112. Muntendam zon diensvolgens niet zijn een dam , gelegd in
de Mente of Munte , anders gezegd de Ec, aldaar , maar een dam of dijk
door de Manniken van een of ander klooster , misschien wel het nabu-
rige Heiligerlee , aangelegd. In het Eexter Hamrik ligt nog eene sloot,
Papensloot genoemd, in de rigting van dat Klooster en Muntendam en
waarlangs men verhaalt, dat de Monniken van de eene naar de andere
plaats voeren. Wij voegen er nog eene derde verklaring bij. Er heeft
te Muntendam oudtijds een dam of dijk gelegen. Het verdrag van 1391
maakt daar melding van , onder den naam van hooge dam , en dese
zal wel dezelfde hooge dam zijn, waardoor de oude A« was afgedamd en
welke vroeger was gelegen nabtf en boven een klein meerstal, de Wijdte
gen dam zal aangesloten hebben de oude Veendijk , welke hier om de vee-
nen van het Oldambt was gelegen tegen het vreemde water , ten behoeve
van het toenmalige Termunter z ijl vest. Zie nog saknes t. a. p. , bl. 108
en 109. Zou nn die dam en van daar de hierbij aangelegde plaats niet
genoemd kunnen zijn Munter of Muntendam naar of even als dit zijlvest naar
eene der hieronder behoor e nde dos genoemde landstreken zelve ? De schrijver
van de Oudh. en GesL van Gron. bl. 466, leidt den naam van Termtenten af van
dien , welke de Abdij aldaar zou gedragen hebben, namelijk , behalve
dien van M enten a , ook of later dien van Trium Montium (Driebergen) ,
waarvan door verbastering Trimont , Trimunte en Termunie gekomen zou
zyn , even als een Nonnenklooster in Vredewold of het Westerkwartier
ook dien naam van Trimont voerde. . Wij twyfelen echter zeer of het
Digitized by Go
27
reeds opmaken. De oevers van de eerste rivier vooral
bestonden tot op eene aanzienlijke breedte uit zwaren
kleigrond , waarop een ligtere bodem volgde (23). Bin-
nenwaarts was het land laag en moerassig, meestal uit
veengrond bestaande, zoo als nog de ondergrond aan-
toont en de aangrenzende oude bodem nog heden ge-
steld is , en hier wel minder dan daar , maar toch ook
reeds vrij wel bewoond. Dit bevestigt het groot aantal
plaatsen, welke er zijn geweest en ten onder gegaan.
L rengers beweert zelfs, dat dit het beste van de
Friesche landen is geweest, alwaar de meeste edellie-
den gewoond hebben (24). Men is het echter niet eens
over het geheele getal der verdronkene plaatsen; de op-
gaven daarvan zijn verschillende. Vrij algemeen luidt van
Grijze-monniken-klooster Mentema wel ooit dien naam gehad heeft ; het
is ons althans nergens daarmede voorgekomen. Altinq, Not. Germ.
Tnf. II, t 126, leidt den naam van Muntani , welken de bewoner» van
Termnnten na dien van Menternenaes in het lat^jn verkregen hebben,
zoo als nog heden Muntjers worden genoemd, af van het kasteel
Munta, Munt of Munte, hetwelk in z^jn tijd aan den mond der Ee was
gesticht geworden. Maar dit slot zal wel naar de plaats zoo genoemd
en de naton hiervan, Termnnten, samengesteld zijn uit het voorzetsel ter,
<L L tot of te, en Munte, gehjkt blijkt nit de verdragen ven 1391 en
1426 , waarin to eoowel als ter Munte , gelijk vroeger meer zoo afgezon-
derd, voorkomt. Het naast dunkt ons nog , dat Munte of Meute , Menten;
Mentena , Mentema een naam is geweest oorspronkelijk eerst eigen aan
de landstreek zelve of een deel daarvan, het Klei-Oldambt, en hiervan
de andere hiermede samengestelde namen af te leiden z'rjn.
Er is nog genoemd de Zijdwending of Zuidwending. Deae naam , ook
Zmèwende en Zijdwende geschreven , komt voor een water en ook wel
▼oor een d\jk of weg van ouds meer voor in deze Provincie en andere
van ons land en schijnt ook wel eens eene grensscheiding aan te duiden ,
misschien omdat zfl dat tevens was, gelijk bovengenoemde Zrjdwending.
Dat mag evenwel niet de beteekenis zijn , maar het woord meer aandui-
den eene kromming, buiging van het water , den cüjk of weg en zaxnenge*
«teld wezen uit zijd en wending , keering, afwijking van den regten weg ,
zoo als het woord wend en wenda in het oud-Friesch te kennen geeft.
Zie k. vos kichthofen, Altfries. Worterb. Gött. 1840, op die woorden
8. 1133 en 1134. Is het eerste lid des woords , gelrjk wü wel eens ge-
dacht hebben, zooveel als zwet , grens , dan aou het geheel wel eene
(23) Bmmitjs , Chorogr. f. 39 , bepaalt dien awaren kleizoom aan de
Eems op 1000 schreden, doch zoo juist zal hfl, zoo min als wtf, m
staat zijn geweest, dit op te geven.
(24) Kronijk, II, Bijlage 1 , bl. 273.
28
ouds het verhaal, dat er drieëndertig kerspelen of kerk-
dorpen, met twee kloosters en ééne stad vergaan zijn.
Zoo wordt het op de Dollardkaarten opgegeven ; en in
eene beëedigde verklaring van 1665, door den kelner te
Grijze Monniken en andere oude Oldambster ingezetenen
gedaan , omtrent het geen hun van den toen- en voor-
maligen staat der Dollardstreek , zoo bij overlevering en
geheugen, als ook uit aanteekeningen in een oud Psalm-
boek (Solter) en registers van dat klooster bekend was,
worden vierendertig groote schoone dorpen met twee
kloosters opgenoemd — geene stad — maar deze is er dus
waarschijnlijk onder begrepen. Wij zullen dit belangrijk
stuk meermalen moeten aanhalen en , schoon reeds door
driessen uitgegeven , onder de Bijlagen (No. IV) opne-
men. I. rengers geeft 31 dorpen op (waaronder met
name echter , buiten genoemde stad , ook twee kloosters
zijn) , en wel mede naar een berigt , uit een oud Mis-
saalboek van datzelfde klooster te Termunten ontleend.
Op het Archief dezer stad bevindt zich een afschrift van
eenige aanteekeningen over den Dollard, welke gedeel-
telijk van gelijken inhoud , als dat berigt van rengers,
en dus wel uit dezelfde bron zullen geput zijn. Ook
deze stukken zullen wij onder de Bijlagen (N<>. V en VI)
opnemen. Emmius zegt, dat er niet minder dan twee-
endertig dorpen, behalve ééne stad, geweest zijn. Het
geheele aantal plaatsen, gehuchten en enkele plaatsen
mede gerekend , bedraagt bij hem , volgens de bijgevoeg-
de lijst , 45 ; outhof heeft 53 , harkenroht 57 , wïarda
49; de Tegenw. Staat 52; zooveel geeft arends ook op
naar emmius, maar nog meer bij name , ook volgens de
kaart van Emden , en wel 55. Op deze telt men wel
zoo veel niet , bijv. op die van verburgh omstreeks
53, op die van starckenborg 52 , en op die van tide-
man 51 , zijnde er op deze en geene kopij wel eene of
andere plaats uitgelaten. Het blijft ook moeijelijk dit ge-
tal juist en zeker te bepalen , aangezien het omtrent som-
mige plaatsen twijfelachtig is , in hoever zij hieronder al dan
niet gerekend kunnen worden, gelijk zal blijken uit de
stukswijze opgave en beschouwing der hierbij in aanmer-
king komende plaatsen , welke wij hier zoo naauwkeurig
mogelijk laten volgen.
Digitized by Go
29
Wij zullen eerst nagaan de plaatsen , welke ten westen
de Ee en ten noorden de Tjamme gelegen waren en deze
onderscheiden in die, welke tot Reiderland, en dezulke,
welke tot het Oldambt behoorden, zoo als dit vóór ons
niet wel geschied is, en tot veel verwarring heeft aan-
leiding gegeven.
A. Plaatsen ten westen de Ee en ten noorden
de Tjamme gelegen.
a. In Reiderland.
Westerreide. Een schoon dorp (zelfs met twee kerken vol-
gens emmitjs) , aan den breeden mond van de Ee , waardoor
hetzelve van het tegenover liggende Oosterreide gescheiden
was (25). Naar deze aanzienlijke dorpen of het oord
hunner ligging wil men niet onwaarschijnlijk dat geheel
Reiderland zoo genoemd is (26). Wester- zoowel als Ooster-
reide komen voor op genoemde lijst der Friesche kerken
onder het Bisdom van Munster, als tot de proostdij van
Hatzum of Nes, dat is, van Reiderland behoorende, en
wel boven aan of de eerste van de toen nog bestaande.
Er is dus geen twijfel aan of Westerreide, schoon ten
westen de Ee gelegen, behoorde zoowel als Oosterreide,
tot dat landschap , zijnde een en ander later door de af-
scheuring van het overige Reiderland, ten gevolge der
inbraak van den Dollard, bij het Oldambt gerekend even
als andere deelen van Reiderland. Beide dorpen komen
alzoo reeds voor in een ouden dijkbrief van het Oldambt
van den jare 1441 , den oudsten dien wij kennen , onder
en met de dorpen van dat landschap. Wij hebben hier-
om, en om de bijzonderheden van namen van plaatsen en
(25) Emmius, Chorogr. f. 37, bepaalt dien afstand op 1000 schreden,
en arend s, Erdbeschreib. S. 255, op bijna 1,900 schreden, doch deze op-
gaaf zal althans wel te ruim zijn , en die van beiden wel onzeker ; ook
die vermelding van twee kerken in dit dorp.
(26) En die dorpen zullen oorspronkelijk weder zoo genoemd zijn
naar de gelegenheid des oords , als leverende eene geschikte lig- of aan-
legplaat» op , zoo als Reide , dat toch zooveel als Reede zal z'nn , be-
teekent. Zie Jdiot. Hamburg, op Rekde.
30
personen , welke dit stuk bevat , dat zich op het Groning-
sen e Archief bevindt, hetzelve eene plaats onder de Bij-
lagen (No. VII) gegeven. Er wordt in twee verzegelin-
gen , van 1413 en 1426 , almede daar aanwezig, nog van
het Huü te Reide gewaagd, dat wel te Westerreide zal
zijn. Uit de eerste blijkt, dat dat Huis toen door zekere
personen aan de stad Groningen en de Ommelanden over-
gegeven was, terwijl bij de tweede dat Huis onder zekere
voorwaarden door die stad ter bewaring wordt gegeven aan
jacob beier, Proost van Loppersum (27). Nog lang
bleef Westerreide na de doorbraak overig. In 1575 was
er nog eene kerk (28). Eerst tegen het einde der 16e
eeuw is het, naar emmius verhaalt, te niet gegaan, en er
toen eene schans aangelegd geworden, aan den uitersten
hoek, welken de Dollard hier van Reiderland overliet, ter
verdediging van dien landtong, zoo als op oude kaarten
te zien is. Deze is sedert nog veel afgenomen en moet
steeds door sterke zeeweringen tegen de golven beschermd
worden ; en dit geschiedt , omdat deszelfs behoud zoo noo-
dig is ter beschutting van het land en dienstig ter bevor-
dering van de aanslijking in den Dollard , gelijk wij zullen
zien. Er werd eertijds jaarlijks nog eene markt gehouden,
bekend onder den naam van Eeidermarkt Thans bevat
deze landtong nog slechts drie huizen ; van de overblijfselen
der kerk of van het kerkhof is voor jaren nog een zerken
doodkist opgegraven. Dit , met den naam van Reide , is
alles wat van Westerreide is overgebleven , terwijl Oos-
terreide wel geheel vergaan is. Men zie verder hierbij
wat wij van deze laatste plaats zullen aanteekenen.
Homburg of Homborg, eenvoudig Borgh op de kaart van
veebubgh. Dit schijnt ook slechts een burg of steenhuis
in den uitersten hoek aan den mond der Ee in de Eems
niet ver ten noordwesten van Westerreide geweest te zijn , en
(27) De eerste verzegeling is gedrukt in driksskn, Mon. IV, 83*7,
de tweede wordt vermeld in het Reg. van Gron. Charters van de bitter.
(28) Teg. Staat v. Stad en Lande, 11, 228; smith, Gesch. d. Prov.
Groningen, bl. 43—44 en 96, welke verkeerdelijk aan Westerreide
een Nonnenklooster toeschrijft, even als v. d. aa, Aardrijkst Woor-
denb. XII, 313, en van Oosterreide daarentegen geheel zwijgt; voorts
KMMIUS, t. a. pl.
Digitized by Go
31
komt bij emmiüS niet voor. Het is waarschijnlijk deself-
de plaats , als waar gezegd wordt, dat de Tenxranter Ee
zich bij het verdronken Zijlhuis in de Eems zou bege-
ven hebben , maar de Beider Ee zal gemeend zijn (29)
Teweer, Tijeneer of Düsweer, Düsari, Düswert, ook
Ditfari, Ditmeer enz., zoo als deze naam op de kaarten
verschillend luidt en doet zien , hoe deze en gene op de-
zelve verminkt voorkomen. Het zijn toch alle benamingen
van een en hetzelfde dorp, Tijsweer, gelijk het bij em-
mius en in het stuk van 1565 voorkomt, als nog kort te
voren bestaan hebbende met Zwaag en andere plaatsen.
Tijsweer komt niet voor op het zoo even genoemde Mun-
stersche Begister (zoo als wij het kortheidshalve zullen
blijven noemen), maar wel Siweteswere, als een der ver-
dronkene Beiderlandsche kerkdorpen. Dit schijnt hetzelfde
te zijn als anders Ewüsweer genoemd wordt, bij emmius
Ewirzwere en Ewelweer en van Tijsweer onderscheiden.
Dit lag ten zuiden niet ver van Westerreide en Ewüsweer
veel verder oostelijk aan de Ee. Wij zouden echter ook»
deze namen wel voor dezelfde als Tijsweer willen houden.
Dit vindt steun daarin, dat de plaats, welke in de voorl
noemde opgaaf der Dollarddorpen bij rengees Ewijtsweer
heet, in vermoedelijk hetzelfde uittreksel op het stads
Archief Thijswere luidt. In dit geval, zou er een dorp en
wel Ewüsweer uitvallen en wij zullen dit dan ook als
twijfelachtig op de kaart brengen; hoe dit zij, Tijsweer
komt zeker genoeg voor en zoo dat het niet wel anders
dan nog tot Beiderland kan behoord hebben.
Stokdorp, een dorp ook aan de Ee, nabij en ten zuid-
oosten van Tijsweer gelegen; Stagestorp heet het op het
Munstersche Register onder de verdronkene plaatsen van
Beiderland.
Zanddorp of Santdorp, ook Sansterdorp en Santerdorp
op de kaarten genoemd, Zentorp op dat Munstersche Be-
gister onder dezelfde kerkdorpen; het lag ten zuiden van
ötokdorp.
HakJcehum , Hackelsum of Hakelsum ook Baalcsum, en
naar gissing , dezelfde plaats , welke men onder naam Van
Kateknesincke op datzelfde Begister onder de
(29) Zie k rtE mek , Btschrijv. der Prov. Groningen, 8t II, bL 107.
32
plaatsen van Reiderland aantreft Het was een dorp in
de bogt van de Ee gelegen.
Saxum of Soxum, een dorp zuidelijk van Zanddorp.
Het zal Haxne zijn, op het Munstersche Register voorko-
mende onder de nog bestaande Reiderlandsche kerken ,
maar die niets opbragten.
Hermens- of Harmenswolde , Gharmswoldt op de kopij van
starckenbobg's kaart van T. B. , mede een dorp westelijk
van Saxum ; het schuilt misschien op het Munstersche Re-
gister onder de verdronkene plaatsen van Reiderland on-
der den naam van Kalentwalt.
Saxumer- of Soxumerwolde was ook een dorp ten noord-
westen van Hermanswolde. Het zal HaxenewaU zijn op
vorige vermeld.
Wijndeham, Wundeham of Windeham ook wel Wijne-
ham en Wijnham (alzoo o. a. bij emmius) enz. , wordende
eene andere plaats ten zuiden der Tjamme ook wel zoo
genoemd, of Vinelham, Wineldham (aldus bij emmius)
•enz. Tot deze laatste zal behoord hebben de plaats , voor-
komende in het verdrag van 1391 onder den naam van
Wijnedaham , in dat van 1420 onder dien van Wiveldaham
met de burg of een steenhuis lïjdwijnedaborch of Tioid-
dmga Borch, als het punt, van waar de Tjamme de grens
tusschen het Oldambt en Reiderland uitmaakte , zoo wij wél
lezen (bl. 9). Met deze aanwijzing komt de ligging van de-
ze plaats, niet die van de eerste overeen. Deze zal echter
zijn Wynedahaem , hetwelk op het Munstersche Register
onder de vergane kerkdorpen van Reiderland vermeld
staat en dus niet lag ten zuiden, maar ten noorden der
Tjam. Emmiü8 kent aan beide plaatsen gelijkelijk eene
burgstede toe, als zetel van aanzienlijke Reiderlanders,
maar die, welke als zoodanig in de geschiedenis voorkomen,
zullen wel tot de zuidelijk van de Tjam gelegene plaats
te brengen zijn. Arends meent , in de waan verkeerende
als of de Ee de grens was , dat Wijndeham verkeerdelijk
in Groningerland geplaatst is, omdat het tot Oostfriesland
behoorde; hij gist dat het hier veel oostelijker na aan het
overig gebleven land heeft gelegen , misschien wel ongeveer
op de hoogte van Mariënkoer, aangezien men aldaar on-
middellijk aan den ouden dijk nog vindt een , thans droog
gemaakt, meer, de Wijnhamster kolk geheeten , en eene
Digitized by Go
33
aanzienlijke streek oud land, aan den Landschapspolder
grenzende, den naam draagt van de Wijnliarmter lan-
den (30). Doch dit zal wel te ver gezocht en toevallig
zijn , dat deze kolk en landen een dorgclijken naam dra-
gen. Het Wijndeham in de verdragen van 1391 en 1420
en op de kaarten kan onmogelijk over of ten oosten
de Ee gelegen hebben , daar het nog aan de Tjam lag.
Denkelijk zullen die kolk en landen te brengen zijn tot het
meer en dorp Wijnemeer, hetwelk op die hoogte gele-
gen heeft aan het voormelde takje van de Ee , hoezeer wat
lager, volgens de Dollardkaarten , maar dit kan eene on-
naauwkeurigheid zijn.
Zoo heeft men ook een Ockeiceer en Haiketoeer of Ailcc-
weer op de kaart, het eerste ten zuiden, het laatste ten
noorden de Tj am > waar zij in de Ee valt, maar bij emmius
en in een n. s. , door otrrnoF aangehaald , omgekeerd.
Rengers noemt de laatste plaats Aelckcweer. Het schijnen
toch twee verschillende plaatsen te zijn. Het blijft ech-
ter onzeker , onder welke van beide Ocketvcer , ih de verdra-
gen van 1391 en 1420 voorkomende, als in Reiderland ge-
legen, zal begrepen moeten worden. Een déT onderteekenaars ,
de Hoofdling wtjneko in dat van 1391 , wimcke in dat van
1420 geheeten, was aldaar woonachtig. Er komt geen dorp
van dien naam op het Munstcrsche Register voor ; het kan
zijn omdat Ockeiveer ten noorden de Tjam geen kerk-
dorp was , schoon de Dollardkaarten het even- als dat ten
zuiden als zoodanig aanduiden , waaraan wij ons houden.
"Wij plaatsen nog eenige plaatsen hier, als nog behoo-
rende tot Reiderland benoorden , en niet bezuiden de
Tjam, gelijk zij algemeen zijn en worden beschouwd, op
grond welligt van den niet wel begrepen inhoud, gelijk
gezegd is , van de verdragen van 1391 en 1420. Daar men
namelijk hier den loop der Tjam van de Ee af als grens
tusschen het Oldambt en Reiderland opgegeven achtte,
moest men wel al de tot Reiderland behooronde plaatsen
brengen tot dat gedeelte daarvan , hetwelk ten zuiden
de Tjam lag. Maar aangezien de navolgende plaatsen .
zoowel als de reeds genoemde , volgens het gezegde Rc-
(30) Noordzeekusten, II, 171.
x 3
Digitized by Go
34
gister, in het Munstersche Reiderland en niet in het
Osnabrugscho lagen , zoo kunnen zij niet anders, dan
nog ten noorden gelegen hebben ; maar dan moet ook de-
ze stroom een eenigzins anderen loop, om die plaatsen
heen , gehad hebben.
Reiderwolde , een magtig en rijk dorp, of liever vlek,
met twee kerken en een kollegie van Kanoniken, zoo als
op de kaart er bij staat aangeteekend , terwijl de plaats
zelve in eene bogt aan den regter of zuidelijken oever
der Tjam lag. Op het Munstersche Register worden de
verdronkene plaatsen Uprederwalt en UtrederwaU genoemd;
hieronder zullen die beide parochiën te verstaan zijn,
waaruit liet bestond. Het prijkte bovendien met vele adel-
lijke huizen of stinsen. De overlevering meldt zelfs, vol-
gens kmmius , dat er alleen 180 vrouwen waren , welke alle
eene schaal of spang van louter goud, die een Groning-'
schen kroes vocht hield , behalve andere sieraden , volgens
de gewoonte dier tijden, op de borst droegen (31). Dat
Reiderwolde behoorde tot Reiderland benoorden de Tjam,
bevestigt nog zijn naam, welke immers zijne betrekking
tot Reide aldaar te kennen geeft.
KappeU of Keppeldebeerde , op de kaart van stabckenborg
door T. b. en op die van tideman staat Rijpeldebeerte. Dit dorp
wordt opgegeven te liggen ten zuidwesten van Reiderwol-
de , maar daar het vermoedelijk hetzelfde is als Roden-
debord op het Munstersche Register, volgende op de voor-
gaande plaats en dus met deze tot het Munstersche Rei-
derland behoord hebbende, zal het ook, zij het in die rig-
ting , ten noorden der Tjam gelegen hebben.
Palmar, Palmaer, ook Palla , Poll, een klooster dat al-
gemeen ten zuiden van Reiderwolde en de Tjam , bij een
meertje of een poel op de kaarten , geplaatst wordt, maar on-
tegenzeggelijk nog ten noorden van de Tjam lag in het Mun-
stersche Reiderland. Zoo komt op het Register onder de
kerken daarvan Poel voor, dat wei geen ander dan Pcdmar
kan zijn , gelijk dit in authentieke bescheiden als een kloos-
(31) Outhof, a. w. bl. 190, 191, vergcl. met emm. Rtr. Fris. Hist.
f. 177, en Fris, Or. Descr. Chorogr. f. 37, en de verklaring van 1565 in
de Bijlage IV. Eon Groningschc kroes stond gclyk , te minste tijdens
do invoering van het nieuwe stelsel dor maten en gewigtcn , aan
1,37106 N. kan.
f
Digitized by Go
35
ter van het Munstersche bisdom voorkomt. Beiderlei naam
zal ontleend zijn van de moerassige plaats, waaraan het lag.
Het moet een aanzienlijk Nonnenklooster geweest zijn met
een Proost aan 't hoofd van de Premonstreiter en niet van
de Benedictijner orde , zoo als het op de voornoemde kaart
van starckenborg verkeerdelijk luidt, op andere kaarten
van de Werumer orde, naar de Abdij te Wittewierum van de-
zelfde eerstgenoemde orde. Het droeg ook den naam van Porta
major en had in 1288 , toen na de eerste doorbraak van
den Dollard in 1277 en daarop gevolgde overstroomingen
de staat dier kloosters opgemaakt werd , eene bevolking van
190 personen. Het bezat, behalve de omliggende landerijen,
te Kleiwierum, (of Kleinwierum onder Holwierde) en te Flnser-
wolde eenige plaatsen (voorwerken) in de provincie Groningen
en het landgoed Boneburg bij Groothusen in Oostfriesland. In
het jaar 1327 of 1375 werd aldaar in het ond-friesch opge-
steld het oude Reiderlandsche landregt , dat later onder den
naam van het Landrecht des Oldenamptes ende des vyfiten
deels van Reyderlani in 1471 uitgebreid en nader bevestigd
is geworden te Midwolde, zoo als het nog voorhanden
is en ook nog den naam van Beüingwolder Landregt
draagt (32). Van de geschiedenis van dit klooster is ove-
rigens wel niets meer bekend, dan zijn ondergang. Het
hield zich staande tot in het midden der 15e eeuw, be-
schut nog door den dijk, welke, ingevolge het nader te ver-
melden verdrag van 1427, tusschen de Friesche gewesten
van de Lauwers tot de Eems met focko ukena en an-
dere Oostfriesche Hoofdlingen gesloten , van Reide naar
het Wold-Oldambt gelegd zal zijn geworden. Doch de
buitendien moerassige bodem maakte het al minder en
minder bestand tegen het aandringende water , zoodat in
het jaar 1447 de Abten van Wierum en Dokkum er toe
overgingen de gezamenlijke bezittingen en bewoners van
het klooster Palmar onderling te verdeelen. Het klooster te
Dokkum ontving het goed Boneburg , dat te Wierum al do
(32) Zie dit Landregt, opgesteld hot eerst, zoo als het opschrift
inhoudt: per decem electos in terra Reydensi in communi coetu Ihl-
lae, met de Aant. daarop van de bccren fbith en J. s. o. konikg ,
in de Werk. van het Gron. Gen. Pro excof. Jure Patrio, D. VI, bL 77
en vv.
Digitized by Go
36
overige landerijen van liet gesticht met den hierop liggenden
last der dijken ; dit laatste nam vijf nonnen en een leekebroe-
der even als de Abdij te Dokkum den Proost folkerd en de
overige nonnen , over , om ze levenslang te onderhouden ;
van beide zijden werd beloofd de verdeelde goederen te-
rug te geven , bijaldien het Kapittel hunner orde het
klooster mogt willen herstellen, nadat de Reiderdijken tot
in het Wold-Oldambt zouden zijn hersteld. Men schijnt
het, althans het land, toen met kadijken zoo veel mo-
gelijk nog omgeven en getracht hebben te behouden.
Daarvan wordt althans gesproken in het verdrag van
1454, tusschen Stad en Lande of Groningen en de Om-
melanden benevens het Oldambt ingegaan , zoo als wij nader
gullen zien , tot het maken van de Reyderdijken tusschen
Palmar offte kadijken en Finserwolde. Deze dijken bescherm-
den het dan nog eenigen tijd, zoodat het, of liever zijne
plaats in den aanvang van de 16 o eeuw nog bestond , im-
mers zonder, zooveel men weet, weder als klooster ge-
diend te hebben. In de verklaring van 1565 wordt Pal-
mar met Zwaag en Tijswecr door de bejaarde getuigen op-
gegeven , als plaatsen wier bestaan hun nog bekend was.
Nieuwe vloeden verslonden ook die bedijking, ten gevolge
waarvan omstreeks het jaar 1520 de wateren niet meer
konden tegen gehouden worden en Palmar verloren
ging (33).
Megenham. Wij plaatsen hier ergens mede dit dorp,
en niet , zoo als men bij emmius en op de kaarten bij
oütiiop en van verburgii aantreft, ten westen de Ee
aan een takje daarvan (op andere kaarten, zooals van
STARCKENBORG, FOLKERS , TEYSINGA , 8taat deze plaats
niet geteekend), dewijl in de gemelde beschrijving van
den loop der Tjam in de oude bescheiden van 1391 en
1420 deze plaats uitdrukkelijk genoemd wordt onder die
gene, waardoor die rivier liep. Zij wordt daar Meggen-
Jia?n en Meyham geheeten. Op het Munstersche Register
komt onder de verdronkene plaatsen van de Reiderland-
(33) Zie suur, a. w. S. 70, u. f. on in /u il. X de oorkonde van
1477 uit het Aurichcr archief, beholzende do vordeeling van het kloos-
ter Palmar, welk gedenkstuk wtf ook in Bijlage VIII zullen mede-
dcclcn.
Digitized by Go
i
37
sche proostdij voor Afegalzem, en daar deze naam wel
dezelfde plaats aanduidt , zoo moet dit dorp nog wel ten
noorden de Tjam in Reiderland gestaan hebben.
Op hetzelfde Register vindt men desgelijks opgenoemd
GotJiom na Wynedahaem; zoo mede een dorp van dien
naam na Wyneham op de lijst bij rengers en de ge-
schrevene in het Groningsch Archief, hierop Goldthoern,
bij rengers verkeerdelijk Holtharen {Bijl. V en VI). Nu
staat er op de Dollardkaarten ook een Golthorn of Gold-
hoorn , op sommige ook SoUhorn of Southorn , en op de
eene als een dorp , op de andere als eene buurt opgege-
ven, doch vrij wat westelijk in den Dollard in eene bogt
ten zuiden van de Termunter Ee, waaromstreeks wij ook
nog eene plaats van dien naam opgeteekend vinden in de
op de Dollardkaarten bijgevoegde schets van den toen-
maligen boezem , zoodat zij dien ten gevolge in het Oldambt
zou gelegen hebben. Eindelijk droeg ook nog dienzelfden
naam van GoUhoom de Kommanderij der Johanniter orde,
welke te Finserwold in de buurtschap nog zoo genoemd,
tusschen dit dorp en Oostwold, en dus ook in het Ol-
dambt , heeft gestaan — misschien wel nader ter plaatse ,
waar eene aanzienlijke boerenplaats nog in 't bijzonder dien
naam voert — en welk gesticht sedert het begin dor 14e
eeuw alhier voorkomt (34). Wanneer nu de voormelde
opgaven alle juist waren , dan zouden er twee verdronkene
plaatsen van denzelfden naam , GoUhoom , geweest zijn ,
eene in Reiderland en eene andere in het Oldambt, waar-
van de eerste dan het vroegst is vergaan en de laatste
later, en deze van gene kan ontsproten zijn, indien zulks"
het geval niet is met de nog bestaande buurt van dien
(34) In een Groningsch charter van het jaar 1319, bij drjessbn , Mon.
III, GI8, betreffende eene uitspraak tusschen den Kommandcur te Stcin-
furt en de conventen in Friesland van die orde , wordt daaronder ook dat
van Finserwolde opgenoemd, hetwelk wel niet anders dan do later zoo-
genoemde Kommanderij van Goldhoorn aldaar kan zyu, oven als in het
voornoemdo verdrag van 1454 over do bedijking van Patmar naar Fin-
serwolde en in andere stukken uit de ecr«f£ helft der 15de eeuw , aan-
gehaald bij akends, Noordzeekusten, II, 168, en suou , Ostfr. Klonter,
S. 121, 122, die beide echter dit Johanniter klooster in het vermeende
verdronken dorp Golthoorn plaatsen , zonder aan het oord van dien naam
te Finserwolde te denken , waar het toen zeker reeds stond.
Digitized by Go
38
naam en er geene verwarring bestaat, zoodat men deze
of die plaats in Reiderland voor gene in het Oldambt
heeft genomen. Dit zouden wij wel vermoeden , daar van
de opgaven de eene , de kaarten , wel de plaats in het
Oldambt melden, de andere, de borigten, die in Reider-
land , maar geene beide te gelijk. In dit geval zou er
alleen een , én wel die in Reiderland onder de vergane
plaatsen en wel dorpen op te noemen zijn.
b. Jn het Oldambt
Hiertoe brengen wij de volgende plaatsen :
Zwaag of Swaag, Scwaach, Swaegh , Swaghe ; Swartft op dc
kaart van verburgh , Sioart op die bij outhof enz. Volgens
deze en de andere kaarten was deze plaats gelegen tus-
schen de Tjam en do Termunter Ee even binnen den
ouden Dollarddijk , gezegd van 1545 , op de hoogte van
Woldendorp , en wordt zij als eene buurt voorgesteld ; in dc
verklaring van 1565 echter als een dorp, dat toen ge-
heel vergaan, maar eenigen tijd te voren nog in stand
geweest was met Tijsweer en Palmar. Het komt in de
verdragen van 1391 en 1420 duidelijk voor als eene 01-
dambster plaats en wel nog in het Munstersche Register
onder de kerkdorpen van de Proostdij van Farmsum , welke
die van het Oldambt mede bevatte. Men heeft nog eene
buurt de Zwaag en wel bijzonderlijk de Scheemder Zwaag
genoemd , ter onderscheiding van dat gedeelte , hetwelk on-
der de Eext is gelegen, alsmede onder Noordbroek, ge-
lijk er dan ook op sommige oude kaarten van dit gewest
een Noordbroekster Zwaag voorkomt; doch deze streek schijnt
geen overblijfsel van het oude Zwaag geweest te zijn, dat
meer noordwaarts gelegen was (35). Er loopt nog een
_ ■
(35) Vos ledebuk, a. w. S. 23 verklaart Swaghe op het Register
door Oude-Swaag en schijnt dus do Scheemder- Zwaag er onder te ver-
staan , misleid misschien door den naam van oude Zwaag-ztjl , welke men
op dc kaart dezer provincie van beckeringh en van tiomann aantreft by
dc oude zijl , die gelegen heeft in do oude Geule , waar deze vroeger door
den dijk van 1701 uitwateriffe, en even oens is te onderscheiden van dc
andere te melden ZtvaagzijL Dc naam van Zwaag komt overigens meer
voor, zoo als in Beelster-, Kollummer-Zwaag enz., en schijnt aan te dui-
den cene byzondcre grondstrcek , wij hebben wel gedacht , van maai- of
hooiland, en van zwade of zwaden , cene zcisscn en maa\jen , zoogenoemd.
Digitized by Go
39
eind wegs van Woldendorp zuidoostwaarts, 'twelk den naam
?an Zwaagweg voert en zeer waarschijnlijk derwaarts leidde,
zoodat niet ver daarvan de voormalige plaats van dit dorp is
te zoeken. Men meent die dan ook gevonden te hebben
in den noordelijken hoek van den Finserwolder polder;
zijnde hier in den zomer van 1827 bij het graven van de
bermsloot geheele menschengeraamten opgedolven, 1.9 el in
den grond , en is deze daarom voor het kerkhof van het oude
Zwaag gehouden. Naar deze plaats zal ook nog genoemd
zijn de oude Zwaagzijl, die in oude stukken van het Ter-
munter zijlvest nog wel voorkomt en in de Termunter Ee
zal hebben gelegen, waar deze beneden dien hoek den
Dollarddijk raakt
Astok, Aestok, Astock , ook Assock, Ackstock en Altock, was,
volgens de eene kaart, een dorp, volgens eeno andere,
eene buurt, ten zuiden in de nabijheid van Golthoorn, nog
dieper in dien westelijken inham van den Dollard gelegen.
Op het Munstersche Register komt wel Stoth voor onder
de vergane Reiderlandschc plaatsen, maar het kan wel
niet hetzelfde zijn naar deszelfs
plaatsing in het Oldambt gelegen hebben. Misschien is
Stootshorn , dat als een gehucht bij Noordbroek nog op oude
kaarten van dit gewest, als die van starckenborg , voor-
komt, alsmede in eene Stads Resolutie van den 26 Mei
1666, maar dat nu niet meer bekend schijnt, hiervan nog
afkomstig , en daarentegen Stoksterhorn onder Nieuw-Beerta
van gene plaats, straks te vermelden.
Er wordt ook algemeen opgenoemd, en op sommige
Dollardkaarten gevonden, zoo als op die bij Oütiiof en
door verburgii afgeteekend, doch niet op die van starc-
kenborg, tideman, folkers enz., Beerta, Berüta of
Bcrethe, als een dorp, liggende ten noorden van Mid-
wolde aan een takje (de oude Geuto?) van de Tjam ;
maar het bestaan van dit dorp , althans hier ter plaatse ,
komt ons ook zeer twijfelachtig voor, en wij houden het
voor later bijgevoegd, door verwarring met het nog be-
staande Beerta ten zuiden van de Tjam of met een kloos-
ter van dien naam in Oostfriesland. Zoo is Berda,
in het verdrag van 1391 voorkomende, voorzeker ons
dorp Beerta, Dit blijkt uit het hernieuwde verdrag van
1420, waar in plaats van den Hoofdling uit Berda, met
Digitized
40
name liwert iiayens, de Hoofdling wy^vwert iiayens
in het onderlioorigo Ulsda, zeker een afstammeling van
den vorige, als onderteekenaar genoemd wordt; en in
het Munstersche Register wordt geen Beerta opgeteld,
noch in Reiderland, noch in het Oldambt. Wat men
hier en daar van een Premonstreiter Nonnenklooster van
dien naam vindt en toepast op het hier of daar verdron-
ken Beerta , of op het tegenwoordige Beerta en een vroe-
ger klooster aldaar, is onjuist, of zal het klooster Bere-
tlte of Bartlia in Oostfriesland gelden (36). Wij meenen
dus zoodanige plaats niet te moeten opnemen onder de
rij der verdronkene plaatsen in den Dollard.
(36) Zoo spreekt emo in zijne kron'rjk (mattii. Anal. II, 4) van de
stichting van het Maagdenklooster , dat te Kuscmar onder Marum in het
Wcsterkwartier gestaan heeft en St. Maria's poort ( Portus Mariae) genoemd
is, door den Proost van het Nonnenklooster te Berethe in het begin der
13o eeuw, na dat van Schildwoldo en anderen. De schrijver van de
Oudk. en Gest. van Groningen (bl. 465 vcrgl. met bl. 162) plaatst dat
'Berethe in hot tegenwoordige Beerta en zegt even onjuist, dat dit kloos-
ter naderhand naar Maria's poort verplaatst is, vermoedelijk omdat hy
er geen overblijfsel meer van vond. De schrijver van den Teg. Staat van
Stad en Lande (II, 219), willende dit berigt verbeteren, zegt, dat dit
van het verdronkon Berethe is te verstaan , maar faalt niet minder hierin
en in zijn zeggen, dat na don watervloed van 1287 in het klooster Be-
rethe aldaar nog 40 monniken waren overgebleven. Zoo hadden ook
reeds öAjthóf, «arkenbout en wiaïïda Beerta voor eenc der verdron-
kene plaatsen gebonden, en daarin een monnikenklooster geplaatst; waar-
in arend* (Noordzeekusten, II, 168) hen navolgt. Die meening berust
op de opgaaf van do bevolking der Frieschc Premonstreiter of Nor-
bertijner gestichten , na die ovorstrooming overgebleven , te vinden bij
sibrandi LEONI8 vita et res gestae Abbat. in Lidlum. in mattu. Anal. T. III,
p. 550 en voor oen deol overgenomen door emmius, lier. FrisHisLf. 179
on westendorp , Jaarb. II, 52, 53. Hieronder wordt ook Bereüie ge-
noemd, doch blijkbaar het Oostfrieschc klooster van dien naam bedoeld,
hetwelk eerst of oorsponkelijk door monniken naar het schijnt, maar la-
ter door y nonnen werd bewoond. Zoo worden op het llegistrvm curarum
onder do Proostdij van Leer do Monachi in Berthe prem. ord. opgenoemd.
Zie dat bij van* t.kdebur, a. w. S. 34 on 110. Emmius plaatst het dan
ook te regt in Mocrmerland aldaar. Ook wordt er dc toenmalige bevol-
king niet op 40, maar 140 personen aangegeven. Dit klooster Berethe in
Oostfriesland is waarschijnlijk genoemd Porta Frisiae orientalis , gelijk des*
zelfs dochter , het Kuscmer klooster , ter onderscheiding hiorvan Porta
S. Mariae. Süur , welke, a. w. S. 101, over dit Oostfrieschc klooster
Barlha spreekt , zal zich dus wel vergissen , als hij waarschijnlijker
acht, dat het klooster Pahnar dien naam van Porta Fris. o r . gevoerd
Digitized by Go
41
Onder de voormalige plaatsen in het Oldambt is daar-
entegen hier nog te noemen, schoon niet op de Dollard-
kaarten vermeld, het klooster Menterwolde of Menterawolda ,
heeft In datzelfde Register komen ook roor onder dezelfde Proostdij
Cruce êignati in Porta. Hij noch v. lbdbbur weten welk Johannitcr-
kloostcr daaronder te verstaan zij, maar het is blikbaar dat, hetwelk
te Hasselt naby BertJic gclcgon is geweest, niet dat te Hcssel, ge-
lijk von ledebub meent, hetwelk op het Register onder don naam van
Cruce signati in llerslo zal begrepen zijn. Verg. nog süüb, a. w. S. 121
en 124 over deze conventen. De tfld der stichting, dien htf ook niet
weet, kan uit het boven bijgebragte uit bmo aangevuld worden , alsmede
wat hare opheffing aangaat, uit betgene volgt. W\j vernemen uit suub ,
dat het goederen bezat in Groningerland, als een heerd lands te Ecl-
werd onder Opwierdc, welke de nonnen, uit nood gedwongen, in 1586
moesten verkoopen ; hij wil het berigt van abehos (Erdbescltreib. S. 552) ,
dat hot klooster Bartha met dat van Schildwolde in Groningerland in
1576 ia veroonigd geworden , alleen van deze goedcron alhier verstaan
hebben , omdat de Oostfricscho tot de GrafeÜjke domeinen zijn getrok-
ken. Dezo inlyving van het Oostfriesche Nonnenklooster Bartha in dat
van Schildwolde, wordt ook vermeld in den Tegenw. Staat van Stad en
Lande, II, 370. Hoe zij echter eerst haar vol beslag verkreeg in 1587,
na veel geschrjjfs er over, is te zien uit de stukken deswege aangehaald
in het Register van Charters van db bitter op de jaren 1564, 1576, 1580,
1582 en 1587, en meerendeels in zyne nagelateno verzameling aanwezig.
Wij moeten nog aanteekenen, dat, volgens von ledebub, in het H. S.
van het meer genoemde Register van kindlinger onder de Oldambstcr
kerken , door dezen met potlood tusschen hot klooster to Tcrmunten on
Woldendorp ingeschreven is (Berta Claustrwn). Volgens kindlinger zou
er dus zulk een klooster in het Oldambt gestaan hebben, maar hiervan
is niets bekend. Von ledkbur (a. w. s. 23) verstaat er onder do Beerta ,
maar dit kan het niet zijn , omdat deze plaats , in Reiderland en wel be-
zuiden dc Tjam , en dus niot onder het Sticht van Munster behoord heb-
bende , in dat Register geen plaats kon beslaan , al stond er ook een
klooster van dien naam aldaar. Westendorp gist, dat het klooster Ber>
tha onder Finserwoldo gelegen heeft, waar men op i/ 4 uur afstands van
dit dorp, naar don kant van Veenhuizen, eenigo doodkisten, eene poort,
zwaar uitgestrekt muurwerk, en meer andcro bijzonderheden , als over-
blijfselen eener oude Abdij aantreft. Zio a. Beschrijv. der Prov. Gronin-
gen, door ii. krbmer, St. II, bl. 98. Dit is evenwel slechts eene gis-
sing en er bestaat gecne dc minste zekerheid, dat deze overblijfselen van
een klooster , nog mindor van een klooster Bertha zijn ; veeleer behooren
zc tot dc kerk van het verdronkene cn hior omstreeks gelogen hebbende
dorp Oostflnserwoldc , zoo als wy zullen zien. Evenmin zal er in Rei-
derland benoorden de Tjam dergclyk dorp of klooster bestaan hebben ,
daar er op hot voornoemde Register geenc melding van gemaakt wordt.
Er biyft dus nog alleen over de eerstgemolde gissing, volgens welke het
in of bü het tegenwoordige Beerta bezuiden de Tjam mag gestaan heb-
42
van de landstreek, waarin het lag, waarschijnlijk zooge-
noemd, namelijk het Wold-Oldambt, dat oudtijds dien naam
schijnt gedragen te hebben, gelijk het Klei-Oklambt dien
van Mentene en ook van Menterna. Zoo komen zij toch
ben. Hiervoor zon pleiten de naam van Klooitergare , welken aldaar van
onds dragen zekere kloosterlanden , bij de verdecling der kloostergoede-
ren tusschen de Stad en Provincie in 1618 aan do eerste gekomen, en
dien nog vooral heeft behouden die streek, welke ten z.z. w. van het dorp
is gelegen en zich tot aan do Pekel Aa uitstrekt. Het hooge cn zandige
gedeelte heet thans do Zandhoogte, en op deze zandhoogto bevinden zich
de landen, door do stad, b() de gezegdo scheiding verkregen en thans
sedert lang bestaande in twee boerenplaatsen , doch volgens de akte dier
verdeeling vroeger éénó met den naam van Clooster Gaere uitmakende.
Volgens de overlevering zou op die zandhoogte een klooster hebben ge-
staan en inderdaad levert do grond aldaar nog sporen van vorige bewo-
ning op, die men daaraan wol wil toeschrijven. Fbitii, welke dit me-
dedeelt , verklaart het woord gare door gaard , een hof, tuin of in het al-
gemeen eene omheinde plaats, en zoo ook een landgoed of boerderij.
In Westerwolde ontmoet men op verscheidene plaatsen nog den naam van
gare, als bij de Luthorschc kerk, by Winschoterzij 1 onder Blijham , cn elders;
ook den naam van gaarveenen voor veenen die by boerenplaatsen en wel
bij verscheidene kloosterplaatsen in deze provincie behooren of hebben
behoord. Zie het Groninger Beklemregt enz., D. II, Gron. 1837, bl. 331 —
333. In eene geschreveno aanteekening heeft Mj echter in zijn exem-
plaar van dit werk er bij gevoegd eene opheldering hem door den heer
Mr. h. l. wichseb gegeven, dat men door Gaarveenen verstond, veenen
die gaar of aan do snede gebragt waren of konden worden , in tegen-
overstelling van ongare veenen, welke nog niet afgetapt, begrupt en bc-
raaid waren, zoodat men ze nog niet snijden kon of er turf graven. De
weg van Midwolde na Nieuwolde heet do G'are- of (Jee re weg on wel zoo ,
omdat hij geert of schuins loopt door de polderlanden. Welke do be teekenis
-/ ij van gare , gemelde plaats de Jüoostergare is blijkbaar een kloostergoed
geweest, maar de vraag blijft, of er op zich zelf een klooster op gestaan
heeft en ze niet liever behoord hebbo tot een of ander naburig klooster en
wel Heiligerhe, dat behalve te dezer stede, in den omtrek vele bezittin-
gen heeft bezeten , en ook by gezegde scheiding aan de stad gekomen
is , benevens meer andere landorijon , dio mede waarschijnlijk daaraan
behoord hebben. Van een afzonderlijk geestelijk gesticht aldaar ia niets
bekend, en had er zoodanig een geweest, dan zou men er nog wel er-
gens iets van vernemen. Wij meen en dus ook zeer te moeten betwijfe-
len , dat er een klooster en wel het Nonnenklooster Bertha in de Beerta
zou gestaan hebben , zoo als o. a. ook nog van meening zijn I* van
dolhuis, Inwijding der kerk van Oostwold, bl. 46, en smith , a. w. bl. 73,
dio, wat hij hier van het Nonnenklooster B< < rla in de Beerta vermeldt,
elders, bl. 97, ook deels van het verdronkene Beerta herhaalt. Volgens
hem ook cn krsme&'s Beschrijving van Groningen, bl. 94, zou die boer-
derij by de Zandhoogte den naam dragen van Kfoostergavc (?).
Digitized by Go
43
voor in de verbonden tusschen de Stad Groningen, in
1283 met dit deel (of de nooiles hommes de Mentene) en in
1287 met dat deel (of de nobilee hommes de Menterewolde)
gesloten (37). Zoo komen beide ook bij de Wierummer
kronijkschrijvers en elders meer voor (38). Van een dorp
Menterwoide , dat sommigen hier ook bij brengen, wordt ner-
gens uitdrukkelijk gewaagd , doch wel van een klooster ,
blijkens de volgende berigten , die ons met deszelfs geschie-
denis vrij naauwkeurig bekend maken. De levensbeschrij-
ver van de Abten van Aduard meldt ons, hoe er eerst
eene Abdij te Menterwoide op de plaats Kampwoude (Cam-
pi* Sijlvae) door de Abdij van Aduard is gesticht in het
jaar 1259, maar alreeds in 1399, wegens de herhaalde
overstroomingen is verlaten en verplaatst geworden naar
Menterna of het Grijae Monnikenklooster onder Termun-
ten. Er wordt daar bij gezegd, dat de drie eerste Abten
van het klooster te Menterwoide binnen zeker kapel aldaar
begraven zijn, welke kapel onder de wateren van don
Dollard bedolven is (39). Dit wordt bevestigd en opge-
(37; Zie DBiBSSKN, Mon. I, het eeratc p. 48, hot laatste p. 50, met
zjjne aanteeken. daar bij.
(38) Zie do plaatsen aangehaald in stratikoh , Alouds Staal, II, n,
132 en dit werk verder hierover.
(39) Zio de nieuwe uitgaaf van dio levensbeschrijving in Spec. Theol.
cont. vitas ac gesta AbbaL Ad werden*, van Dr. KOPPIOT, Gron. 1850, p. 8,
en dezelve vertaald in de Oudh. en Gest. van Groningen, bi. 222 en 223.
De schry ver van dit werk spreekt later, bl. 467, van het dorp Menterwoide,
waar het klooster van dien naam gesticht zou zijn , en wel op eeno plaats
de Woldkamp geheeten , waar de kapel had gestaan , waarin do drie eer-
ste Abten begraven zijn. Doch , zoo als wij hebben gezegd , van een dorp
Menterwoide in ons niets stelligs gebleken. Wij hebben wel mot hem don
naam van Campi* of Campi Sylvae voor den byzonderen naam van do
plaats, Woldkamp, waar do kapel en dns ook het klooster Menterwoide
gesticht was , boven aangenomen , schoon het ons nog twijfelachtig is ,
of ia de bijgebragte berigton die naam niet dezelfdo cn ecno latijnschc
vertaling is van dezen. Emmius sproekt onjuist van Menterna, als het
vergane klooster, dat daarop naar dat van Gryze Monniken bij Termun-
tcn verplaatst is. Chorogr. C 38. Maar hij scheut Menteme voor hetzelfde
met Menterwoide to houden. Fris. Wat. f. 179. De schrijver van den
Teg. Staal van Stad en Lande , II , 227 , houdt Menterwoide voor oen
Bernardynor Nonnenklooster en gist , dat om ergernis te vermyden , de
nonnen naar het Bernardijner klooster dor Grijze vrouwen te Midwoldc
.zouden zyn overgebragt. Dat hier zulk een klooster gestaan heeft is
44
helderd door de verklaring van 1565 en de oude aan-
tcekening, beide in Bijl IV en V medegedeeld. In de
eerste worden Menterwolde en Palrnar opgenoemd, beide
als kloosters in den Dollard verzonken , en leest men , dat
die drie eerste Abten van Mentema, volgens eene aan-
teekening , die , als gezegd is , in een oud psalm- of kerkboek
(Solter) bij dat convent berustende was , in de olde Stoeve , d. i.
wel ter stede van die oude kapel van het voormalig kloos-
ter, begraven liggen, welke plaats toen in 't diepste van
den Dollard was gelegen , behalve een deel akkerland van
die olde Stoeve , waarop de (oude) kerk van Midwolde met
een deel van het koor gebouwd was. Geheel overeenkom-
stig hiermede luidt, hetgeen voornoemde aanteekening ,
misschien wel uit dezelfde bron, inhoudt, omtrent de stich-
ting en verplaatsing van het klooster Menterwolde. De
voormalige plaats daarvan of de olde Stoeve wordt daarin
nog nader omschreven te zijn een Vledder (d. i. waarschijn-
lijk eene moerassige plek gronds), in de uiterdijken, achter
Wagenborgen in den Dollard gelegen. En zoo wordt nu
hiernaar eene plaats de Stoeff bij rengbes in het uittrek-
sel van dat of dergelijk berigt (Bijl VL) onder de ver-
gane Dollardplaatsen opgeteld. Die plaats is nu zeker de-
zelfde , als het akkerland , dat voorkomt in do rekeningen
van den Rentmeester der Klooster- of Provinciale vaste
goederen van 1603 en vervolgens , en dus 'als oud klooster-
goed, onder den naam van die Stoeve, behoorende bij eene
boerenplaats, die bij den ouden Dollarddijk gelegen was,
waar en blijkt niet alleen uit eene oorkonde , die hij aanhaalt , maar ook
uit de plaats , die op de Dollard- en andere kaarten , alsmede door van
BOLiïtJis , Oostwolder Kerkinwijding, bl. 46, wordt aangewezen, iets ton
noorden van het dorp; maar Mentema was een mannenklooster, geen
dubbelklooster, zoo als de schrijver der Oudh. en Gut. wel stelt, maar
meer naar waarheid daarop laat volgen , dat althans digt by Mentema een
klooster heeft gestaan van Cisterci-nonnon , de Grijze vrouwen genoemd.
Do plaats is nog bekend , maar bestaat thans uit bouwland , behoorende
bij cono boorenplaats , die het eigendom der Stad Groningen is en in do
kom des dorps is gelegen. Op do plaats van het Grijze Alonnikenklooster
staan thans vier aanzienlijke boerenplaatsen, welke nog dien naam dra-
gen. Zio verder hier over van der aa , Aardrijksk. Woordenb. , IV,
866 en 867, schoon ook zyne berigtcn over die oude kloosters niet geheel
juist zijn
Digitized by Go
45
strekkende over dc Ae in den DoUard, en nu den eersten
heerd uitmaakt beoosten de Kerkenlaan onder Midwolde en
Nieuwolde (40). Men kan dus, schoon die plaats nu niet
meer bekend is, hieruit ook nog genoegzaam opmaken,
waar het Benedictijner klooster Menterwolde gestaan heeft,
ten noorden immers niet ver van het oude kerkhof van Mid-
wolde, welks ligging uit het volgende nader zal blijken (41).
Zoo moeten ook de volgende plaatsen in het Oldambt,
die nog wel in naam , maar niet meer zoo als voorheen be-
staan, min of meer onder de verdronkene plaatsen geteld
worden.
Arends en anderen noemen nog Mmar of nu Fimel en
Bonsum of Baemmm , nu meer Baamsum, Bamsurn , onder
de verdronkene plaatsen op (42). Deze zijn echter nog
gedeeltelijk over , schoon veel geleden hebbende , even als
de landen van Dallingeweer en Termunten, onder de ge-
meente van welken naam zij thans alle behooren. Hoe-
(40) Zie de extracten uit die Rekeningen der jaren 1603 en 1604,
medegedeeld door fsith in het Groninger Beklemregt, II, 150. Dio oldc
Stoeve behoorde tot het land of de plaats van abel derhs kinde-
ren, waarover in der tijd zulk een zwaar pleitgeding is gevoerd, waarvan
het eindvonnis ook aldaar bl. 1 en verv. is medegedeeld. Het land wordt
in die Rekeningen aldus omschreven: „ b\j de Dullartsdijck , 25
„deimpten, streckende oucr dio Ae in den Dnllart, als ock noch 17
„deimpten , de lange Mede , met dat Nylandt , vnde S deimpten, die Stoeue
„gehieten, met dat nye landt." In de volgende Rekeningen van 1608 af
wordt de naam van die Stoeue niet meer gevonden, maar zeker begrepen
onder dc 27 d. nicnw aangewassen land , de lange Mede , met dat Nyelandt.
Zoo zal ook de ligging der plaats met den naam wel verloren zijn ge-
gaan. Wat de beteekenis daarvan aangaat: ingiet oud-Friesch betec-
kent Sta, Stoe, Stwe eeno zekere plaats of stede en wordt in dc oude
Frieachc wetten gebruikt voor eene kerk- en regtplaats. Angelsaks. is
Stav en IJsL Sta hetzelfde, ook een verblyf. V. bjchthoven, Altfries.
Wörterb. S. 1050, op Sto. Hier zal het dus wol de oude plaats der voor-
malige kloosterkapel van Menterwolde aanduiden.
(41) Geheel verkeerd heeft smith op het Dollardkaartje achter zijne
Geschied, der prov. Gron. Menterwolde geplaatst ten oosten van de l^jam
in Reiderland en wel mede als een dorp.
(42) Erdbeschrtib. S. 255. Noordzeekusten, II, 168. Hij verstaat (Wa-
tervloeden bl. 31) onder Fischmar , waarvan menco in zijne Kronijk (l>ij
matth. Anal. II, 166) op het jaar 1262 verhaalt, dat aldaar door dc
overstrooming cone sluis was weggespoeld, eeno plaats in den DoUard,
schoon al niet het tegenwoordige Fimel of Fimar in het Oldambt , zoo
als emmiüs (Rer. Fris. Hisl. f. 164) en anderen op z'gn vootspoor. Wes-
4ti
veel van deze , tusschen Tijsweer en Zwaag gelegene plaat
sen verloren is gegaan, blijkt nader uit de opgaven in de
verklaring van 1565 te vinden (43). Even zoo is het land
aan de Eems van Temiunten naar Oicvdum en verder zeer
afgenomen , zoodat de dijk aldaar meermalen heeft moeten
ingelegd worden , gelijk wij zullen zien , en de oude stand-
plaats dier dorpen zelve voor een groot deel door de gol-
ven is ingenomen. Van Oterdum zijn de sporen der voor-
malige bewoning meermalen buiten den zeedijk gezien , aan
wiens voet nu de kerk staat, en het thans geringe dorp
was voorheen eene plaats van belang.
Voor het tegenwoordige Midwolde heeft er een oud
Midwolde meer noordwaarts gelegen. Emmius meldt zelfs ,
dat Midwolde wei tweemaal verplaatst is (44). Hoe dit zij,
het oude Midwolde was een groot en rijk dorp , de woon-
plaats van vele adellijke familien , zoodat er wel 180 steen-
huizen stonden, volgens de verklaring van 1565. In 1413
is er de oude of nu niet meer bestaande kerk gesticht
tehdorp meldt ook eerst (Jaarb.1, 341), dat toen te Fismar in het 01-
dambt eene sluis wegspoelde, en iets verder (bl. 343), ditzelfde voorval
meer omstandig verhalende , dat die slnis lag in het Vischmaar of het
diep , loopende van Wittewierum bij Bovendijks in het Damstcrdkp , thans
het Vischhumer-maar genoemd, en dat het aan de kloosterlingen van Wifr-
tewierum en aan de bewoners van dit kerspel en van Woltersum veel
werk kostte, om die doorbraak te stoppen. Uit deze bijzonderheden,
welke door mbhco er bij vermold wordon , blijkt derhalve voldoende ,
dat de slnis niet te Fimel noch ergens in het Oldambt, maar ter laatst
gezegde plaats in Fivelingoo moet gezocht worden , gelijk de Vischmaar~zijl
er bevorens nog bekend was. Zie krbmer , Beschrijv. der Prov. Gron.
bi. 224.
(43) Volgens oude registers, wordt daarin gezegd, waren in de ja-
ren 1521—1524 Groot-Termunten nog van 700 grazen, Fimel van 650
gr., Dallingeweer van 700 gr., Bamsum van 720 gr., Reide van 900 gr.
(elke honderd tot zes stygen of 120 gr. gerekend) ; en toen in 1565 bedroegen
al de landen van die plaatsen maar 2110»/ 2 gr. moer, dus juist de helft
minder, en hoeveel zij sedert nog afgenomen zijn, blijkt uit de inzage
van de tegenwoordige schot registers van het Termunter zylvest, volgens
welke al de schotgevende landen van het Kloi-Oldambt onder dat zijl-
vest bedragen 2137 dcimt, namehjk Groot-Termunten 800 d. , Wolcfen-
dorp 800 d. , Oud- (Klein-) Term tm ten 200 &, Gr^ze-monniken 200 d.,
Les terhuis 137 d., dus maar 1337 d. meer, met aftrek van Woldendorp ,
onder bovenstaande opgaven niet begTepen, maar volgens een daarmede
overeenstemmend oud register van 1555, 1324% gr. bevattende.
(44) Chorogr. f. 38.
Digitized by Go
47
door reinste of retnske abdena , dochter van den mag-
tigen Proost hiske abdena van Emden en de vrouw
van hajo addinga, Heer te Wedde van Weaterwolde,
nit hare eigene goederen. Het was een groot gevaarte,
eene kruiskerk met vier torens , alles van steen , waarvan
de Oldambtsters het afbeeldsel vervolgens in hun wapen heb-
ben gevoerd. Misschien werd deze kerk toen reeds op eene
andere meer binnenwaarts gelegene plaats dan de vorige,
om den aandrang van het water, gebouwd en ook het dorp
verzet. Zij kwam dan naderhand door de niet ophoudende
inbraken van den Dollard weder aan den oever daarvan te
liggen, bleef aldus aan zijne woede blootstaan en alleen
nog lang overig van het dorp, dat overigens door de
baren werd ingezwolgen of binnenwaarts verlegd. Zij 'stond
alzoo nog even binnen den dijk van 1545, die er omheen
liep , zoo als wij haar op de oude kaarten nog aantreffen ,
terwijl het oude kerkhof daarvan nog aanwezig is , een % uur
ongeveer thans van de tegenwoordige kerk te Midwolde
beoosten de Kerkenlaan gelegen. Nadat in het jaar 1667
een der torens van ouderdom was ingestort, is de meer
en meer bouwvallig wordende kerk in het begin der vorige
eeuw geheel afgebroken en door eene nieuwe vervangen ,
midden in het verplaatste dorp, die voltooid werd in
1717 (45).
Scheemda lag insgelijks voorheen verder noordwestwaarts ,
en is ook, wa,t het dorp aangaat, geheel verplaatst. Dit-
blijkt mede uit de ligging van het oude Scheemder kerkhof ,
even zoo aan den ouden dijk van 1545, een % uur noord-
westwaarts omstreeks van de tegenwoordige kerk of het
dorp , dat zich ook geheel als nieuw voordoet en als met de
Eexta vereenigd. Men heeft onlangs (1852) op dat oude
kerkhof het puin uit den grond weggeruimd, maar be-
halve de oude grondslagen eener kerk, niets bijzonders
ontdekt.
Van de Meeden is het insgelijks bij overlevering bekend,
dat dit dorp eertijds brjlangs den lagen- of ouden weg ge-
(45) Zie iiarkenroiit , O. O. bl. 318, 319. Oudh. en Gest. van Gron.
bi. 461. Tegenw. Staat van Stad en Lande II, 221. Sm n u , a. w. bl.
121, die echter verkeerdelijk de afbraak der oude Midwolder kerk in
het begin der 17de eeuw plaatst.
48
staan heeft, gelijk er nog puin van woningen in den grond
gevonden wordt, alsmede een zoogenoemd oud kerkhof,
juist op den hoek waar die weg naar het dorp gaat, en
dat de bewoners deze hunne woonplaatsen wegens de in-
braak van don Dollard hebben moeten verlaten en meer
zuidelijk verplaatsen op de hoogere zand- en veengron-
den. Het had eertijds slechts cene kapel , onderhoorig
aan do Eexta , en van daar wordt het nog op het Munster-
sche Register Extengamedum , d. i. Eexter Meeden geheeten.
Volgens sommige oude kaarten, als die van staucken-
bobg, lag het oude kerkhof en dus waarschijnlijk ook de
kerk van Zuidbroek meer oostwaarts aan den ouden weg
bezuiden Uüerbuiren, waaraantoe de kleigrond reikt Zij
zal derhalve ook om de overstrooming op den "hoogeren
grond,» waar zij nu staat , verplaatst zijn , misschien ook wel
met een , deej van het dorp ; ja, met Noordbroek mag
dit ook wel gebeurd wezen , daar men eveneens aan den
zoogenaamden Pastorieweg een oud Noordbroekster kerkïiof
vindt.
Even als de Dollard van dezen kant zoo ver in het
westen en het zuiden het Oldambt is binnengedrongen,
zpo zijn ook nog ten oosten van Midwolde andere plaat-
min of meer verdrongen.
Oottwolde strekte zich desgelijks wat verder noordwaarts
uit , en misschien heeft eenmaal de kerk gestaan ter plaatse
van de oude pastorij (46) , zoo niet vroeger eene nog lager.
Voor de kleine kerk, in plaats waarvan in 1775 de tegenwoor-
dige sierlijke kruiskerk is gekomen, heeft er eene groo-
tere gestaan, die, zoo als rengers verhaalt, door den Her-
tog van Qelre is gesloopt , hebbende de steenen naar Delf-
zijl gevoerd erf deze plaats er mede bevestigd. Ook het
voortijds zoo aanzienlijke dorp was , zegt hij , toen schier
geheel verdwenen, zeker door den Dollard (47). En
nog moet er eene vroegere kerk gestaan hebben, die
in 1843 gesloopt is , waarschijnlijk almede ten gevolge
van de inbraak der Dollardwateren , blijkens de man-
damenten of aanschrijvingen van dat jaar, door de
* * •? - * * •
(4G) ~Van BOLHriP, OostwoMer Kalcinwijding, 1>1. 175.
(47) Kronijk, I, 74.
Digitized by Go
49
stad Groningen afgegeven en in afschrift in haar Archief
voorhanden , betreffende het leggen van zeker hoofd aan
den Dollarddijk (bij Hamkenpad) , waartoe mede gebruikt
zou worden de puin van die kerk te Oostwolde en die te
Winschoten (48).
Flnsencolde zal ook veel geleden hebben ; buiten het dorp
ten noordoosten nabij den Ganzendijk is eene kerkenplaats ,
waar de grondslagen van eene kerk en vele lijken met zer-
ken doodkisten gevonden zijn , zoodat hier misschien ook
eene vroegere kerk dier plaats gestaan heeft. Wij zouden
althans deze overblijfselen liever tot dit dan tot het vol-
gende naburige dorp willen brengen (49).
Er is namelijk ook geweest een Oostfinsenoolde. Dit dorp
lag ten oosten van het vorige en wel niet in Reiderland of
ten oosten de Tjam, zoo als algemeen opgegeven wordt,
maar in het Oldambt of ten westen van de Tjam. Het komt
met zijne kerk , de St. Nïkolaaskerk gehecten, ten dezen opzigte
(48) Het zgn zeven Mandementen van dat jaar , aangehaald in liet
Register van de sitter. ,
(49) Kremer, Beschrijv. van Groningen, bl. 98 , en vooral smith, a. w.
bl. 425, waar men het volgende leest: „In den loop van dit jaar (1 826)
„ontdekte men in de nabijheid van den Ganzendijk, onder Finsterwold
„achter de boerenplaats van den heer d. j. mulder, in eenen hen vel ,
„sporen van eenen gcmetselden muur, welke by het verder opdelven en
„weggraven der aarde, eene buitengewone hoeveelheid stcenen opleverde,
„van welke sommige 6 tot 8 Ned. ponden wogen. De muren hadden
„de dikte van vier voeten en waren heel diep nit den grond opgetrokken;
„het fondament vormde een kruis, en ieder van dezen bevatte de ruimte
„van p. m. 25 voeten vierkant. In deze ruimte vond men velo mcn-
„schenbeenderen en geraamten, waarvan twee in zware toegemetselde
„zerken doodkisten gelegen , mede werden uitgegraven. Eene groote
„massa puin uit dezen heuvel is nog verkocht, en mede gebruikt tot
„den in 1844 aangelegden grindweg te Nieuw- Beerta. Sommigen ver-
„ moeden, dat het eene kapel zal geweest zijn; hiertoe echter schijnt de
„omtrek wat te groot; welligt is het de Sint Nikolacukerk van Ooetfin-
„tterwold geweest, hetwelk volgens de kaarten en oostelijke rigting vrij
„wel overeenkomt." — Hiertoe behoor en echter waarschijnlijker de over-
blijfselen van gebouwen in de volgende noot vermeld. Er is ook nog
een verhaal van eene hoog bejaarde vrouw voor een 25tal jaren te Pin-
serwolde overleden, dat in die gemeente eens eene besmetteiyke ziekte
moet geheerscht hebben , waarin velen gestorven zijn , en dat de kerk-
voogden, deze niet gaarne op het kerkhof binnen het dorp willende
begraven hebben, genoemde plaats daartoe hadden aangewezen.
4
Digitized by Go
50
op gelijke wijs voor met Finserwolde , Oostwolde en Midwolde
in de verdragen van 1391 en 1420, en , wat meer zegt, in het
Munstersche Register der Oldambster kerken wordt Astwin-
8erwalda zoo wel als Westwinserwalda opgenoemd. Het is
ook eigenaardig , dat beide dorpen van gelijken naam in het-
zelfde district gelegen zullen zijn geweest Men houdt de
hoogte, loopende zuidwaarts langs de Finserwolder molens
door het Vledder voor Oost/inserwolde ; er zijn sporen dat al-
daar vroeger huizen gestaan hebben; men heeft er zelfs ont-
dekt grondslagen van zwaar muurwerk met overblijfselen
van doodkisten, lijken en andere van een gebouw, dat eene
kerk, en wel die van Oostfinserwolde kan zijn geweest (50).
*
B. Plaatsen tusscken de Tjam en de Ee of in
( het Osnabrugsche Reiderland gelegen.
Wijndeham, of Windeham, Vimelham, Wineldham enz.,
boven reeds genoemd en onderscheiden van de plaats van
(50) Hiertoe zal toch veeleer behooren , en zeker niet tot een kloos-
ter JBertha, wat westendorp meldt van overblijfselen van een groot en
uitgestrekt gebouw, aldaar gevonden, volgens het aangehaalde in noot
36. Smith maakt, naar het schijnt, van dezelfde ontdekking melding met
deze woorden: „Bij het afgraven van eene andere hoogte, nog verder
„in het oosten, op een stuk land van den heer r. j. land, te Nieuw-
„Beerta, vond men korte jaren hierna ook de fondamenten van een
„muur van 4-5 voeten dik, welke niet kruisvormig, maar eenigzins
„een langwerpig vierkant uitmaakte, met een ingang of portaal voor-
„zien, en welk gebouw slechts 15 voeten vierkant ruimte zal gehad
„hebben, hetgeen dus misschien eene kapel zal geweest zijn van Exter-
yfhuis. Ook hierin cn in den omtrek vond men vele beenderen van men-
„schen , ijzeren handvatsels en ovcrblyfsclen van doodkisten. De daar-
„ uit opgedolvene steenen hadden denzelfdcn vorm eu gelykc zwaarte
„als die, welke in den omtrek van den Ganzendijk waren gevonden.
„Hier echter vindt men overigens mindere sporen van vroegere gebon-
„wen, dan aan den Ganzendijk; welligt zijn deze dieper onder den
„aangeslijkten grond bedolven, en derzelver fondamenten aldus ge-
„heel verdwenen. Wij althans houden beide genoemde grondslagen voor
„gebouwen uit vorige eeuwen , die door den Dollard verwoest «\jn." —
Over die laatste ontdekking met betrekking tot (Oud) Exterhuis nader,
als w\j hierover spreken (bl. 55). — Nog een woord over den naam van
JFïnserwolde of Finsterwolde , zoo als men op beiderlei wyze schreef en
schrijft, cn daarnaar ook den naam verklaart. Men leidt namelijk den
eersten af van het riviertje de Finser Ee, waarvan het oud bescheid
Digitized by Go
51
dienzelfden of dergelijken naam , ten noorden van de Tjam en
aan de Ee gelegen gelijk zij voorkomt in de verdragen van
Udl en 1420 met den burg of het steenhuis Tijdwijnedaborch
en dit als het punt, van waar de Tjam de grens tussehen het
Oldambt en Reiderland uitmaakte en als de zetel van de
m de geschiedenis voorkomende aanzienlijke Reiderlanders
of Hoofdlingen van dit gewest (bl. 32). Tot dit Wimde
ham zal ook te brengen zijn of het naast behoord hebben
het gehucht van dien naam (Windeham of Wijnedaham)\
hetwelk met ülsda als onder de Beerta gehoorig nog
noemd wordt in een der nader aan te halen stukken over
de nieuwe Beerster indijking en uitwatering, die in 1636 is
aangelegd (13 Febr. 1636). Het zal misschien in het noor-
delijkst gedeelte van de Beerta gelegen hebben, als een
overblijfsel van het oude Windeham, zoo het niet her-
waarts en binnenwaarts verplaatst is, als het zich zoo ver
met mag hebben uitgestrekt, daar er volgens de Dollard-
kaart en meerdere opgaven nog andere plaatsen tussehen
hebben gelegen , gelijk de beide volgende.
Baijkeweer of Aikeweer, desgelijks -boven (bl. 33) reeds
aangewezen, en onderscheiden van Ockeweer ten noorden
van de Tjam. Meer valt er niet van te zeggen , dan daarbij
aangestipt is. J
Bonellen, een dorp aan de Ee, ten zuiden van het vo-
rige, overigens onbekend. Verg. Duvelee, bl 62
Torperen, Torpen bij emmius Torpsum en in de verdragen
van 1391 en 1420 TorpUen en Dorpsenn genoemd, was den-
kelijk een dorp , gelegen volgens de kaarten en voormelde
oorkonden aan de Tjam , die er gezegd wordt door te loo-
van 1391 gewaagt en hetwelk dan voor een water gehouden wordt, dat
langs Finserwolde zon geloopen hebben; maar dit wordt in hetzelfde'stuk
van 1420 FJimell Ee genoemd en zal buitendien dat niet zijn. Zie boven
Aant. 14. Den anderen naam Mnsterwold leidt men af van het H D
finster, duister, en het zou dus een duister woud beteekencn. Maar die af-
leidmg is strijdig met de hier oudtijds gesprokene Friesche taal. Wij
stellen nog eene derde verklaring voor, namelijk dat de naam eene ver-
korting is van Veenhuizerwolde, en dat dus dit dorp genoemd is naar het
naburige gehucht Veenhuizen, dat vroeger aanzienlijk moet geweest ctfn ,
daar het uitdrukkelijk in oude beseheiden met de naburige dorpen voor-
komt. Zie zeker verdrag van 1435 in het Reg. der Ckart., bl. 65, en
bij WESTENDORP, Jaarb. II, 171.
52
pen naar Oostfinserwold. Er is nog lang, zelfs tot heden,
eene streek van dien naam bekend gebleven, onder Fin-
serwolde. Zij is het toch waarschijnlijk, welke in het ver-
drag van 1636 (16 Aug. Art. 5) tusschen de kerspelen
Winschoten, Beerta en Blijham over het leggen van de
Beertster zijl onder den naam van Torpsen wordt vermeld»
en in sommige afschriften (in het Archief van het kerspel
Beerta) ook dien van Turphum of Turschum draagt. De
zoogenaamde Modderlanden achter Finserwolde worden nog ,
althans bij oude lieden, Torsen, Torsen of Tórschen, inde
uitspraak bijna als Dorsclien en zelfs Turksen, geheeten.
Zoo geeft men aan de landen langs den Dollarddijk ten
oosten van de Bellingwolder zijl mede den naam van Turk-
sclie of Egyptische landen. Men heeft gemeend dezen naam
wel voor den waren naam te moeten houden , en alzoo van de
Turken afgeleid, waarvoor nog de volgende bijzonderheden
zouden pleiten, te weten, dat aan Finserwolde zelve wel
de naam van Turkije wordt gegeven , dat gezegde Dollard-
dijk van ouds den naam van Egyptische of Egypter dijk
draagt, dat de aloude dijk ten noorden van dat dorp Mu-
seldijk wordt genoemd, en dat de overlevering zegt dat
Muselmannen dien dijk zouden gelegd hebben , namelijk
als gevangenen van de Spanjaarden en door dezen daar-
toe gedwongen. Dit zou zelfs bevestiging erlangen door het
vinden voor eenige jaren van eene oude Arabische
munt, uit den tijd van 1162 — 1184, aan den voet van dien
alouden dijk achter de Modderlanden (51). Hoe merkwaar-
» •
(51) Wij deelen hior nader do bijzonderheden van deze ontdekking
mede, met de verklaring der munt, zoo als zij ons door de vriendelijke
hand van den heer Notaris Mr. it. de sitteii te Winschoten is opgege-
ven. — In den zomer van 1821 had men ter genoemder plaats, aan den
voet van den aloude» dijk, achter de Modderlanden , om des droogen
zomers wille, in de sloot eene wel voor drinkwater voor 't vee gegra-
ven , en daartoe eerst 8 a 9 voeten klei en vervolgens 5 of 6 steek klijn
of veen uitgegraven , om op het welzand te komen. De heer j. k. mul-
ler, landbouwer en kerkvoogd te Finserwolde, zich naar zijn land in den
Finserwolder polder willende begeven en bij die plaats gekomen zijnde , zag
in do aan den voet des dijks uitgeworpenenc veenspetie iets blinkends,
raapte dit op en, eene stift voelende, was hij voornemens dit als eene
oude knoop weder weg te werpen, toen hij eene tweede stift gevoelde en
het voorwerp nader onderzocht. Het bleek nu te zijn eene gouden
Digitized by Go
53
dig of' liever zonderling deze vond ook zij en de zanien-
loop van deze Oostersche namen van dijken en landen,
zoo zouden wij dit echter nog liefst voor toevallig houden
en denken , dat omgekeerd deze of gene naam aanleiding
heeft gegeven tot die overlevering^ gelijk met zoodanige
meer het geval is. Finservvolde mag den naam van Tur-
kije gekregen hebben in een tijd, toen deze plaats niet
meer dan een onaanzienlijk visschersdorp was , meest be-
woond door armoedige en onbeschaafde lieden; van daar
kunnen de landen onder den Egyptischen dijk de Turksche
landen genoemd zijn, terwijl die dijk zelf naar een gehucht
aldaar, Egypte, zal geheeten zijn, zoo als er meer zoo-
danige plaatsnaam wordt aangetroffen in ons gewest,
gelijk er een huis van dien naam is onder Veendam en
Zandeweer; Mwseldijk zal dan ook wel van elders dan van
de Muselmannen afkomstig zijn ; — hoe dit zij , de naam te
minste van Turksen , Torsen , Dorschen aan genoemde streek
gegeven, zouden wij voor eene verbastering houden van
het oude Torpsen of Torpen. Er is echter eene zwarigheid
om die streek voor de voormalige plaats of een overblijf-
sel daarvan de houden. Zij zou hiernaar dan aan deze
zijde van de Tjam en dus nog in het Oldambt gelegen
hebben , en niet aan gene zijde van die rivier in Reider-
land , zoo als de kaart en berigten aanwijzen , en zij ook
niet voorkomt op het Munstersche Register van de 01-
mant, ter grootte van een dukaat, bevattende voor op een vierkant ruit
vreemde letters en op de keerzijde een zilveren kruis in twee reepjes
daarop gesoldeerd met twee oogen, zoodat het zigtbaar om den hals,
hetzij als amulet, hetzij tot sieraad gedragen was. Deze munt in handen
van den heer de bitter gekomen zijnde , hoeft deze haar eerst aan de
toenmalige Groningschc Professoren wolthers en muhtinghjb laten zien
en , van dezen vernomen hebbende , dat het eene Arabische munt was ,
blijkens de Arabische opschriften uit den Koran, vervolgens aan den
üooglecraar hamaker te Leiden gezonden, die wel zoo goed is geweest ,
de onderstaande beschrijving en verklaring daarvan te geven:
„Op de eene zijde der Arabische munt leest mon in het midden (of
in het vierkant):
In den naam van Allah den goeder tier enen en barmhartig en. Er is geen
Goct dan Allah , Mohammed is de afgezant van Allah , Al Modi is ds Imam
der Imans (dat is Voorganger der Voorgangers). Om den rand staat:
En uw God is een eenig God. Er is geen God behalve hem , den barm-
hartigsten onder de barmhartigen.
Digitized
54
dambtster kerkdorpen. Die zwarigheid liet zich oplossen
door aan te nemen, dat het oude Torperen zich ook over
den linker oeyer der Tjam zal uitgestrekt hebben , en dit
strookt wel met de opgaaf van haren loop door die plaats
in de oorkonden van 1391 en 1420, ten zij men liever aan
eene verplaatsing wil denken , zoodat de naam met de be-
woners tot dien oever is overgebragt , toen zij voor het
water hebben moeten wijken en hunne woonplaats verlaten.
Meerhuizen, denkelijk eene buurt, ten noordoosten van
Torperen en naar een meertje, er bij gelegen, althans er
bij geteekend op de kaarten, zoo genoemd.
Markhuizen. Volgens de kaarten een dorp ten zuiden
van Meerhuizen aan de Tjam (52).
Hovingagast of Hówingagast , op de kaart van starcken-
borg ffomingegast , Hommingastum bij emmius, komt als
een dorp zuidwestelijk van Donellen voor aan de Tjam.
Het is jammer, dat degcen , die van deze munt een knoop verkoos
te maken, juist de tegenovergestelde zgde bedorven heeft, omdat deze
buiten twijfel den naam van den Vorst en van de muntplaats en het jaar-
tal behelsde. Thans laat zich met zekerheid niet lezen dan Abou Yakoub
Yousef om don rand. Echter schijnt dit weinige genoegzaam te zijn om
de zaak uit te maken; want onder de Vorsten, die den naam Abou Yakoub
Yousef gedragen hebben, is er myus wetens slechts een, die een zekeren
heiligen persoon , onder den naam van Al Mahdi, als den Imam der Imans
kan vereerd hebben. Het lijdt dus geen twijfel dat hier abou yakoüb
yousef bbn abd-el-moumin , de 2de Vorst van de Dynastie der al
mowahhedoax of al moiiaden bedoeld wordt, die van het jaar 1162
tot 1184 over een gedeelte van Noord- Afrika en Zuid-Spanje regeerde»
De stichters dezer Dynastie waren abd-el-mumjk, de vader van dezen
Vorst , en een zekere moiiammkd ben j umrat of tumert , welke laatste
zich voor een Profeet uitgaf, en den titel van Al Mahdi (de door God
geleide) aannam. Hij werd door de Vorsten van dezen stam bggeloovig
vereerd, en men vindt hem ook op andere hunner munten Al Mahdi,
onze Imam, genoemd. Eene munt, gelijk de onderhavige, was, zoo het
schijnt, tot nog toe onbekend, althans voor zoo ver ik weet, niet be-
schreven."
(52) Markhuizen is in den Tegenw. Staat t. a. p. niet opgegeven ; mis-
schien hield de Schrijver het voor dezelfde plaats als Meerhuizen. Em-
mius noemt ook in den tekst alleen Merchusa (Chorogr. f. 38) , en op de lijst
der verdronkene plaatsen achter dat werk staat alleen Meerhuizen, zoo-
dat dicnsvolgens beide namen mot elkander schynen overeen te komen.
W\j durven dit evenwel niet beslissen. Bovenstaande opgaven kunnen
ook onvolledig zijn , zoo als meerdere.
Digitized by Go
55
Stokster- of Stotterhuis, ook Stoksterhuizen, zoo als op
de kaart van starckenborg; Stoetsterhuys bij emmiüS;
een gehucht nabij de Ee , zuidoostelijk van Finserwolde.
Het kan misschien van het op het Munstersche Register
voornoemde vergane dorp Stoth afkomstig zijn, dat wij an-
ders nergens vinden , en niet weten te plaatsen , zoo het
Astock niet zij (bi. 39). Er is nog een Stoksterhom bekend,
ten noordwesten van Finserwolde aan den ouden dijk , waar
de grindweg dien bereikt en nu het gehucht Drieborg is
gelegen en den naam van het eerste heeft vervangen, als-
mede op oude kaarten dezer provincie, zoo als die van
starckenborg , een ander ten zuiden van de Beerta ,
aan den nog ouderen dijk aldaar. Misschien is de eerst-
genoemde dezer buurten nog van die oude plaats overig
gebleven en de laatstgenoemde van de volgende of daar-
onder bedoeld, en daarom op de lijst bij bengers en in
het overeenkomstige M. S. niet opgegeven.
Oud- of OU-Exterhm , ook Esterkuis. Zoo wordt deze buurt,
ten oosten van de Beerta bij den ouden Dollarddijk gelegen,
onderscheiden van Exterhuis of Exterhof over de Ee aan den
ouden Oostfrieschen Dollarddijk, en staat op de Dollard-
kaarten algemeen ten noorden van de Tjam aangeteekend ,
doch daar de loop van deze rivier verkeerdelijk in de rig-
ting van de (oude) Pekel Aa aangegeven is, zal zij ten
zuiden daarvan, zoowel als van de Beerta, gelegen heb-
ben. Men heeft in de grondslagen , vermoedelijk van eene
kapel, in een stuk land te Nieuw-Beerta ontdekt, de oude
plaats van eene kapel te Oud-Exterhuis en dus van deze
buurt vermoed (Aant. 50); anderen zoeken haar veel
hooger, tusschen de Ulsda en de Bult, daar waar men
in een stuk land aan de Aa ook overblijfselen van een
oud gebouw heeft aangetroffen (53). Doch dit is zeker te
ver gezocht, en hierbij misschien eerder te denken aan
een ouden stins of zetel eener adellijke familie, welke ge-
legen was, volgens de Dollardkaarten , te Ulsda op een
eiland , gevormd door de Westerwoldsche en (oude) Pekel
(53) Kremer, Beschrijv. van de Prov. Groningen , II, 124. Dit was
het gevoelen van den voormaligen Burgemeester van de Oude Schans,
den heer j. heeres.
Digitized by Go
56
Aa, bij haren uitloop in den Doliard, toen deze zoo ver
doorgedrongen is.
Van de nog bestaande oude plaatsen in deze streek valt dit
aan te merken : Beerta en Winschoten zullen weinig verande-
ring hebben ondergaan. Achter het eerste dorp vindt men
hier en daar nog sporen dat er vroeger huizen hebben ge-
staan , en wel ter plaatse alwaar men aanneemt dat eer-
tijds een zomerdijk heeft gelegen ; en van de , onder het
laatstgenoemde vlek behoorende , buurt Bovenburen is het
zeker , dat zij veel verder oostwaarts is uitgebreid geweest ;
langs den zwarten weg en de tegenwoordige Oostereinder wa-
tering zijn nog overal de sporen aanwezig , dat er vroeger
huizen gestaan hebben.
Blijliam is wel geheel verplaatst. Vroeger lag dit dorp
noordelijker, zoo als de oude plaats der kerk nog aan-
wijst, niet der voorlaatste, want deze heeft op dezelfde
plek gestaan, als de tegenwoordige, die in 1783 is ge-
bouwd, maar eener vorige (54). En misschien was dit
oude kerkdorp reeds eene verplaatsing van het dorp van den-
zelfden naam , hetwelk wij op de Dollardkaart ten oosten
de Ee zullen aantreffen , als het niet hiermede verward is.
Men acht het tegenwoordige Blijham anders wel zoo ge-
noemd te zijn , om dat het de eerste verblijdende vrucht
der aanslijking was (55). Volgens sommige oude gewes-
telijke kaarten, als van n. vissciieb en F. DE wit, lag er een
dorp Bliham, meer westwaarts dan het tegenwoordige,
daarop niet voorkomende, aan de oude Pekel Aa. Zoo
dit geen fout is, dan zou men kunnen gissen, dat Blijham
uit het Dollardland eerst zoo ver terug is verplaatst en
vervolgens weder nader bij op of aan den nieuwen Dol-
lardgrond. Het gehucht de Heemen of het Heem onder
Blijham (maar toebehoorende aan de kerk te Winschoten)
ligt er op eene hoogte, als een terp, zijnde zamengesteld
uit stroo en schapenmest, die hierin tot op eene diepte
van 3 — 4 el wordt aangetroffen. Het zal dus ook om de
overstrooming later, schoon vóór de bedijking des lands,
hier op den nieuws aangeslijkten bodem aldus aangelegd
z Ü n * , -
f54) Kremer, Beschrijv. van Gron. II, 126.
(55) Teg. Staat van Stad en Lande , II, 439.
Digitized by Google
57
C. Plaatsen ten oosten van de Ee gelegen,
Oo8terreide. Een schoon dorp met een Nonnenklooster
van de Dominikaner of Prediker orde , tegen over Wes-
terreide, gelegen aan den mond der Ee. Het wordt in een
brief van 1282 Asterreide genoemd (56), op het Munster-
sche Register Osterreide , en bleef nog lang in wezen , al-
thans voor een deel , met Westerreide , waarmede het mis-
schien vervolgens te zamen smolt, door de afleiding der
Ee, tengevolge van de inbraak des Dollards of van de
Eems bij Jansum tot in dien stroom benoorden die plaats.
Het klooster bleef ook nog tot in de 16e eeuw bestaan,
doch intusschen misschien ook verplaatst naar Westerreide;
men zou dit althans uit het volgende kunnen besluiten,
wat ons de geschiedenis van deszelfs uiteinde leert (57).
Er wordt namelijk gemeld , dat het klooster in het jaar
1534 op last van den Hertog van Gelder, toen Heer van
dit gewest , verplaatst is naar Luxioolde (58). Welke plaats
dit is, weten wij niet met zekerheid. Er is een Lwewolde
in de provincie Friesland in de Grietenij Aengwirden, maar
het is niet bekend, dat in dit gehucht vroeger een kloos-
ter gestaan heeft, zoo min als ons eenig ander berigt om-
trent deze verplaatsing is voorgekomen. Wel berigt daar-
(56) Bij driessen, Mon. Gron. III, 442 met Holtgeist. Dkiesskn
noemt beide als verdronkene plaatsen in den Dollard , doch het laatste
is zeker bet nog bestaande dorp Holtgast in het Oostfriesche Reiderland.
(57) Het wordt wijders nog genoemd o. a. in het jaar 1378, als wanneer
het Nonnenklooster Dijkhuisen te Visquard in Oostfriesland gesticht en
met Nonnen uit het Klooster Heide het eerst bevolkt is (Beninga,
Chrtm. t. a. p. W. 154. Suub, Ostfr. Klöster, S. 110); in 1416, als wan-
neer wiabdüs, Hoofdling te Uphusen in Oostfricsland , aan hetzelve eene
koe vermaakte (akbnds, Noordzeekusten, II, 184); in 1492 toen het nog
een Bynsche gulden vermaakt werd (volgens itarkenboht, die het een
Bagijnenklooster noemt, op besinga a. w. bï. 448); hl 1496, 1530 enz. ,
als wanneer do Jufferen of Zosteren van Beide nog hier en daar land
hebben gekocht, volgens verzegelingen dier jaren voorhanden in de
Archieven van Groningen. Het komt in 1529 ook nog vopr op eene
lijst der Kloosters uit een ond Handschrift opgegeven bij matth. Anal.
T. VI, p. 15.
(58) Die verplaatsing wordt aldus vermeld in een H. 8. , bevattende
eene beschrijving van Reiderland en gedeeltehjk gedrukt in de Aanteek.
achter de Verhand, van feith, in de Werk. van het Gen. Pro Exc.J. F.
D. VI, bi. 520.
Digitized by Google
58
entegen rengers, dat genoemde Hertog den steen van het
gesloopte klooster heeft laten voeren naar het slot te Delf-
zijl , doch zonder nader aanduiding van het jaar (59) ; en
vernemen wij , dat in het jaar daarop volgende , 1535 , 'al
de landen van het Nonnenklooster te Reide in den Hamrick
ende Clockenslag Reide, binnen en buitendijcx, ende voortt
over de Eemse gelegen, aan den Stadhouder en Hoofdman-
nen in dit gewest overgedragen zijn, met den last, omme
de oottersche dijcken met dat Jiovet aldaer ende kerkhof te
Beide te onderhouden. Het is deze overdragt, welke ge-
houden wordt voor den grondslag van de verpligting, op
de provincie rustende, tot instandhouding van den uithoek
Reide en de hiertoe behoorende zeeweringen (60). Er
blijken evenwel nog landerijen aan de Nonnen verbleven
te zijn. Althans de Zusteren te Reide komen in het jaar
1542 nog voor als mededijkpligtigen tot de dijken tusschen
Reide en Dallingweer; en dit bewijst, dat die afstand van
landerijen zich alleen tot die van Reide heeft bepaald.
Naderhand bij de wereldverklaring der kloostergoederen,
zullen ook deze landen van het klooster te Reide aan de pro-
vincie gekomen zijn, voor zoo verre zij nog bestonden (61).
Lutgerskerk of St. Lutgeri. Eene buurt niet ver ten noor-
den van Oosterreide aan de Eems met eene kapel , mis-
schien aan lüdger, den eersten Bisschop van Munster,
toegewijd en daarvan zoo genoemd. Op de kaart van
outhop staat verkeerdelijk RutgerskerL Het wordt op het
Munstersche Register niet gevonden, en wel om reden,
dat het geene parochiekerk was ; ook niet bij rengers , enz.
(59) Kronijk, II, in de Bijl 1, bL 273.
(60) De acte Tan deze overdragt vindt men gedrukt in het Tydschrift
van westendorp, Antiquit. ], 185, ontleend aan de hc lun grijke Memorie,
op den 6 Oct. 1 644 aan de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden
overgegeven , over den gevaarlijken staat der dij ken in deze Provincie en
de middelen om daaromtrent te voorzien onder Byl. N. Zie ook kre-
mer, Betchrijv. van Groningen, II, 111.
(61) Zie boven a. Tijdschrift t. a- pl. De stukken waarin de Zusteren
van Reide in 1542 als zoodanig nog voorkomen , worden hier genoemd
twee ongedrukte bescheiden van dat jaar , het een van maendages na den
Sondach Judica, en het ander van den 8 May ; er wordt voorts gezegd , dat
de voormelde landen, over de Eems gelegen , waarschijnlijk dezelfde zyn ,
welke deze Provincie bevorens in Oostfriesland , te R^sum, ter Knokke,
enz. heeft bezeten en op den 9 en 10 Jan. 1650 heeft laten verkoopen.
Digitized by Google
59
Beda, op sommige Dollardkaarten , van starckenbobö
en folkeks , Boder. Een dorp , volgens dezelve , zuidoos-
telijk van Oosterreide aan de £e; misschien Bedamewalt ,
op het Munstersche Register onder de verdronkene plaat-
sen van Reiderland opgenoemd.
Jansum. Volgens de kaarten , emmius enz. schijnt het
een dorp geweest te zijn, ten noordoosten van Oosterreide
aan de Eems; in de verklaring van 1565 wordt Jansem
genoemd, bij olis een dijck, nu een diep gat indesee, bij de
Lidden toe Reyde gelegen ; en dat het geen dorp , op zijn
hoogst eene buurt geweest is, volgt wel daaruit, dat het
niet vermeld staat op het Munstersche register, noch hij
rengers en in meergenoemd H. S. onder de verdronkene
kerkplaatsen. Deze plaats is voorts berucht wegens de
eerste doorbraak aldaar in 1277 voorgevallen, waardoor het
Jansummer of Jansema gat ontstond , dat van de Eems tot
....... * •
in de Ee doorloopende, de bovengenoemde plaatsen van
de volgende afscheurde, en zooveel toebragt tot haren en
den verderen ondergang des lands.
Liede , Lecde. Eene buurt waarschijnlijk, ook omdat het
op het Munstersche register en in voormelde opgaven niet
voorkomt, ten oosten van Oosterreide. Het wordt, on-
der den naam van de Lidden , nog als eene streek of plaats
op Nesserland tegenover Oosterreide meermalen in de
verklaring van 1565 genoemd.
Berum of Bierum. Een groot en rijk dorp, welks kerk
eenen vrij hoogen toren had. Het lag aan de Eems bijna
tegenover Larrelt in Oostfriesland. In de verdragen van
1391 en 1420 wordt een campo HoofdUng te Berum ge-
noemd en dit op het Munstersche Register en dus in het
laatst der 15de eeuw nog bestaande met de volgende dor-
pen Flyaihum {Fletum), Nesse, Wilgum enz., die nog min
of meer lang tot Nesserland behoord hebben , in welks noor-
delijksten hoek Berum was^ gelegen aan de Eems. Mis-
schien woonde die Hoofdling en zijn geslacht op een stins
of burg , dien men onder den naam van de of ter Borg ,
tusschen dit dorp en Jansum op de Dollardkaarten vindt
aangeteekend.
Fletum. Een dorp ten zuiden van Berum , hetwelk in
het jaar 1464 nog in wezen zal geweest zijn , blijkens het
Digitized by Google
60
opschrift op de klok van de kerk, die vroeger in Nesser-
land gestaan heeft (62).
Nesse. Een dorp ten zuidoosten van Berum en noord-
oosten van Fletnm. Hiervan is het vroegere eiland en de
tegenwoordige landtong Nesserland zoo genoemd. Het be-
stond namelijk nog lang met een deel lands als een eiland,
tot dat dit aan de zuidzijde bij aanhoudendheid door de
zee afgeknaagd wordende, doch aan de noordzijde weder
iets aanwinnende, en als het ware zoo verplaatst worden-
de naar de Oostfriesche kust, voor omstreeks 50 jaren
met deze door een dijk is verbonden geworden , zoodat
het thans eene landtong in de Eems bezuiden Emden vormt
Het eiland leed vooral nog veel in den laatsten geduchten
stormvloed van 1825 , tengevolge waarvan» men de kerk ,
reeds lang zonder Predikant, eindelijk afbrak. Er be-
stonden voor een aantal jaren (1834) nog zeven huizen op
Nesserland, thans nog drie (63).
Wilgum. Een dorp zuidelijk van Nesse, tegenover den
hoek van Groot-Borsum , aan de Eems, waarbij deze me-
de het eerst door den dijk gebroken is en zoo tot in de
Ee aan deze zijde , waardoor met de doorbraak bij Jansum
aan de andere zijde, het schiereiland, hetwelk Reiderland
hier vormde, tot een eiland, Nesserland, gemaakt is.
Het dorp schijnt echter daarop nog lang daarna in wezen
geweest te zijn, want men leest, dat deszelfe burg met
dien van Nes en andere , door de Hamburgers in het jaar
1437 ingenomen en gesloopt en de afbraak hiervan tot het
versterken van Emden, waarvan zij toen meester waren,
gebruikt geworden is (64).
»l I f f 4 « , '
■ - * » " /
f62) Waarop men namelijk leest: „Anno Dni M. CCCC. LXIIIL
„Maria lk hete. De van Flel hebbet. mi laten, ghet." Zie outhof , a. w.
bl. 184 en 185. Hatikenroht O. O. bl. 203 en 229.
(63) Lezenswaardig ie de schildering, welke arknds van den toestand
van dit eiland en deszelfs bewoners geeft, zoo als het voor een groot
30tal jaren nog bestond, in Ostfr. u. Jever , B I, S. 281 — 286. Het zal
zyn naam hebben van den vorm van den neus, welken het voor dezen
vertoonde , even als nu nog , maar omgekeerd , daar de Eems er heden ten
zuiden om heen loopt , in plaats van vroeger ten noorden , en zoo als
deze uitgang of die van nis en neus in zoo vele namen van plaatsen
in ons laad en elders ook te verklaren zal zijn.
(64) Outhof, a. w. bl. 185, uit emm. Rer. Fris. Bist. f. 341 , en be-
Digitized by Google
61
Peterswolde. Schijnt eene buurt geweest te zijn, zuid-
westwaarts van Wilgum, met eene kapel, of een kerkdorp,
zoo men er Upwolde , in het Munstersche Register onder
de verdronkene plaatsen voorkomende, en anders niet als
zoodanig genoemd wordende, onder mogt kunnen ver-
staan.
Torum of Thorum, Tordingum op het Munstersche Re-
gister, hier en elders voorkomende, als nog bestaande. Het
was een stadje zuidelijk van Wilgum , volgens sommige Dol-
lardkaarten tusschen de Eems en de Ee , volgens andere aan
eene dezer rivieren gelegen , alwaar volgens de overlevering
eene voorname markt en eene munt was en acht goudsmeden
woonden. Het schijnt zelfs wel de hoofdplaats van Rei-
derland geweest te zijn. Het bleef nog lang over tot in
de 16de eeuw , hoewel met geen dijk meer beschut. In
1507 is aldaar nog gerigt gehouden en was het de zetel
van een der drie landregters van Emsigerland, waaron-
der deze plaats alzoo, even als Nesserland, zal gekomen
zijn, na de afscheuring van het overige Reiderland (65).
Er is nog een vonnis bekend van een Landregter erd van
tordingen en zijne drie doemdeelers in 1457 geveld in eene
regtszaak van het Oostfriesche klooster Langen, dat in
het voormalig dorp van dien naam, of Logum, Loge, aan
den Eemsdijk heeft gestaan (66). Ten , tijde van emjuus,
of op het laatst der 16de eeuw, was Thorwrn verdwe-
nen, maar de plaats nog bekend. Hij verhaalt, dat
er toen, bij een aanhoudenden oostewind gedurende, de
ebbe, nog de overblijfselen der huizen en straten voor den
dag kwamen , en men menigmaal onder het puin nog eenig
geld en andere voorwerpen vond, eenmaal zelfs een pot
vol oude zilveren muntstukken, waarvan hij zelf eenige
had gezien (67).
Uüerpawing. De kaart van tideman heeft Pamm.
Een dorp ten zuiden van Torum of ten zuidwesten
kikga, Bist. van Oostfr. bg matth. Anal. T. IV, p. 275. Zie nog emmius,
Chorogr. f. 40.
(65) Arend 8, Noordzeekusten, II, 184.
(66) Süük, Gesch. d. Klost, in Ostfriesl. S. 84.
(67) Emmius, Chorogr. f. 37. Outhof , a. w. bl. 348. AlWNns ,
Noordzeekusten , II, 184 cn 185.
Digitized by Google
62
van het tegenwoordige Pawing of Pogum aan het
(bl. 15) voornoemde takje van de Ee. Het hield zich nog
lang staande (68). In het Munstersche Register komt het
als zoodanig nog voor onder den naam van Uterapaum ,
Pogum onder dien van Urapaum.
Duoelee, ook genoemd Duveler op de kaarten van out-
hop en verburgh, Duneser op de kaart van starcken-
borg door T. B., Dunker op die van tideman en folkers,
en als een dorp geteekend, wat zuidwaarts van Uiterpa-
wing gelegen tusschen de Ee en haar takje; maar daar
het op het Munstersche Register niet voorkomt, zal het
welligt slechts eén gehucht zijn geweest; wij hebben zelfs
wel gedacht, of deze plaats niet voor dezelfde te houden
is met Donellen voornoemd (bl. 51) , daar er bij rengers
maar alleen eene plaats , Duvehê geheeten , en in de over-
eenkomstige H. S. aanteekening hiervoor Dunelee voorkomt
Uiterbeertè of Uiterbeerde. Een dorp zuidelijk van de
vorige plaats, dat ook eene kerk met een hoogen toren
had. Het was ten tijde van emmius ten deele nog op een
eiland aanwezig, en komt als zoodanig nog op oude kaar-
ten van Groningerland en Oostfriesland voor; op het Mun-
stersche Register echter reeds onder de verlatene kerkdor-
pen met den naam van Uterbert en elders.
Oosterbeerte of Oosterbeerde. Een dorp weder ten zuiden
van Uiterbeertè, volgens de kaarten; volgens emmius
noordoostelijk van die plaats (69). Het staat niet in het
Munstersche Register noch komt bij rengers en in hetH.S.
voor, en de plaats mag dus als eene buurt onder üüer-
bterte beschouwd worden.
Garmeden of Garmie. Eene buurt ten westen van Oos-
terbeerte, was nog lang over in een eiland, dat met
dien naam op oude kaarten staat geteekend.
Horningeham of Hommingham , ook Hovingeham enz. op
sommige Dollardkaarten. Een dorp zuidwestelijk van Gar-
meden aan de Ee, tegenover de plaats, waar de Tjam
zich in dezelve stortte. Op het Munstersche Register
komt onder de verlatene kerkdorpen voor Howenge-
ham. Arends gist, dat dit dorp hetzelfde is als het veel
(68) Emntrs, Chorogr. f. 40.
(69) Zie over deze beide plaatsen emmics, Chorogr. f. S7.
Digitized by GoOgL
63
zuidelijker gelegen Houwingaham y dat later voorkomt,
en dat dus deszelfs ligging geheel verkeerd op de Dol-
lardkaarten is opgegeven. Volgens eene mededeeling
namelijk van den heer J. heeres, vroeger Burgemees-
ter te Oude Schans, wordt er in oude registers gewag
gemaakt van die plaats , tusschen welke en Bellmgwolder
Ham het Hoholsmaar, de tegenwoordige veensloot of de
Moersloot , welke Nederland van Hannover scheidt, door-
vloeide en aldaar met eene sluis voorzien was; men wil
dan dat dit Houwingaham in de omstreek van de eerste in-
dijking bij Wijmeer of Oud-Bondernieland nabij de Boner
Schans heeft gelegen en een kerkdorp is geweest (70).
Men kan de ligging dezer plaats aldaar, en wel nader om-
streeks de Nieuwe Schans ook opmaken uit den naam van
Houwingaham, dien men aan deze schans bij hare stichting ,
in 1628 voltooid, had toegedacht, doch waarvan niet is
gekomen (71), en uit dien van Hamdijk, welke de dijk
tusschen die schans en Stoksterhorn droeg. Eene buurt
van dien naam onder Bellingewolde komt hiermede nog
zelfs voor in een der bescheiden over de Beertster nieuwe
indijking en uitwatering, datzelfde van 1636 (13 Febr.),
waarin wij ook nog Wïndeham aantroffen (bl. 51). Mis-
schien is dit Houwingaham aldus verschillend gelegen,
naar zijn vroeger en later voorkomen , zoo als met meer
plaatsen, welligt ook met de volgende het geval is.
Nevens Howengeham komt op het Munstersche Register
ook nog voor Howingahoff. Deze plaats weten wij echter
niet te huis te brengen, tenzij het dezelfde mogt zijn als
voornoemde Hovingagast (bl. 54), maar dan kan dit niet
bewesten de Ee gelegen hebben.
BUjham of Bleijham. Een dorp ten zuidoosten van H6-
mmgéham. Het komt niet op het Munstersche Register voor,
evenmin als het tegenwoordige Blijham en Bellingwolde ,
(70) Arends, Noordzeekusten, H, 171, 172. Kbembr, Btsckrfv.van
de Prov. Groningen, II, 117.
(71) Zie de Raadsres. van de stad Groningen, 30 Junij 1G28. Teg.
Staat van Stad en Landt, II, 436. Deze plaats is ons nog voorgeko-
men in een paar bescheiden op het Stads archief voorhanden , zijnde
namelijk twee vonnissen over land aldaar gelegen, de eene van het jaar
1511 avond laetare , en de andere van 1535 avond Barthelomet.
Digitized by Google
I
O
o
6*
misschien omdat beide Jn het kerlselgke wiet meer tot het
Munstersche, njoar het Osnabrugsche Reiderland behoor-
den; dit zal evenwel niet met, het oude, veel lager ge-
legen Biïjhvm hei geval geweest zijn.. , v ivV:
Wmemeer. Een dorp ten oosten van Blrjbam, aan een
meertje, dat het voormelde takje der Ee, volgens de Dol-
lardkaarten, vormde. Het is niisschien hetzelfde als in het
Munstersche Register genoemd wordt — en diensvolgens
nog bestond in het laatst der 15de eeuw — Wynnamor,
kunnende dit toch niet. Jiet thans bestaande veel zuidelijker
gelegene Wijmeer, maar deze plaats wel later van gene
afkomstig zyn. Zoo verklaren wij het .voorkomen van beide
^naluidende, plaatsen op ie, PollarfJUoaart^, e»i va^eene
^slec^t^^p ;4# ^gistejfai bw n o ,r.A ?ib>blovnoig .:>7#
jNfft J^feen^or^ te^auidenj van ,£^am, tve^^
hfiborg 1 'm dejv Teg. Staat enz. genoemd; wprdt niejt gevonden
b£, j^BSQ^pSt nock in\ . 4fti.H4 §. opgaaf ; i^r cfcrpen; ook
n^at op 4e, kaarten van ïjüd^pujf en / F^KBïiS., Het
^"^gelijk Huweghenborch oj> M .Mwi^c^e Register
apf fnder de bestaande kerkdorpen; van Reider^d in
^^We t ^^ryp^me»de (72). w. 7 terf n** ooiorba
„ Medum.^xiAm zuidoostwaarts van Harkenborg^Aan
',df& ^e. :T 9©^ t wo^iniet,op,Jiet Munstersche Register aan-
getrpffeQ,,of : l^t nv>est zijn Oengum , dat onder de vergane
. M njkatsen • van Reiderland, wordt aangeduid, ,en datj/WÖ; an "
n dars^niet te huis wetfflR&fc trengen. ^ Jtmia toUoo'rA net*
. Bundergartenrj , ook Bundetgaarden en Bottergmrden ,
^^aj^^^i hg emmius jTar<fo (d. i, ^ ifcn**a
en ten zijnen tiide nop; als een eilandje bekend en op oude
kaarten voorkomende, ,ook wel onder den naam ^an Hochee
r oi Jfy&oe Jen, noorden van Bunde aan de Reiderlandsche
r loist <7% Me», vindt Jietaie, vermeld in den Teg, Stapt enz.
— r~+.w*r ,v<**-t**T fKn .if,'^: co. . ,i . '.» Miic^f ni rt /sol
■ -
' "(W tö^xED^üE, a. w. S. 50, verklaart dit door Vb***, aan de
uit aal-toen «dö tai«t'«U Jhtt een
(73) Het »on, volgens outhof t. a. p., bij emmih* {Chorogr.f. 37)
uia* in ^tegenoverstelling van 5oo^c jBunde ,
;s stellig eene drukfout voor Jarda, dat met
t , en die plaats dos dezelfde als Bundergarteny , dat
oifthof bij Medum aanroert; en Hoogt Bunde mag zoo genoemd sijn
ter onderscheiding van Bomt. - ^- ,n 5 ,. -;
Digitized by Google
65
Op het Munstersche Register komt Bonewerda voor onder
de toen nog bestaande kerkdorpen , en deze plaats zal wel
eerder bovengenoemde zijn , daar de letters g en w meer-
malen verwisseld worden , dan het tegenwoordige gehucht
Boene ten zuiden van Bunde, aldaar Hoghebunde geheeten,
zoo als TON ledebur wil (74).
Exterhof of Eexterhof en Exterkitis , een gehucht, of een
enkel huis, aan 't zuidoosteinde van den Dollard, nabij
deszelfs ouden dijk ten noordwesten van Wijmeer , of ten
zuidoosten van Bunde, te onderscheiden van Oud-Rtter-
huis, aan de andere zijde der Ee vermeld (bl. 55).
Wat de nog bestaande plaatsen , BelHnawold* en Frw-
schebö' betreft, deze lagen vroeger veel digter aan de
Westerwoldsche Aa, en wel langs de streek dié nu de
Oude weg wordt genoemd. Deze oude weg is wel niet
meer als weg aanwezig, maar hij lreji> vroeger ongeveer
regt van het Hamster diep tot naar de ^djfcè^' öndèf Wedde.
Later scMjnt 1 Vriescheloo nog eens te zgrr uitgelegd krtgs
een óüden weg die nog te herkennen is , en tüe van 'de Bel-
lingwolder brug liep tot naar de huizén die onder Vtfe-
scheloo aan het voetpad van dat dorp naar TFedde [staan.
Overal treft men langs de eerste lijn nog in -den grond
sporen aan dat er vroeger huizen gestaan hebben. Achter
Vriescheloo vindt men nog de plaats van het oude kerkhof,
waaróp de overlevering zegt, maar zonder grond, dat eens
een klooster stond. Den Ham en BeUxngewolde hebben' toen in
eene lijn gelegen ; later BeUmgwolde en Vriescheloo; nu ligt
Bellingwolde meer achterwaarts dan den Ham, en Vriescheloo
dringt nog verder naar de veenen terug. Men vindt on-
geveer in de rigting van de Aa, zeo als &e van de grond-
pomp naar de Oude Schans loopt , naar de zijde van Belling-
wolde op verlengd , in het land den grondslag van een
toren in 1823 ontdekt, dien sommigen voor een vuurtoren ,
anderen voor een schiettoren bonden (75> Hei kan wel
de toren zijn t waaruit gockinga van Zuidbroek, in zijn
(74) T. a. p.
den bouwval van den voormali gen fltkrlborg ; maar deze heeft ïsene
geheel andere plaats gestaan, veel weeteigker, aan ew westelijk vstfi Hle
Pekel Aa , waar vroeger de onde weg van Winschoten naar Blijham er
bij Siêêê klapslaan orerging. 3-' " r ~^r* -«j
5
Digitized by Google
66
strijd met de stad Groningen, den doortogt liet belemme-
ren, en welke door die stad in het jaar 1438 ten gronde toe
geslecht is geworden (76). De huizen van den Ham zijn
op hooge werven gebouwd, zeker ook al later, om zich
op den nieuwen grond staande te houden. Bellingwolde
komt in oude stukken met Utham en Upham als onder-
hoorige huizen voor, die echter nu niet meer bijzonderlijk
bekend zijn (77).
Op het Munstersche Register worden, behalve de voor-
noemde twijfelachtige plaatsen, Katelmesincke (bi. 31), Be-
damewalt (bl. 58), Upwolde (bL 60), Oengum (bl. 64), Stoth
(bl. 39), Rodendebord (bl. 34), Huwegenborch (bl. 64), nog op-
genoemd onder de verdronkene plaatsen van Reiderland Dert-
samewolt , Krijtzemewalt en Kalentwalt. Dertmmewolt zal zoo
geheeten zijn van Derzum op het Munstersche Register of het
tegenwoordige Ditsum aan de Eems nabij Pogum, en dus
nabij deze plaats te zoeken zyn ; desgelijks KrijUemewak van
en bij Oroylzum op het Register, of het hedendaagsche Krü-
znm, hooger op aan de Eems gelegen; Kalentwalt weten
wij niet te regt te brengen , of het moest zijn tot Calde-
borch op het Register , thans Coldeborg , niet ver , noordelijk
van Kritzum gelegen. Walt of Wolt duidt meestal eene veen-
achtige landstreek aan, dergelijke als te Bömerwold en St
Georgewold meer binnenlands tusschen de klei- en zandgronden
gelegen is. Wij hebben voorzeide plaatsen dus ook misschien
op zoodanigen , door den Dollard en deszelfs kleigrond nu in-
genomen ouden bodem te plaatsen, omstreeks de dorpen in
Oostfriesch Reiderland, waarnaar zij genoemd zullen zijn.
Rengers heeft in zijne opgaaf der verdronkene plaatsen,
even als die in H. S., nog Nieham of Nyeham, welke plaats
ons echter elders niet is voorgekomen en wijders onbekend is.
Wij voegen hier nog bij eenige plaatsen, welke aan de
Eems in Oostfriesland hetzelfde lot als de vergane Dollard-
plaatsen hebben ondergaan door overstrooming van dezen
boezem of stroom, schoon eerst in latere tijden, nadat de
■ ii- ■■
(76) Teg. St. v. Stad en Lande, ï, 157.
(77) Zoo als in eene verzegeling in het Stads Archief, waarbij Bel-
lingwolde met die huizon zich hebben begeven onder de bescherming en
onderhoorigheid van den Bisschop van Munster van den 27 July 1498.
Rea. van Charters, bh 121.
Digitized by Google
67
Eems hare oude bedding langs Emden reeds verlaten liad.
Menige plaats is aldaar ook verzwolgen, zoo als de dorpen
Folkersweer , Betteiveer , Dreetoert , Ham , de Knok en het Roode
Voorwerk. Ijogum of Loge is naar het Logummer Voonoerk
verlegd en Geertsweer naar Wybelsum; in plaats van de oude
is er eene nieuwe Knok ontstaan in de buurt en op den landtong
van dien naam. De Eems heeft alzoo van deze zijde aanmerke-
lijk zich uitgebreid en haren loop veranderd. Van Emden
naar het een uur daarvan verwijderd liggende dorp Lar-
relt liep voorheen de dijk in eenen bijna regelmatigen boog;
thans vormt dezelve , op y k uur afstand van die stad , een
zeer wijden cirkel landwaarts in, als een gevolg van twee
zware doorbraken van den ouden dijk, de eerste veroor-
zaakt door den Kersvloed van 1717 , waarbij dé groote
Larrelter kolk ook ontstond , en de laatste in den vloed
van 1825 , waardoor op nieuw eene kolk werd gewoeld.
Van het Logummer Voorwerk verder naar en om de Knok
beschreef de Eemsoever vóór de verwoesting dier dorpen
een halven boog naar buiten , omgekeerd als ze thans naar
binnen doet, zoodat die zich in het midden ten minste op
een half uur afetands van de tegenwoordige rigting des
oevers uitstrekte (78).
...»...#• .*• . » .
iili»€^^t! i , 1 ! 'f ,j M kV;*»''
(78) Harkenroht, O. 0. bl. 299 en v. en vooral de Aanieskeningen
van deszelfs broeder op beninga's Hist. van Oostfriesl. bij matth. Anal.
T. IV. Uit een ond stuk van het jaar 1538 aldaar (bi. 170) bijgebragt ,
büjkt dat Dreewert toen reeds, op eenig land na, geheel verslonden was.
Het oude Betteweer ia in 't begin van de 17do eeuw grootendeels , mis-
schien ten gevolge van de vloeden in 1602, buitendijk» geraakt, blijvende
er toen nog eenige huizen staan. De kerk wqrd verder landwaarts in
verplaatst en uit de afgesletene kerk van het oude buitengedijkte Bette-
weer in 1605 herbouwd. Doch door den Kcrsvloed van 1717 is alles,
wat van Betteweer en die streek overig was, zoo verwoest, dat het in 1720
moest buit enge dij kt worden, zijnde toen do dijk langs den gevel van
de kerk gelegd. Geertsweer werd sedert den watervloed in 1699 buiten-
gedijkt en van de afgebrokene kerk eene nieuwe te Wijbelsum gebouwd.
[O. 0. bl.301 en 312). Folkersweer schijnt op 't einde der 16de eeuw verloren
gegaan te zijn , doch geen kerkdorp geweest , maar, even als Wijbelsum ,
onder Geerstweer behoord te hebben (Aant, op bening a , bl. 224). Logum
geraakte in 1511 buitendijks; men sloopte de kerk en bouwde eene nieuwe
op Logummer Voorwerk. In 1609 hebben er evenwel nog menschen op
het oude Logum gewoond en werd er in 1639 nog gehooid (bkninoa,
a, w. bl. 676). Verg. arends, Noordzeekusten, II, 194—198.
Digitized by Google
68
DERDE HOOFDSTUK.
Het ontstaan en de vorming van den Dottard.
Beschouwen wij nu nader de gebeurtenis zelve, waarbij
zulk eene uitgestrekheid gronds met al deze plaatsen eene
prooi der golven werd — hoe de Dollard is ontstaan en
zich tot dien aanzienlijken omvang heeft uitgebreid , als
zijne wateren eenmaal hebben ingenomen.
Verschillende oorzaken , zooals emmius die opgeeft, zul-
len hiertoe bijgedragen hebben: vooreerst, de ligging en
de aard van het land; ten anderen de one enigheid der
landzaten, waarvan het verzuim der dijken het gevolg
was; en ten derden eindelijk de magt zelve van het ont-
stuimige water. Van den mond der Ee of van Oosterreide
strekte zich Reiderland langs Jansum naar het noorden in
eene landtong van bijna een uur lengte en breedte uit,
waarom heen de Kems, vóór Emden langs, meteen engen
bogt schuurde, zoodat deszelfs kusten hier aan den vollen
aandrang en aanstoot eenerzijds van de noordwestelijke
en noordelijke vloeden, en anderzijds ook van de ebbe-
stroomen blootstonden , en de dijken , die buitendien toen
nog niet zoo hoog en sterk waren als later en thans, veel
te Ujden hadden. Vooral was de noordwestelijke wind hier
gevaarlijk, als ook de noordewind, wanneer deze op een
n zui4westew^ volgde, zooak verzekerd wordt in de ver-
klaring van, 1565 en ook algemeen ten aanzien van onze
zeedijken waargenomen is, en opgemerkt wordt. Deze
kusten bestonden wel , zoo als wij zagen (bl. 27) , uit een
hoogen en stevigen kleibodem, en waren daardoor nog al
bestand tegen het geweld van het water, maar het bin-
nenland was zoo laag 4 en moerassig , dat de vijand , een-
maal ingedrongen zijndë , hier de grootste verwoesting kon
aWigten (79). Hoe nopdig dan ook, by zulk een toe-
ijth Ut jI'^u. j/ )d . na n*n**f< L v. . •■ •••• » •. '•.tawm»
(TSO Levenswaardig is hetgeen bmmiub , Ckorogr- f. 39 , deswege schrift.
„Die grond is," zegt hij , „van dien aard , dat hij onder de voeten sich
„beweegt en als trilt, alzoo niet zeer bestand is, tegen den aanslag
„van het water bij geweldige vloeden. In zulke gevallen lost hij zich
Digitized by Google
69
stand, een steeds zorgvuldig en eenparig onderhoud der
dijken was, daarvoor heerschten in die tijden veelal onder
de inwoners, en vooral onder de groote landbezitters of
de hoofden des lands, te veel naijver, vijandschap of ver-
deeldheid , om daaraan de hand te houden of te slaan ,
terwijl het verder dikwijls aan de noodige openbare magt
ontbrak , om dezen tot hunnen pligt te houden of te
brengen. Outhof verhaalt uit eene oude geschrevene
kronijk van Oostfriesland, dat de allereerste oorzaak van
het onheil de oneenigheid was tusschen de Reiderlanders
en zekeren keno ten broeke , die , uit den krijg in het
Heilige Land met roem teruggekeerd , in het jaar 1269
door den Rijksvorst kabel te Norden, waar zijn vader
regent (ccmmi, redger) was geweest, tot overheid werd
aangesteld , en ook tot Hoofdling van Broekmerland en
Reiderland werd gekozen. Hij regeerde echter zoo wreed
en streng, dat de Reiderlanders hem dreigden, een an-
der in zijne plaats te zullen nemen. Dit verbitterde hem,
en om ze met geweld tot gehoorzaamheid té dwingen,
zou hij de zijlen in Reiderland verbrand en uitgenomen
en de dijken hier en daar doorstoken hebben, zoodat het
land orider water liep, en dit ten gevolge had, toen de
Reiderlanders hunne dijken en zijlen ongemaakt liggen
lieten, dat bij de opgevolgde groote watervloeden, èn
wel die van 1277, het land inbrak én de DoDard is ont-
staan (80). Emmius noch eenig ander schrijver maakt van
deze gebeurtenis gewag; hij getuigt echter wel, dat er
zoodanige KENO toen bestaan heeft, dié in 1310 gestorven
is, zooals gezegdë kronijk mede vermeldt. Dat er destijds
tsqfl >lr> «ilnow raTOfnftjj.p ' * n*n 'iivgimw fi**:lji.V;s
„hier en daar op van den bodem en drijft boven, in kleinere en grdo-
„tere stokken, zelfs met geheels huissteden en landen. Hiervan weten
„de bewoners van den Dollard partij ,*e trekken,, . doctf^v/wanneer eene
„ overstrooming hunne, gezaaide landen bedekt, paarden ( daaipp te laten
„loopen, waardoor de grond zich weder gelijkblijk een paar* 1 voeten ver-
gheft, met het water weder dalende. Dit mag wonderbaar schijnen, en
„bij vreemden ongeloofelij k, ook bij ons, indien de ondervinding by
„hevige overstroomingen de waarheid daarvan niet bevestigde en deed
„zien, hoe geheele stokken lands, als een sclüp, met vee, dorpen ge-
„huchtcn, kerken, op de baren daarheen kunnen drrjvW' Voorbeelden
hiervan sullen wQ .later ontmoeten- oo.ui ,iiiu *i* -> r
(80) A. w. bk 338, 339» . ^
Digitized by Google
70
ook veel oneenigheden in genoemde en andere Friesche
landstreken aan beide zijden der Kems , en wel tusschen
de Geestelijken en Leeken, geheerscht heeft, is almede
uit de geschiedenis bekend. Die twist werd wel in het
Munstersche Friesland door een vergelijk met den Bis-
schap van dien Sprengel in 1276 bijgelegd, maar de ver-
heffing van de gewone regters of regenten tot Hoofdlin-
gen, die in dien tijd vooral voorviel, ook met anderen
zoowel als met genoemden keno, zal voortdurend aanlei-
ding gegeven hebben tot onderlingen strijd niet alleen,
maar ook met de inwoners, gelijk hier van de Reiderlan-
ders tegen keno verhaald werd. Het is dus wel moge-
lijk, dat bij deze gelegenheid gebeurd is, wat van de
vernieling der zijlen en dijken door keno gezegd wordt,
maar het is toch ook opmerkelijk, dat iets dergelijks met
genoegzame zekerheid ook verhaald wordt van een ande-
ren keno ten broekb, omtrent eene eeuw later in zijn
strijd met koppen jarges ; — en dit houdt ons terug , om
'dat eerste verhaal ten vollen geloof te schenken, en doet
denken , , dat het laatste op dien ouderen KENO is overge-
bragt geworden, zooals sommige ook dat, wat van den
moedwil van een vermogenden Reiderlander tidde win-
NENGÖA' medegedeeld wordt, hebben toegepast op dien
tijï of het eerste ontstaan van den Dollard, terwijl dit
wel vrij zeker tot denzelfden lateren tijd behoort, zoo als
wij zullen zien ■■ > - - <■' *
1' Höö 'dit ' zij , algemeen wordt uitdrukkelijk de inbraak
van den Dollard het naast toegeschreven aan de vloeden
in het jaar 1277 voorgevallen. In den hevigen storm-
vloed, nameHjk, van den lb* Januarij 1277, bezweek de
Eemsdgk bij Janswn tegenover IxirreÜ en Emden , — en
r««*I» o.v b^swsv fi-*>;' i )\ -> iv t•* , •.' , ' , : • o • • ••
(81) Arknds, Gtsoht'ed. dér Noorèteek. II, 177, die breedvoerig over
de genoemde' oorzaken spreekt, betwijfelt zeer de waarheid van deze
verhalen ©f sagen en wel die omtrent keno , omdat er toen nog geene
Hoofdtingeh in Oostfries] and bestonden, en toen die opkwamen, Reider-
land niet onder Broekmerland is gekomen. Wel is waar is van dien kbho
aöder«i>nk*t' békend , «och -Is het zeker dat hij reeds Hoofdling van beide
landstreken geweest is v maar van zijn zoon van dien zelfden naam, die
na Kïjn dood in 1876 hem opvolgde wel , althans van Broekmerland.
Emmtos noemt dezen het hoofd van de Broekmer familie, maar de va-
der mag welligt reeds zoo te noemen zijn; en het Rciderland is te wei-
Digitized by Googl
71
met deze inbraak nam de rampspoed een begin. Want er
volgde in hetzelfde jaar omtrent kerstijd, den 25 Decem-
ber, een nog verschrikkelijker storm- en springvloed,
waardoor op nieuw de naauwelijks en gebrekkig of nog
niet herstelde dijk bij Jamum weder wegspoelde , en bo-
vendien eene tweede doorbraak bij Wilgum ontstond (82).
Hierdoor werd niet alleen een groot deel van Reiderland
overstroomd, maar door verzuim of onmagt, om de ge-
noemde dijkgaten te digten, bleef het voor de zee open
liggen , die bij onderscheidene , in de drie achtereenvol-
gende jaren woedende stormen , steeds meer en meer veld
won en het verlies onherstelbaar maakte, vooral nadat
zich tien jaren na den eersten, den 14 December 1287 ,
' ' » . -t» ij" t -i • ■:[ 't . «r
nig bekend en zijne geschiedenis te dntater, om zijne betrekking tot
Broekraerland en diens HoofdUngen te loochenen, even min als ze te
bevestigen. Verg. 8üür , Gesch. d. Hauptl Ostfr. S, 76 , 135, 174. Het
schjjnt , dat men hier te onderscheiden hebbe tnsschen Oppcr-Hoofdlingen
van geheeTe landstreken en Oncfer-Hoofdlingen van enkele plaatsen. En
zoo laat zich verklaren de opperheerschappij van het geslacht trïï broers
met het bestaan van Hoofdlingen in Reiderland, gelijk uit voornoemde
bescheiden van 1391 en 1420 blijkt.
(82) Zoo meenen wij de berigten van emjuus (Chorogr. t. a. p. en
Fris. Bist. XII, 177) en andere met octhof het naauwkenrigst op te ge-
ven. In de aanteekening uit een missaalboek van het klooster Termun-
ten bij rknoers , wordt de tijd der inbraak nog nader bepaald op een
maandag te 11 nro als ratüs en mrmbrodus pattoren waren te Reider-
wolde; desgelijks in het H. S. (beide in de Bijl. V en Vi; en wel op
den 23 December; dus wordt de tweede inbraak bedoeld, want vervol-
gens ook de eerste van den 13 Januarij vermeld. Die toenmalige pastoren
ratüs en membbodus worden ook genoemd in een oud H. 8. b'ri oüt-
hof bijgebragt , misschien wel uit dezelfde bron. Overigens verschillen in
het een en ander nog de berigten van deze doorbraken. Op het op-
schrift van de oorspronkelijke Dollardkaart wordt alleen gewaagd van den
vloed van den 25 December 1277 , en deze opgaaf volgt de Teg. St. II,
232, maar er wordt elders, gelijk boven, alsmede in eene geschrevene Kro-
nijk door outiiof aangehaald , uitdrukkelijk ook van een voorgaanden
vloed in J anuary gemeld en op do kaarten de twee doorbraken bij Jan-
sum, als de eerste, en bij Wilgum als de latere onderscheiden met de
verschillende datums. Akknds meldt, dat in den eersten vloed (dien hij
in sijne Geschied. der Noordzeekusten t II, 173 op den iaden, doch in
zijne Geschied, der Watervl. , bl. 32, later ook op den 18 Januarij stelt)
de dijken van Beiderland vernield en in den volgenden op den 25
December de beide dijkbreuken bij Jamum en Wilgum gebeurd ««n, en
de eerste wel bij vloed en de laatste bij ebbe (t. e. pl.). Hij leidt dit
Digitized by Google
72
eéri hóóge vïoed bei-haarde (83). Het gevolg van beide de
doorbraken was af zoo, dat de Eems zich tot in de Se,
bij J ansu m - éri ' Wilgnrn beide , éen weg door het schier-
eiland, hetwelk ReÊderland hier vormde, baande, dat van
het 1 overige afscheurde en geheel tot een eiland maakte,
waardoor het een eri ander, steeds meer inbreuk van
de wateren lijdende, aïlengskens nog meer afnam en on-
derging. De waterplas breidde zich aldus zuid- en west-
w aarts aan deze, zoowel als aan gene zijde der Ee uit,
en vormde eerst een zuidelijken en vervolgens ook een
westelijken inham, waarvan de eerste zich tot in Wester-
wolde en de laatste tot in het Oldambt uitstrekte. Men
trachtte no£ Wel tin . 'eti dair den voortgang der golven te
stuitëh i doch dë veélat te zwakke dijken en onvoldoende
maatregéïen konden ' net geweld daarvan niet weerstaan
noc^èereh^ inih ais de losse, moerassige grond,
waarop en waarvan z^-geïegd Wérden , zoodat die bi} bui-
tengewbfië v!be»én ,T Wegi en zelfs bij dagelrjkschen aanslag
zekel^w^wa^' Wij weten niet, dat dit ergens gemeld wordt. Op de
kaarten worden, integendeel * ;beide dijkbreuken voorgesteld» als van de
zee- ui vloed&ijde geschied, t tc ,^ün. Van de gewone opgaaf verschilt de
vei'kjjajring^ jvan 15$5,,door te . getuigen, dat , volgens oude aanteekenin-
gen in het Grijze monnikkenklooster te Termunten berustende, de in-
braak net eerst it, Ü299 gebeurd is. Zie Bijl IV. Maar van eene in-
braai «f «véKWoóktogt itt dat jaar voorgevallen, is niets bekend, en
dere opgaaf taLjdw; wet «ie^nist, W ar t verward zijn met het berigt van
deflatie* t^.het' koster te.^entexwolde in dat jaar, dat er mis-
■^ 9 W M v ^ d ,»ii n ' ev ?? als in ona H - s * onder Bijl ' v *
KEMA, Proeve enz, l, .506, spreekt van eene overstrooming van 1267,
waarbij' dé : dljWn en-hr»>nderheid de Eemsdijken veel leden, en welke ,
door 1 ' hét 'tiiefr oelilboTigk J^retellen' derzelve, tyj; de volgende nieuwe
doovbcakot», «Jen grondslag zou heb beu gelegd van den Dollar d. Hij
haalt hierbjj aan; j Vïstb^dorp ,, Jaarb. 1 , 847 ; maar deze zegt inte-
gendeel , dat <fe Eemsdijken (van Fivelingoo) juist bewaard bleven en
teregt volgens de bron, waaruit dit geput is, t. w. de Kronijk van Wie-
rum (in matth. Anal. II) , schoon hij ook daarin dwaalt, dat hij dien
vloed in het jaar 1267 stelt; het-is de tweede Marcel! osvloed, die in het
jaar 1266 plaats had. Het baart verwondering, dat de gelijktijdige S.
dier Kronijk wel van dien vloed en anderen, als dien van 1387 melding
nnf&fefcftitar'ttfét geen Voord gewaagt van dien van 1877 , noch van de
inbraéflt deë 1 ÜWWstfds'. (jd , ....
^83) Zie over dew» vloed akknds, Gesch. der Wattrvloedtn , 111,84
en vervolgens bü verder te vermelden vloeden. , <
Digitized by Googl
73
van het water af- en inspoelden. De van alles berp,ofo>
naaste bewoner» waren ook geheel pwnagtig geworden^
om de dijken naar eisch te maken of te versterken, en
waren dus wel genoodzaakt het land aan de wateren prijs
te geven; en zij die nog konden, maar verder af woon-
den en daartoe onverpügt waren, betoonden zich on-
willig dat te doen, althans voor anderen (84). Gedurig
ontstond «r dan nu ook twist over het maken der dijken,
waarbij nog kwamen de ongelukkige verdeeldheden, die
buitendien onder de ingezetenen, zoo lang en zoo hevig
bleven heearschen, met name die der Schifringers en Vet-
£r: z ij n die v ermo eden , dat b#ite n en , bij de voornoem-
de oorzaken nog eene bijzondere of buitengewone aanlei-
ding heeft gegeven tot het ontstaan van Dollard» en, ,
wel dat die bestaan heeft in eene y^inJking of pak-
king van den DoUardgrond. Akends is, r was althans van
die gedachte (85) , en na hem ook een en , ander, meer , ,
sedert men meer bekend is geworden met dergelijke ver-
schijnselen , aan de kustlanden der Oostzee en elders waar-
genomen. De gezegde oorzaken mogen, volgens hem ,
wel deel gehad hebben aan de vorming van den boezem,
maar hij kan zich niet wel voorstellen hoe, zonder eene
zinking of zakking van den bodem zelvén, zulk eene
groote lap gronds door de baren konde ; verslonden wor-
den. De zee breidt zich bij overstromingen wel over het ,
land uit, maar graaft het niet int? die bodem tkm> O»
eenige plaatsen door zijne ligtheid' eU losheid wel van'
een gereten en weggescheurd zijn, doch over hét geheel
heeft dezelve zijne oorspronkelijke ligging behouden, zoo
als men bij het put graven in de polderlanden nog be-
vindt Behalve deze ontkennende redenen voert by neg*,
tot staving van zijn gevoelen, de meer stellige tón; dat
. *t • ... ... $ t ■ ,.- vil tint ) ^üjw^ütfinoj 5L ji.L' t S0*>2Ktta
^ 'l*-- - i'' 1 •' ■ • 'i uutfu.vi ( aoid jh eu3*>iov ïgbiu)
K A x/,,% . irc w . [::\ nooi!03 , (II .tattfi .httam ni) min
(84) Zoo wordt dit verzuim van d ij k e n i nitduukkaiijk ,i» een, der t op-
schriften op de. JJollardkaart als de ooraaak wen den oadergang ^sn t
WesttReiderlaad aangeteekend. \„*j n.j fcaoj/ D*»ifc ia»v U/w iijjaoiil ivib
(85) Erdbeschreib. v. Qstfo. S. «58, »5«. In *gn later. uigegeven,
werk, Geschiedenis der Noordzeekusten, heeft hij dit gevoelen* niet .be T
paaldeiyk van den Dollardgrond weder genit > maar wel van den aan-
gesloten in het algemeen (I, 21*). • -t . - «. •
Digitized by Google
74
de oude kleibodem in den DoUard veel dieper ligt, dan
die in de aangrenzende landen. — Wij hebben dit punt
zoo veel doenlijk ook onderzocht, omdat wij het van
groot gewigt achtten , niet alleen ter verklaring van de
vorming van den DoUard, maar ook voor geheel ons
land, wat de toekomst zoowel als den oorsprong van
deszelfg kustland vooral betreft. Wij kunnen echter onze
daaromtrent gedane waarnemingen en onderzoekingen
hier niet wel mededeelen , om den draad van de geschie-
denis van den Dollard niet te zeer af te breken, terwijl
zij ook eene geschiktere plaats bij de nadere beschouwing
van den bodera zullen vinden. Tot daar stellen wij dan
ook de beantwoording v*i deze en gene vraag uit; wat
wij te eer kunnen doen, omdat wij nog niet wel in staat
zullen zijn, een stellig oordeel omtrent deze zaak te vel-
len, die even moeijelijk als van belang is. Zooveel meen-
den wij hier voorloopig daarvan te kunnen zeggen, om
nu verder de lotgevallen en gebeurtenissen van land en
volk, ons onderwerp betreffende , zoo veel mogelijk , ge-
regeld na te gaan en te beschrijven.
Niet vóór de 15* eeuw treffen wij daaromtrent weder
eenige bijzonderheden geboekt aan. De meergemelde
belangrijke overeenkomst tusschen het Oldambt en Bei-
derland over hunne grensscheiding en de afwatering vooral
van het Oldambt, in 1391 opgesteld en in 1420 hernieuwd,
schijnt wel op den ouden stand dier landen nog gegrond,
maar toch ook reeds gemaakt te zijn met het oog op de
veranderingen, welke de Dollard daarin had te weeg ge-
bragt Dit blijkt vooral uit het slot van het laatste ver-
drag , luidende , dat het gemaakt is : ofte dat landt bij
Wolden (Wold- Oldambt) in syn stoet staen saü und mit
guder laden hulpe, wente behoef is dat beste baden des lan-
des dat beste cm sein. Van de Dollard- of buitendijken is
er echter geene sprake. In de herhaalde vloeden, welke
Friesland troffen, in 1375, 1376, 1379, 1380, 1387, 1391,
1395, 1403, zullen deze ook zekerlijk nu en dan gele-
den hebben, schoon daarvan niets naders geboekt is. Ten
gevolge daarvan was misschien het geschil ontstaan,
hetwelk hierop , volgens ehmitjs , tusschten de dorpen
van het Wold -Oldambt, te weten: Midwolde, Oostwold,
Scheemda, Eexta en de Meeden eenerzijds, en Zuidbroek,
Digitized by Googl
75
Noordbroek en Muntendam anderzijds , over het maken
der dijken aan den Dollard heeft plaats gegrepen. Dat ge-
schil werd door de wederzijds gekozene scheidslieden, de
beide pastoors van Midwolde en Scheemda en de Hoofd-
mannen van Groningen in het jaar 1411 beslecht en hunne
uitspraak bovendien door de pastoors van Zuid- en Noord-
broek en de regters van het Oldambt bezegeld. Meer is
ons echter , tot ons leedwezen , daarvan niet bekend (86).
Omstreeks dezen tijd mag nu voorgevallen zijn, wat,
volgens de overlevering , berigt wordt van den Reider-
1 ander tidde wijnnengha, welke zeer vele goederen
en deel in het bestuur van dat land had — een Hoofd-
ling daarvan zal geweest zijn. Deze zou namelijk op de
aanmaning zijner mede-ingezetenen, om de dijken te
maken , geantwoord hebben , liever zijne landen ter hoogte
eener speer onder de wateren bedolven te willen zien,
dan eéne schop aarde te besteden , om hiermede zijne
dijken of die zijner naburen te herstellen ; en deze zijne
verwaarloozing zou voor Reiderland en hem zeiven die
noodlottige gevolgen gehad hebben, dat de Eemsdijk bij
Jansum doorgebroken en de Dollard ontstaan is, en hij,
tot armoede vervallen zijnde, naderhand als provenier of
kostganger in het klooster Palmar gestorven is (87). Men
brengt alzoo dit verhaal tot de eerste inbraak van den
; . ijl'.*: & * - ;\' . - t «••'
■ — - — — .
(86) EaontJB, Rer. Fris. Hiat. f. 256. Westkhdokp , Jaarb, II, 337.
Deae deelt het niet naauwkeurig made, maar merkt te regt aan, dat
het ongetwijfeld voor de geschiedenis van den Dollard vooral Tan den
inham aan do zijde dezer kerspels van veel belang ware, dit stuk in
*ijn geheel te bezitten , hetwelk echter niet meer in onze Archieven
schijnt te bestaan. Het schijnt, dat de verst afwonende de naastbij den
Dollard wonende in het Wold-Oldambt geweigerd hebben mede te hel-
pen tot het dakwerk. Het staat vermeld in het Re§. van Charters van
d» siTTER ? bl. 45 , onder den titel : Uitspraak van ze gamannen over het
herstel der dijken in het Oldambt, Sept. 1411, en is wel hetzelfde als
hetgeen aangehaald wordt in '< Bewijs van de Independentie der Oldambt-
ten, Rotter d. 1640, bl. 22, alstoen berustende in der* el ver Archieven,
schoon door driessen, volgens het door hem aangevulde Register, voor
verschillend gehouden. i
(87) Zie dit verhaal b\j ekm. Rer. Fris. Rist. f. 176 en Chorogr. f.
39. Otjthof, a. w. bl. 173, Teg. Staat, II, 232, westendorp, Jaarb.
II, 20, arend8 , Noordzeek. II, 177, en vooral de verklaring van 1565,
in Bijl. IV, welke wtf gevolgd zijn.
Digitized by Google
76
Dollard; maar dat het, gelijk wij zeiden, wel tot lateren
tijd te huis behoort, blijkt uit het volgende. Die tidde
wijnnengha is toch waarschijnlijk van het geslacht, welks
zetel of stins de in de verdragen van 1391 en 1420 ge-
melde Tydwynedaboroh in Wgnedaham was (bi. 10 , 32),
ja misschien dezelfde persoon, als onder den naam van
ttode wynnelde , als een voornaam Reiderlander , voor-
komt in een brief van 1413 (bl. 130), waarbij hysseke
of hiske abdena , Proost en Hoofdling te Emdèn , en
haije adensche of addinga , Hooftlling van Wester-
wolde, die gehuwd was met zijne dochter reinske,
de stichteres van de oude fraaije kruiskerk te Midwolde
(bL 42), zoo aan helm ató aan andere personen i,e Reide
beloven, hen niefe te zullen moeijen , maar in het vre-
dig bezit te laten van hun regt en goed. Wij worden
üt dje meening bevestigd door het zeggen op dat jaar
variv B5 wo*Nga , dat têdïnge (zoo als hij die familie
noemt) hüime dijken lieten liggen en de zijlen inrijden,
waardoor het land verarmd was en 24 kerspelen waren
vergaan (8$)« ^ 'Tèt dezen tijd is zeker te brengen, wat
men verder ¥atf kkno ten broek k en KOPPEN JARICH9
óft*j|&ft E 8 verhaalt, namelijk, dat beide verscheidene slui-
i*n m ReMérknd hebben doen verbranden of Vernie-
len en de dijken doorst^en, om het land onder wa-
tert ter laten loepen. Dit s'chijnt zich nader aldus toege-
dragen te hebfeén. -I>é Proost HiSKE abdb*a stond aan
het hoofd der iSchièrfngeri in Oostfriesland, en in vriend-
schap "mé* > de T teen " Sehierihgsgezinde Groningers. Maar
tfen f voormelde jarö 1 lil3 werd de stad Emden door den
Hoofdlij Kmo i TEN moeke ingenomen en hiske met
de zijnen verdreven, naar Groningen de wijk nemende.
aet Mf t ^WfflPlV 4e ^etkqopets met keno hielden. De
eersten behielden de overhand en trokken nu met kop-
pen jarges aan het hooftl' öp tegen Jonker keno, m
Rei der land zich ophoudende. J abgëb deed eerst in het
sluizen, en toén keno uit
(88) Bist. v. Oostvriesl. bij matth. Anal. IV, p. 183.
Digitized by Googl
77
weerwraak andere in het Groningsche Reiderland, en wel
èe te Reide verbranden en vernielen , waardoor het land
zelf al verder en verder inspoelde. Jabges bezette ver-
volgens , opdat zulks niet meer door den vijand mogt ge-
schieden, Beider-, Munter-, en OterdummerzijL Bij die
gelegenheid zou koppen jabges ook de kerken in Five*
lingpo, die van Mi d wol de in het Oldambt, alsmede het
Zusteren klooster te Reide van gouden en ailveren kost-
baarheden beroofd en daarvan te Kampen Arendsguldons
hebben laten slaan, die men naderhand Koppensguldens
noemde (89). De toestand des lands werd dus doende al
erger en erger. Want hoezeer, volgens de bestaande wet-
ten, de eigenaren der landen en bij ontstentenis van deze,
de ingezetenen der kerspels, waartoe dezelve behoorden,
gehouden /.waren, om voor de hwsteUujg [ der tdijloen te
zorgen , zoo r waren echter eigene* kracfcteu aBemi opbden
duur daartoe te zwak. Zware vloeden., vieAwa erriook m
dezen tijd voor, welke ook Reiderland zullen geteisfcerd
hebben, zooals in 1421 de tweede Mzabei^^MèMim
en de zes volgende jaren. De wateren drongen af meer
en meer daarin door, en bedreigden, zelfs een aanzien-
lijk gedeelte van Fivelingoo, zoowel als het Oldambt
met een volslagen ondergang (90). Deze nood deediiie
stad Groningen benevens de landschappen Hunzingoo en
Fivelingoo in het jaar . M2& mMvk f^ute»; na lang
twisten en talmen , om de ingezetenen ^n^Beiderlandilfce
hulp te komen, znlks doende, niet ait vigrpligting , A maar
uit medelijden met hunnen nood, zonder daaraan in het
vervojg gebonden te züni^^qpaia; n>en gewoon was bij
deze en, andere,, dergelijke gelegenheden ,jrelj ukdttkkeUjk
' •• ' H 'H -A 'ivJt oh n^jv.'sunx) taan f nöV97imv nenjis &i>
(89) Wbitemporp, Jaarb. II , 341—343. Émoos , ^Éêr^ Frjf, Jfift.
t «61, 262. Westendorp meldt, dat do Schièrin^érs de sluizen dood-
gestoken hebben , maar kmmids , dat alp ie kobwef 1 alt 11 de Vctkooper*
verbrand hebben , gelijk ueninoa van koppbit Jlfcda* alléén meldt Ier
kor©» plaato» Wsstbhdoiip sprec^ovftnj^ ^n*r^ A |n«DS<*it
moet Munter- of TemunUrzyl ^ h , }od ^ f, nJi r- I0 f : ^tf
hetgeen hem zeker priester ekgelbebt van Zandeweer medegedeeld had.
b dit berigt juist, dan zou de Dollard reeds toen «oo ver zuidwaarts
doorgedrongen zijn. , — / ,, .. H , ,, 5 ^
Digitized by Google
78
te bepalen (91). De stad Groningen gaf alzoo van elk
huis drie blanken, en van eik gras land, dat te Delf-
zijl uitwaterde , een blank , en Hnnzingoo en Fivelingoo
elk duizend gulden tot de herstelling der Reiderdijken. In
het twintigjarig verbond, hetwelk de landen tusschen de
Lauwers en de Eems, met uitzondering van de stad Gro-
ningen en wel tegen haar, met focko ukena en andere
Oostfriesche Hoofdlingen in 1427 aangingen, werd, onder
andere heilzame punten, besloten: (Art. 8) dat zij, die bui-
ten het Oldambt woonden, maar aldaar goederen hadden
liggen, mede de dijken aldaar zouden moeten maken, bij
verlies van deze hunne bezittingen , ten behoeve van het
algemeene land; en (Art. 10) dat al degenen, die woon-
den boven den Del/dijk (langs het Damsterdiep) tot aan
(Ooster) Hoogebrugge toe , den Oldambtsters een dijk zouden
helpen leggen van Weeterreide af tot in de Wolden; in dier
voege, dat zij, die in het Damster regtsgebied woonden met
hen die woonden in het gebied van haijo bipperda van
Farmsum, zouden helpen slaan den dijk zoover de klei ging,
en de andere die binnen dien dijk woonden met Duurswolde
zouden helpen eppo (gockinga) te Broek (Noord- en Zuid-
broek) en het Wold- Oldambt den dijk voortzetten in de
woudstreek , waar zulks het nuttigst mogt voorkomen ; en
konde men op die wijs den dijk nog niet tot stand bren-
gen, zoo zouden al de Ommelanden bijschieten, opdat ze —
zoo eindigt deze bepaling — door den watersnood niet
\ n .»•••«
—————— ,
(91) Zie westbndobp, Jaarb, II, 404; leg. Staat, I, 145, en
vooral den brief van 1425 des daags na Hemelvaartsdag afgegeven door
ocko ten bkoeke , waarin deze betuigt van de stad Groningen , van
Hunzingoo en Fivelingoo ontvangen te hebben de alzoo toegestane gel-
den tot hnlp van Reiderland om zijne dijken te maken. Men vindt dien
vermeld op het Rtg. v. Chart. bl. 57 en uit het Groningsche Archief
uitgegeven in feiih's Gron. Bdelemregt, II, 538 en voorts in wbstbb-
hoff's Ku,clderkwe*tie, Aa*u bl; 32. Deze brief levert niet alleen een
blyk op van den nood, waarin Reiderland toen verkeerde, maar ts
ook merkwaardig als een der oudste bescheiden van dien aard , ten op-
aigto van Reiderland niet slechts, maar mede van ons overig gewest,
waaruit men ziet, hoe het eene landschap het andere soms te hulpe
kwam tot het bedijken der landen, in buitengewone gevallen. Wtf zul-
len meer voorbeelden daarvan tot de DoUarddijken betrekkelijk ontmoe-
ten, ook t. a. p. bygebragt.
Digitized by Google
79
jammerlijk vergingen (92). De gedachte vloed , de grootste
en laatste van de reeks van dien tijd , welke in het volgende
jaar 1428 voorviel en waarbij de zee de kustlanden op
enkele plaatsen tot aan Drenthe onder water zette, zal de
uitvoering dezer bepalingen zoo niet verijdeld toch groote-
Jijks verhinderd — maar des te noodzakelijker gemaakt heb-
ben. Dat men ook ernstig hierop de handen aan het werk
heeft geslagen, blijkt uit een bescheid van 1429, inhou-
dende , dat eppo gockinga en andere gekozene dijkreg-
ters tot de Reiderdijken , ten einde voor derzelver her-
stelling te zorgen — zeker ingevolge voorzeide besluiten —
de kerspels Middelbert en Engelbert, die hiertoe niet op-
kwamen , hebben opgeroepen en aangemaand tot de mede
....... . > 'u« . 'i ••
(92) Zie tak idsinga , Staatsrecht , II , 347 , 348 , waar dit geheele
verbond is opgegeven uit de Stads Archieven, hier nog berustende en
blijkende te zijn van den 5den dag na Paschen (25 April) 1427, zoodat
hy het teregt op dat jaar , maar bmmius (Rer. Fris. HisL t 307 , 308)
verkeerdelijk op het jaar 1428 stelt. Suur (Ost/r. Klöster , S. 141)
geeft er het bepaalde in Art 10 omtrent de bedijking van op nit het
afschrift van bmmiüb , dat onder zijne in het Archief te Anrich bewaarde
papieren bernst. Hij verdedigt ook (HHuptl. 0$i/r. S. 136) ïmjiius opgaaf
van het jaartal 1428 tegen wiarda , Ost/r. Gesch. I, 435, die iDawaA
volgt, gelijk de Teg. Staat, I, 149, weder emmiüb , omdat het beloop
der zaken niet zoude strooken met het jaar 1427 , dat wij echter niet
inzien, daar focko zoowel in 1427 als in 1428 in ons gewest is ge-
weest. Westendorp brengt, behalve dit verbond op het jaar 1427 en
genoemde bepalingen daaruit (Jaarb. II, 430, 431), ook nog uit de
Ckronica der Freestn op het jaar 1428 bij (bl. 440, 441), hoe in dit jaar
focko ckeka en andere medeverbondene Oostfriesche Hoofdlingen met de
O ld ambtster Hoofdlingen eppo gockinga en menno hou wek da en eenige
prelaten uit de landen tusschen Eems en Lauwers waren overeengeko-
men de dijken in het Oldambt en in Reiderland langs den Dollard , die
reeds gedurende twee jaren hadden opengelegen voor eb en vloed , te
maken en nog andere gewigtige punten, de wet en regtspleging betref-
fende , hadden vastgesteld. Maar bhjkbaar doelt dit op hetzelfde ver-
bond, en zal das niet als een ander verbond, dan bovenstaand, te be-
schouwen zyn, geluk W. het opgeeft Afschrift van bovengemelde Ar-
tikelen met het 9de over het ophouden van het Drentsche water, cn
het begin en slot des verbonds zijn o. a. stukken ook gevoegd bij een
Request door volmagten van het kerspel Winschoten in Julij 1651 inge-
diend aan de Staten van Groningen en Ommelanden en aanwezig in het
Archief Tan dat kerspel, volgens mededeeling daarvan door den heer
Mr. r. de sitter gedaan. Men heeft er zich dus toen nog op beroepen
en die bepalingen als geldig beschouwd.
Digitized by Google
80
deelneming aan dit goede werk; doch vruchteloos, om-
dat deze kerspels zich daartoe ongehouden achten (93) —
en dit te regt; want volgens de bovengemelde bepaling
waren alleen zij die in Pmelmgoo woonden tot het dijk-
werk verbonden, niet die van het QooTégt , waartoe voor -
noemde dorpen behoorden. Die bedijking zal dus tot
stand gekomen zijn, ondanks de tegenkanting, welke dit
verbond al dadelijk, vooral van de stad Groningen ónder-
vond , en de onlusten , welke daaruit ontstonden. Zij wist,
na FOCKO's ondergang, die spoedig hierop volgde, weder
de Ommelanden aan zich te verbinden , de magt der 01-
dambtster Hoofdlingen, houwebda en gockinga, die
zich aan het verbond wilden houden, te fnuiken; — en zoo
werd Groningen genoegzaam weder het hoofd der Omme-
landen en meester van het Oldambt De dood van eppo
gockinga in 1444 stelde haar zelfs, volgens verdrag met
hem ingegaan, in het bezit van deszelfs goederen en ge-
regtigheden, ook aldus in het ambt van Dijkregter in het
Oldambt , hetwelk hij uitoefende. En nu trok zich de
stad de herstelling van de Reider Dollarddyken aan , die
intusschen weder geleden moeten hebben, misschien in
>i\i>'j iU;y ito AU, uulrt-j Sa. >/{<{». . ■i..;?j'if><iWi| u A\*ja f ^ r fo«**
- ■ •
• . • - ' '\ ' " ' ' .: : ' .
(9*) WiSTMDOiF, Jaarb. II, 450, Reg. der Charters, bl. 61 , voor-
handen in het Stads Archief. — Onzeker latende of hiertoe al dan niet
behoort, vermelden wfl hier eenc uitspraak van 1428, in een verschil,
gerezen over het leggen van een gedeelte van een nienwen dijk, tus-
schen de Klooetelingen van Termanten en die van Warfum , welke hier
ook landerijen schijnen te hebben bezeten, als webtbkdorp, welke die
uitspraak uit een H. 8. mededeelt (Jaarb, II , 443), hier goed gelexen
en er ook niet Wartum heeft gestaan, als meer zeker beneden. De
regters van de kerspels Klein-Termunten , Oterdam, Woldendorp en
Borgsweer besloten , dat de Kloosterlingen te Ter-munten , wegens hun
landgoed in Lesterhuis , met 40 roeden bezwaard en het overige tot
aan Wartum (zoo als loer gelezen zal moeten worden, en niet "War-
in het II. 8.) door de gezegde gemeenten
die met de
i, maar ook op zich zelf kan ge-
hebben. Op de Dollardkaarten wordt eene inlegging van den
op het jaar 1486 aangewezen; deze zal, als zooveel later, hier
dus wel niet in aanmerking kunnen komen. '
Digitized by Google
81
den stormvloed van 1436 , of verwaarloosd zullen zijn ge-
worden. Zij vorderde in Let jaar 141 1 van do kerspels
Midwolde, Finserwolde, Oostwoldo, Scheemda en Eexta,
dat zij hiertoe de behulpzame hand zouden bieden; maar
deze kerspels gaven aan dit opontbod geen gehoor (94).
In 1454 zou eindelijk, volgens sommige opgaven, onder
het opzigt van den Raadsheer gosen dulk, die toen
Drost of Ambtman van het Oldambt was, op kosten van
Stad en Ommelanden en van het Oldambt, een dijk ge-
legd zijn van Jansum af tot Finsencolde, Zoo schrijft em-
MIUS op dat jaar, en misschien wel in navolging van of
althans eensluidend met de verklaring van 1505 , waar-
in gezegd wordt: „dat van Jamem" (d. i. bier zooveel als
Heide en wel Westerreide) „een dijk gelecjit is geweest tot
„np Tysweer, Palmaer, der Swage end voert up Innser-
„wolde, dewelcke, soe do Kellener" (van Mcntcrne oi
Grijze Monnikenklooster) „in des Oouvents olde Registers be-
tonden heft, omtrent anno 1454 gelecht, doen zalige GOE-
DEN VAN DüLCK, Castelein van den Oldenampte waer."
Het verdrag zelf over die indijking, in het Groningse li
Archief nog overig, en dat wij onder Bijlage IX in zijn
geheel zullen mededeelen , spreekt echter alleen van eene
bedijking in het Wold- Oldambt van Palmar tot Finser-
wolde of omgekeerd, en het waren, volgens hetzelve, de
gemagtigden van Stad en Lande oosen van dulck^UL-
GER VAN NOORDDIJK, CLAWES TER BRTGGEN , LTWWlG
HOERNKINGH, Kastelein, JOIIAN RENGERS CU EG GERT K
ripperda, die met de Iloofdlingen , Regters en de gan-
sche gemeente van het Oldambt , onder toestemming van
de Prelaten der kloosters te Termimten, Witteiwerum , Hei-
ligerlee, Oosterwierum en Golthoom, overeen zijn gekomen
de Reiderdijken tusschen Palmar en Finsencolde te maken
en staande te houden. Tot dat einde zou ieder , geestelijke
zoowel als wereldlijke , zijn land aangeven en laten opteeke-
nen, dat tusschen beide plaatsen was gelegen en met den
nieuw r en dijk mogt gewonnen worden, en hiernaar tot de
onkosten bijdragen; wie dit niet deed, zou geene aanspraak-
meer hebben op het land. Men maakte ook schikkingen
voor het geval dat de nieuwe dijk weder inbrak, — alsot
(94) Emnus, Rer. Fris. HisL f. 356. Westend. 'Jaarb: li, ROlïr;
O
82
men daarvoor reeds vrees koesterde (95). Uit de opgege-
vene rigting van dezen dijk kan men opmaken, dat hij
misschien een vervolg was van den vroeger reeds gelegden
dijk in het Klei-Oldambt en met dezen van Finserwolde tot
omstreeks den hoek van Keide zal geloopen hebben, meer
of min zuid en noord in eene regte lijn, waar binnen de
waterplas dezerzijds nog begrensd werd, zoodat een groot
deel van het Oldambt en Keiderland toen nog behouden bleef.
Tot de uitbreiding van het gezag der stad over den wa-
terstaat van het Oldambt bragt niet weinig bij , dat dat land-
schap in 1456 aan haar toestond het aanstellen van een zijl-
regter aldaar, en dit regt met de opkomsten en de vissche-
rijen overdroeg, doch beide toen nog slechts voor den tijd
van vijfentwintig jaren (96). Waarschijnlijk is dit Zijlregter-
of Zijlmeesterschap der Oldambten, zooals het heette, hetzelf-
de als de gewigtige betrekking van Overste Schepper, welke
de Drost, even als het straks genoemde Opper- Dijkreg-
terschap , later in haar naam voor vast bekleedde en zij al-
dus aan zich heeft behouden. ,
(95) De Teg. Staat, I, 166 en II, 233 verstaat het ook alleen van den
dijk van Palmar tot Finserwolde en haalt uit het Stads Archief C. 1 , 12
aan: MS. accoord tusschen de Stad en Landen met de Abten van Ter
Munten en Werum, den Proost van Hilligerlee , en de Commandeurs van
Oosterwierum en Golthoom; westendorp, Jaarb. II, 537, even als em-
miüs , van den gcheelen dijk van Reide tot Finserwolde en brengt dit in
verband met eene bedijking aan de Oostfriesche zijde van Pogum over
Bonde , de Boner en oude Schans en zoo verder ten zuiden van Blijharn
noordwaarts naar Winschoten langs de Beerta tot laatstgemelde plaats,
waarvan echter niets bekend is. Hij haalt mede aan: Het verbond tus-
schen Stad en Landen en tusschen hovelingen , regteren en meene meente van
den Oldampte, over het maken en onderhouden der Reiderdijken tusschen
Palmar en Finserwolde , ook van 1454 in het Archief der Stad Gronin-
gen , als een afzonderlijk Charter ; maar beide zijn één , als ons de in-
zage daarvan heeft bewezen. Het is echter niet in het oorspronkelijke in
het Stads Archief meer voorhanden , wel in meerdere afschriften voor een
deel ook opgenomen in Beil. I, achter butjr, Klöst. Ostfr. S. 141, 142.
Wat nog de personen betreft , die het verdrag sloten , zoo waren van de
gevolmagtigden der Stad gosen van dtjlck waarschijnlijk Drost van het
Oldambt en ltjdwio hoernkingh Kastelein van het kasteel der hoü-
werda's te Termunten , immers nog wel dezelfde van dien naam als die
het eerst ten jare 1438 daartoe aangesteld werd (westendorp, Jaarb.
II, 492).
(96) Westendorp, Jaarb. II, 547. Reg. der Chart. bl. 81.
Digitized by Googl
83
Niettegenstaande de zorg, welke de stad zal besteed
hebben aan de instandhouding des nieuwen Dollarddijks ,
hield deze echter slechts ruim 40 jaren stand. Ten tijde
namelijk der Saksische krijgsberoerten liet men deszelfs on-
derhoud liggen ; hierdoor onbestand geworden tegen de
kracht des waters , werd hij eindelijk door zware vloeden ,
welke er toenmaals voorvielen, weggeslagen. Volgens de
verklaring van 1565 brak de dijk het eerst door in 1507 in
de Gaddvnge hom (een voormaligen dijkhoek bij Reide) , en
werd hij het volgende jaar wel weder hersteld en ingelegd ,
maar brak in 1518, 1519 of daaromstreeks (de getuigen
konden den juisten tijd daarvan niet zeker opgeven) weder
door. Het jaar 1507 wordt ook op de Dollardkaarten , op
de meeste waarvan de dijk van 1454 geteekend is, als dat
der doorbraak opgegeven , en deze wel aan de doorsnijding
der Tjam, tusschen Eeiderwolde en Palmar. Het is ech-
ter de vraag of deze aanwijzing, even als de rigting van
den dijk wel juist zij, daar zulks inet de ligging van die
plaatsen , zoo als wij zagen (bl. 34) , niet het geval is. De
tweede doorbraak zal ook misschien niet omstreeks 1518 of
1519 gebeurd zijn, maar veeleer reeds in 1509, aangezien
men op de eerstgenoemde jaren niet, maar wel op het
laatstgenoemde jaar overstroomingen vermeld vindt en uit-
drukkelijk dit bij bening A , dat toen de Gaddinge horne en
de Swallich weder zijn ingebroken (97). Emmius verhaalt
van den watervloed in 1509 een paar opmerkelijke gebeur-
tenissen, waaruit men de aanzienlijke verwoesting kan op-
maken , welke die vloed in het land , om den Dollard gele-
gen , moet aangerigt hebben. In het Oldambt werd name-
lijk bij die gelegenheid een stuk land, met 10 of 12 stuks
(97) De hier b\j beninga (matth. Anal. IV, 475) genoemde Gad-
dingeAom zal wel dezelfde plaats zijn als de boven vermelde met dien
naam in de verklaring van 1565 en misschien dien naam hebben van
de o Ai>ms o-en , eene aanzienlijke familie in het Klei -Oldambt (Menterna),
van wier twist met de foucringen in do Wicrnmmcr Jaarboeken mel-
ding wordt gemaakt op het jaar 1276 (matth. Anal II, 190). De
Swallich zal z\jn de Dollarddyk aan de Oostfriesche zijde , dus genoemd
op de Dollardkaarten, of Schwelchdijk , Swechdijk; Zwelgdijk (Schwehj-
deich) bfl arends, Watervl. bl. 340; indien men er niet Zwaagdijk on-
der nebbe te verstaan, zal het beteekenen den weldiy of stevigen zee-
dijk.
Digitized by Google
84
groot vee daarop grazende, door het water opgeligt, dreef,
door den westewind voortgestuwd, over den Dollard en ge-
raakte in Reiderlaud, aan de Oostfriesche zijde, weder vast
met het vee; dit gaf naderhand aanleiding tot een regts-
geding tusschen de eigenaren van het weggespoelde land
en de bewoners der streek, alwaar hetzelve zich had vast
gezet. Ook spoelden er verscheidene groote eiken en an-
dere boomen bij het klooster Dunebroek met hunnen grond
los, en dreven een tijdlang op het water heen en weder,
totdat zij ten laatste bij andere boomen op hooger liggend
land weder vast raakten. Hier groeiden zij zelfs nog vele
jaren welig voort; een der eiken stond nog in 1530 in
zijn volle kracht en luister daar (98). Eene herhaalde in-
braak van den weder herstelden dijk mag dan nog la-
ter, en wel in den St. Catharina- vloed van 1516, plaats
gehad hebben (99), zoodat omstreeks het jaar 1519, vol-
gens emmius, met algemeene krachten weder een nieuwe
dijk gelegd werd, die echter evenmin stand hield, tot
dat eindelijk , bijna twintig jaren later , dit gelukte en den
Dollard nu meer paal en perk gesteld is geworden (100).
Volgens de verklaring van 1565 schijnt het echter zoo te
moeten verstaan worden, dat sedert 1519 achtereenvolgens
(98) Emmius, Rer. Fris. Bist. f. 676. Arekds , Watervl. bl. 60.
(99) Hoe de Dollardbednking geloden heeft door den St. Catharina-
vloed van 1516, welke een springvloed was en, naar men wil, de
hoogste sedert 100 jaren in Friesland (abksds, Watervl. bl. 63), blijkt
uit eeuo Stadsverzegeling van dat jaar, Saturdag voor Bomfacii, vol-
gens welke de Stad wegens den zwaren watersnood door de inbraak der
Oostersche dijken, aooals de Dollarddijken hier en in het vervolg meer
genoemd worden , de hnlp had ingeroepen der Ommelanden tot der-
zelver herstel voor deze keer en die landen daarin hebben toegestemd
en wel op die wijze, dat elke tweehonderd grazen, jukken, deimaten
en groote honderden, nitwaterende door Winsumer zijl, Schaaphalster
ztfl of Delfzijl zouden maken drie roeden dijks of geven vyf Arnhemsche
guldens voor olke roede dijks enz. Deze verzegeling berust in de ver-
zameling van wglen den Hepr Mr. o. j. kxiser en ia voor een deel af-
gedrukt in feith's Gron. Beklemregt, II, 539, en in westerhoff's
Kwelderkioestie , Aant. bl. 33. Hiertoe is dan waarsch'ynujk betrekkelijk
zoodanige hulp tot horstel der Oostersche dijken door de stads Hamme-
rikken verleend, volgens acte daarvan des jaars 1518, aangehaald in
feith's aangevuld Register van db sitter , ons ten dienste afgestaan.
(100) Chorogr. f. 40.
Digitized by Google
85
de onderscheidene dijkpanden van Oterdum over Termun-
ten, Reide, Fimel, naar de Zwaag, gemaakt zijn, zooals
zij nog op dien tijd bestonden, en dat er dus eigenlijk na
1519 geene nieuwe inlegging aldaar zou geschied zijn , maar
het jaartal, hetwelk emmius daarvan opgeeft, namelijk 1539,
▼oor dat der verdere voltooijing van den Dollarddijk ( zal
moeten gehouden worden. Diens legging wordt anders
op de Dollardkaarten en gewoonlijk later op het jaar
1545 gesteld, maai- dit kan in zoo verre ook hiermede
over een gebragt worden , dat toen eerst de geheele dijk
voltooid mag zijn. Want het bovenstaande ziet alleen op
de indijking van het Klei-Oldambt, en zoo min als deze,
zal de verdere bedijking van den Dollard in één jaar af-
geloopen zijn. Feith zegt, zich niet te herinneren ooit
eenige papieren of aanteekenirigen , rakende de bedijking
van 1545, gevonden te hebben (101). Ons is ook niet
meer dan het bovenstaande en overigens geen zeker blijk
omtrent haren aanleg voorgekomen, of dat er bepaal-
delijk op dat jaar zoodanige algemeene bedijking geschied
of volbragt is. Hoe dit zij, na alzoo meermalen , sinds
1507 zeker driemalen, ingebroken en ingelegd te zijn,
verkreeg de Dollard, althans deszelfs westelijke boezem,
zijne volle grootte. Het land wordt in voornoemde verkla-
ring gezegd daarbij soms, en wel omstreeks het jaar 1518,
zoo open gelegen te hebben, met gebrokene dijken, voor
ebbe en vloed, dat het zoute Dollard water er vrij in, en
door de Winsummer en andere zijlen, op de oostzijde in
het Reitdiep uitwaterende , weder uitliep. Telkens werd de
bedijking met algemeene hulp der Ommelanden , en wel
van die ten oosten van het Reitdiep waren gelegen, tot
stand gebragt , maar het onderhoud alleen viel den inwoners
zoo bezwaarlijk, dat velen liever, door de Staten der Pro-
vincie daartoe gedrongen, niet alleen hun land, hetwelk zij
aldaar hadden liggen, maar ook dat, wat zij in andere
kwartieren bezaten, aan hen overgaven, om van het on-
derhoud der dijken bevrijd te zijn. Dit had — luidens de
de verklaring van 1565, die hoofdzakelijk tot uitwijzing
daarvan schijnt ingenomen te zijn — plaats ten jare 1549,
(101) Gron. liekkmr. II, 323.
Digitized by Google
86
en ten gevolge daarvan is toen de dijk van Pimel tot
Reide geheel, en twee deelen van den toemaligen zomer-
of kadijk van Fimel naar de Zwaag , ten laste der Pro-
vincie gekomen. Hoe vroeger in 1535 reeds de hoek van
Reide aan de Provincie is afgestaan, door het Nonnen-
klooster aldaar , hebben wij reeds aangeteekend (bL
35). — Volgens een berigt van abel eppens in zijne Kro-
nijk, leed het dorp Wagenborgen in het jaar 1538 zoo
zwaar door een watervloed, dat het ook van zijne lan-
derijen aan de stad Groningen moest overgeven (102). —
De bedijking had overigens in het Oldambt (waarvan hier
voornamelijk sprake is) telkens plaats , onder het toezigt
van deze stad of van den Drost als Dijkregter, die van
harentwege in dat landschap aangesteld was , hetwelk
deswege veel aan die stad verschuldigd was. Zoo werd
ook in 1452 de Eerste Dijkbrief van het Oldambt (Zaturdag
na Paaschacïit) opgemaakt en wel zoogenoemd , omdat deze
de eerste was onder haar bestuur over dit gewest , zijnde
hernieuwd in 1563 (21 Mei) en 1573 (6 Julij) , want er
bestonden immers al vroeger verordeningen omtrent het
dijkwezen en den waterstaat aldaar, zoo als die van
1441 en andere voormelde uitwijzen. Wij vermelden hier
ook nog de onderscheidene mandamenten of bevelschrif-
ten in de jaren 1542, 1543, 1546 en 1547 door Burge-
meesteren en Raad uitgevaardigd omtrent de Oldambtster
dijken, een mede van Stadhouder en Hoofdmannen tot
herstel van de zeedijken van Fimel tot Reide enz. van
den jare 1549 en andere verordeningen meer van om-
streeks dien tijd en tot deze en gene Dollarddijken be-
trekking hebbende (103). Aan hare zorg en die der Pro-
(102) Teg. Staat y II, 225. Ia arends , Watervl. staat dit op het
jaar 1531. Men noemde deze overdragt of afstand der landen: de spa-
de op den dijk zetten of schieten t naar de symbolische handeling, welke
daarbij plaats had en waarmede hij , die zulks deed , met don dij k ook
afstand deed van al zyne landen en goederen daaronder gehoorig of
ook wel elders gelegen. Zoo werd dit laatste bepaald bjj de gezegde
overdragt van de Dollarddijken aan de Provincie, ook in de veraege-
ling van 1516 en volgende nader te vermelden. Zie voorts over deze
oude Friesche regtsgewoonte feith's Gron. Beklemregt, I, 67 en elders.
(103) Die op het Register van db sittee aangeteekend staande en in
het Stads Archief voorhandonc Mandamenten enz. luiden nader: M. van
Digitized by Google
87
vinciale Staten had men dan ook te danken , dat zij staan-
de bleven in of weder hersteld werden na de stormvloe-
den, welke dezelve in den loop dezer eeuw nog te verdu-
ren hadden, vóór dat namelijk, door de herdijking des
lands, nieuwe zeedijken de oude vervingen. Waar dit het
geval niet was , noch tot heden toe werd , te weten om
en ten zuiden van den hoek van Reide, had en heeft
nog steeds het behouden van dien dijk inzonderheid veel
moeite in , en is dit pand dan ook voortdurend ten alge-
meene laste van de Provincie of het Rijk gebleven. Be-
halve de vloeden van den 1 April 1554 en 16 Mei
1561 (104), was het bovenal de vreeselijke Allerheiligen -
B. en R. v. Gr. nopens de Oldambster Dijkagien (tusschen Reide en Dallin-
geweer) , 1542, Maand, na Zondag-Judica. Dito 8 Maart Zeven Manda-
menten van 1543; deze betreffen het leggen van een hoofd bij Hamken-
pad, waartoe zou worden gebruikt de afbraak van de oude kerken te
Winschoten en te Oostwolde , boven (bl. 49) reeds vermeld. Dit hoofd
en oord is ons overigens onbekend. Verbod aan de Zuid- en Noord-
broeksters om eenige landen over de Ae te graven af te gebruiken, 1545.
M. van B. en R. omtrent de dijkagie in den Oldambte, 1546. Dit is
eene aanschrijving aan de ingezetenen van Borgswecr en Lalleweer om
3 a. 4 gevolmagtigden te zenden tot het plaatsen van het hoofd in God-
dinghorne. Dito van 1547 (omtrent de Oldambtster dijken tusschen Fimel
en Swaag). Twee Stads Commissien tot het bekleden van de posten van
Ambtman en Dijkgrave in den Oldambte, 1547. Mandament van Stadhou-
der en Hoofdmannen, B. en R. enz. tot herstelling van de zeedijken van
Fhnel tot Reide enz. 2 Julij 1549. Accoord tusschen de Ommelanden en
het Karspel van Groot- Termunten over de Zomerdijk , daags na Martini,
1551.
(104) Tot den herstel van door die vloeden beschadigde Dollarddij-
ken zullen betrekking hebben de volgende op meer genoemd Register en
het Archief zich bevindende bescheiden: Mandament nopens de Ooster-
sche dijken , 1554. Raadssententie omtrent den dijk te Wagenborgen, van
dat jaar. Handelingen tusschen Stad en Lande over de reparatie der Oos-
tersche dijken te Reide, Fimel, de Ztvaag , 2 Oct. 1561. Raadssententien ,
waarin de Dijkregters van Noordbroek worden aangehouden om ter keering
van het water hun dijk of Zijdwende in een beteren staat te brengen, 14
Febr. 1560, 25 Sept. 1561 en 13 Maart 1562. Aanschrijving van de
Vrouwe Gouvernante aan Stad en Lande om orde te stellen , dat bij pro-
visie de Ooster sche dijken gemaakt werden, 11 Jan. en 15 Nov. 1565.
Missive van B. en R. aan den Abt van Termunten nopens Dijkagie, 9
April 1566. Landdagsuitschrijving van Stadhouder en Hoofdmannen no-
pens de Oostersche dijken, 13 Oct. 1567. Missive van B. en R. aan den
Ommelander Syndicus fetbk van zwll , nopens de Oostersche dijken, 23
Dtc. 1567.
Digitized by Google
vloed Ae^ jaar* 1530, welke ook zijne vernielende kracht
aan de Dollarddijken deed gevoelen, zoodat hier en daar
het land jaren achtereen open bleef liggen, en bloot stond
voor de herhaalde vloeden van 1572 , 1573 en 1575, zoo
zelfs dat de Zomerdijk bij Wagenborgen een tijd lang tot
zeedijk heeft gediend. Men kan zulks opmaken uit de
reeks van verordeningen , tot herstel der Dollarddijken in
die jaren door de Regering der Stad en Provincie geno-
men. Hóógst verdienstelijk heeft zich toen ook in dezen
hier, zoowel als in Friesland, door zijne wel strenge maar
heilzame maatregelen gemaakt de toenmalige Spaansche
Stadhonder van beide provinciën gaspar de robles van
bïlly/, wiens tusschenkomst zoo nuttig, ja noodig was, om
de twisten bij te leggen, tusschen de Stad en Ommelan-
den en met Oldambt daarover gerezen, en om de nalati-
gen «n onwilligen tot het maken der dijkpanden te dwingen
en den önvërmogenden daartoe bijstand te verleenen (105>
s '\ivSj\ rsA.<É,'». »».!•; t • i . .
. Ajiurjv i:t,'.:,< ..; ■■::,.< uin.,.c . ' ».i •.. • i-
ui.,ibisri j ' : : n„\,< ar »v ui u% .• » ■ ... »..\ ..
(105) De bedoelde verordeningen zijn te talrijk om hier te noemen,
Téèï minder om haren inhoud, hoe kort ook, op te geven. Wij moe-
ten dus hier alleen verwijzen naar voorzegd .Register van de sitteb op
geirielde jaren va» 1570 -en volgende, en voegen hier liever nog bij wat
"RESQER8 (Kron. I, 248) omtrent den Do Hard en zijne bedijking in dien
tijd mededeelt, wat verward en vooringenomen, zooals hij is, tegen de
stad Groningen, maar genoeg om er ook uit te zien, hoe zorgelijk het
er 'tóen met ^ het land daar gesteld was. „Bouen is gescr." zoo vervolgt
hij K !rier, „wo de dullert gecomen sij: so is darna een dijck gemaket
:, van Reide aff na duerswolt, dewelcke vm des groten wterdijk willen
,janno 1574 wederamt is verlaten als dat hamrick achter wagenborg so
„geweldig is vander* OldampsterB bedijket. De orsake des vorser, dnl-
>,,lerts inbroeck is ^nede gewest, wantct lege landen vnde thom deel
^darchaebtig wöj*mi: ivndo (dar godt vor sij) wen nu oeck de oeatersche
„doeken wech gingen solde een gehjeke dullert to vermoden sijn tus-
„echen Ostorwernm Wagenborg Tiuchen heidenschap Woltersum Meet-
^ hösen tnsschen duerswolt vnde den kleijlanden sint doch all lege vnd
>„ derehachtigo binden, dewelcke m eesten deel niet hoger sint alse de
„dttllarts gromt vnd slijek vp volen p la etsen is, alse tho seen is wen de
,>w4wt eert- tijt lang wtli den oosten weyet heft. De gelegenheit etlicher
«,d\jke» aaden •> eemse is so , dat de nicht konen jngeleeht worden na
•„anno. ló?», vnd vp etliohc piaetsen men eens jngeleeht worden, sodat
^da».^can sorehlicho vergangiiche oert landes is. Deser orsaken haluen
„hebben : anno 1574 de vmliggende landen doer bedewjjse den cleij-
„oldamsters geholpon désen dijken tho maken (dar de anders vrij van
„sint) doch vp seccker conditiën dat de oldampsters horen dijken ronts
Digitized by Google
Voor bet overige weten wij van de laatste bedijking,
hetzij in 1545, hetzij op een anderen tijd volvoerd, even zoo
min ais van de vroegere, iets wat de oostelijke of Oost-
friesche zijde betreft. Behalve de boven reeds vermelde
bedijking van de Geete bij Holtgast door Graaf edsard
in 1494 (bl. 23), hebben wij daaromtrent niets aangetee-
kend gevonden. Dit schijnt ten gevolge van eene inbraak
aldaar geschied te zijn, waaruit wij kunnen besluiten,
hoe diep de Dollard ook aan die zfcde in het land was
gedrongen. Men zal er vroeger zoowel als later meerma-
len pogingen aangewend hebben tot stuiting van den wa-
terwolf; maar of dit in 1454, in verband met den toen
gelegden dijk van Beide tot Finserwolde, is geschied,
„ratl enen dicke breet vnd hoech solden maken, dat de oidampsters
„vnd gronningera niet hebben willen nacomen , na jnholt goeder «egele
„Tnd breren. To dein so licht een stuck landen tusschen Reide vnd Fxwelinge
„»an 1100 graten, datwelck de egeners darum hebben moeten verlaten,
„vnde na lantrecht den spade scheeten, dat se in Termogen niet hadden
„de dij eken to repareren vnd t holden , is derhaluen Tander stadt gron. an-
„veerdet de behoren derhaluen den dij eken damp to maken, dan hebben
„gar wenig vnd Tast nichtes daran willen doen (doch is jm anno 1570 mitten
„nien hamrixdijck nicht Tan daene vnd geen questia meer) derhaluen de
„ gemene vmlanden aldaer vm horen scaden Tortocomen hebben begeert
„sich an recht vnd praesentatien to begeuen , denseluen dijek vp gelyck
„vnd vngelyck tho maken, oiït solden de van gronnigen hoer den dijck
„vnd landen vorec overdoen, protesterende van schaden vnd vngefaü van
„waters jnloep, vnd versoohten, dat by Arenberg darna vnd tho houe,
„dan vergeues, vermits meesten in gronningen gerne een dullert hen om
„hogerbrugge mogelioh segen." Dit laatste zal dus waarschijnujk betrek-
king hebben tot het onderzoek , btf gelegenheid waarvan de beeedigde
verklaring van 1565 voor den Hove is afgelegd. Vervolgens (bl. 359)
meldt kenoers , dat na den herhaaalden vloed in Julfr 1573, toen de
door den vloed van 1570 beschadigde dijken nog maar weinig hermaakt
waren, den 2 Sept. op den Landdag der Ommelanden besloten is, dat
ieder 100 gras aldaar een arbeider zoude geven tot het helpen herstel-
len der Oostersche dijken van hen , welke daartoe onmagtig waren , eens
vooral , zonder consequentie voor 't vervolg en op voorwaarde dat de
stad Groningen hare dijken in het Oldambt even zoo hoog en zwaar
zouden maken, als de Ommelanden de hunne gemaakt hadden, wat
de Stad met verzegelde brieven had beloofd maar niet was nageko-
men, zonder dat de Stadhouder biixt of iemand haar heeft kunnen
brengen tot vervulling van hare belofte. Daaromtrent spreekt mj nog
bl. 366: „Vnde vm dese ttft (1574) hefft de Coronel bylij den oester-
„Kheo dijken besichtiget, wo dat de stadt deselue met makede, vnde
Digitized by Google
zoo als westendorp stelt (106) , dan of zulks mede eerst
in 1545 heeft plaats gehad, volgens de kaarten en ge-
wone opgaven, dit is ons nergens gebleken. Men kan
den loop van dezen of genen uitersten dijk van den Dol-
lard aan dezen en onzen kant echter nog min of meer ze-
ker uit de overgeblevene sporen nagaan. Wij zullen dit,
even als van andere oude zoowel als nieuwere dijken, in
het volgende Hoofdstuk , of bij de geschiedenis daarvan ,
doen, om alzoo, in verband met de grondsgesteldheid,
den geheelen omvang, tot welken de Dollar d zich heeft
uitgestrekt, te kunnen overzien, en op de bijgevoegde
„hefft den landen van Fiwelinge vnde duerswolt doer sijn autoriteet
„doch tegen lantrechto gedwungen dar tho helpen an arbeiden, vnder
„conditiën als bonen vndert jar van 1541 is verhalet. vnde vm dat Co-
„ronels vornemen to den landen beste was, hebben de van Fiwelinge
„consenteert, vnde to dat werck to dijckgrauen ordineert Edtaert ren-
„gers vanden post, Jeronimus Commelduer tho oesterwerum vnd ailco
„wijnken, de een heerlichen dijck van hochte dickte breede als enig
„bol werck vm een er stadt wesen mach in corter tij t vpgerichtet hebben,
„wan te een jder dorp was seecker roeden vnd voeten assigneert vnd
„wen dat vnlmaeckt was toeeh een ieder na hucsz , so dat de van wir-
„dom in acht dagen 10 roeden dijx makeden, so deden oeck de van
„den post, vnd anderen vnd worde in acht er 10 dagen gedaen dar-
„men sonst meer dan 4 off 5 weken sol oner arbeit hebben. In dit jar
„hadden de oldamsters vor dat wagenborger hamrick mit eenen gewal-
„digen Zeodijck tho bedijken vp horen costen, de stadt hilde dit vp,
„vnd meenden den van Fiwelinge de to den Cadijck horen dar bij tho
„brengen vm vorsc. nien d\jck mede tho maken vnde to onderholden,
„den twee delen des nien dgx, mit meer ander swaricheiden , vnde de
„van Fiwelinge presenteerden den hamen dijck to maken vnd vnderhol-
„den wth naestliggende landen. Als de stadt hijrmit niet tho vreden
„was vnd wolden hem de twederden delen vp den hals dringen, jtem
„dat se eertrijck to denselnen solden soecken off copen, jtem een wth-
„wateringe doer Fermsnm vergunnen, so hebbent de vmlanden gante
„affge slagen, vnde de hamrixlueden hebben strax seluest alleene gerne
„gemaket : so dat de cadijck off sommerdyck nu een slaper vnd verlaten
„is. vnd is een exempel wo de stadt alle list in vn gunst vnd schade
„der vmlanden natraehtet." Hier is blijkbaar sprake van den nog zoo
genoemden en bestaanden Zomerdijk alsmede Weer- of Wardijk om Wa-
genborgen , geüjk vqj later zullen zien; onder den eersten zal by ook
bedoelen, den dtfk, waarvan hy, over het ontstaan van den Dollard
sprekende (bL 74), zegt, dat daarna gemaakt is van Reide naar Sülr
deburen . even als boven van Reide naar Duurswold
006) T. a. pL Aam. 95.
Digitized by Googl
91
kaarten aanwijzen (107). De oudste of verste dijklinie duidt
toch niet juist overal dien omvang aan. Zoo ver het aange-
slijkte land of de klei gaat, die door Dollardwateren is aan-
gevoerd, zoo ver kan men veeleer zeggen , dat hij zich heeft
uitgebreid; wel is waar, hier en daar mag hij slechts tijde*
lijk, meer bij enkele overstroormngen den grond hebben be-
spoeld, maar ook deze kan gezegd worden tot zijn gebied
te hebben behoord. Waar dit echter aan de Eems met
de oudere zoowei als de latere aanspoelingen van die rivier
zamenvloeit, is zulks moeyeüjker te bepalen. En bui-
tendien wijst de tegenwoordige grenslijn van het aange-
slijkte land ook niet overal naauwkeurig meer de grens van
den Dollard aan. Waar er slechts eene zoo dunne kleilaag
is achtergelaten , dat deze niet meer dan de diepte van het
ploegen bedraagt, is zij, door vereeniging met den onder-
grond ten gevolge daarvan, op vele plaatsen verdwenen.
In het algemeen echter kan men aannemen, dat die lijn,
of de omvang van het aangeslijkte land, zoo als dit zich
binnenwaarts uitstrekt, ook de uitgebreidheid aanduidt,
welke onze boezem eenmaal heeft ingenomen.
De Dollard heeft alzoo niet op eenmaal, maar voor
en na, in eene tijdruimte van van meer dan derdehalve
eeuw, zijne volle grootte verkregen. Door het leggen
van den dijk van 1454, ging het grootste en beste ooste-
lijke gedeelte van het daar in verzwolgen land verloren ;
slechts het eiland Nesse en andere eilanden bleven nog
min of meer lang met sommige plaatsen over, zelfs eenige
nog, nadat de waterboezem reeds zijne grootste uitgebreid-
(.107) Behalve het Dollardkaartje voornoemd (bL 7j, «\jn er nog van
de oudste kaarten van dit gewest, waarop de Dollard meer of min in zijn
geheel is afgebeeld; ook geteekende kaarten in het Archief dezer stad
op haar last gemaakt Zoo luidt een besluit van den 18 Febr. 1618:
Eene perfecte kaart van de Stad, Stadstafd , 't Gorcgt en de de Oldambten
met dzn Dollard en de Blinken mitsgaders van alle wateren, wegen en li-
mieten te maken en deselve als een seeretum op het Raadhuis te hangen en
U bewaren, zonder dezelve te laten drukken of aan iemand te communiceren
of kopie daaruit te geven. Vroeger, den 20 Jul^ 1611, had rij besloten :
Eene kaarte van de Ulsda onder de jurisdictie van de Stad behoorende en
van de aangrenzende landen te maken. Dese en gene kaarten hebben ons
echter even weinig als de gedrnkte van nut kunnen ajjn, b<| het onder-
teek der oudste bedijkingen, als sünde te ruw en onnaauwkeurig gemaakt.
Digitized by Google
92
heid in het midden der 16de eenw had erlangd, ja hier en
daar reeds weder aanwas en herdijking zelfs begonnen was.
Beide tijdvakken van verlies en herwinst loopen alzoo in
elkander, zoodat men niet juist kan bepalen, wanneer het
een is opgehouden en het ander is aangevangen. De kleine
eilanden dragen op de oude kaarten den naam van Blin-
ken (van hun blinkend voorkomen misschien te midden van
het donkere water), in het bijzonder die groep, welke
noordoostwaarts naar den kant van Pogum niet verre van
de kust was gelegen , en ten zuiden hiervan Jarde of Bon-
der gartenij, Oarmie of Garmeeden en Uiterbeerde (108).
Enkele van deze en gene waren in de 17de eeuw nog
bewoond. Onzerzijds aan den hoek van Reide, wordt er
ook een paar eilandjes aangewezen, maar zonder naam;
op de kaart van stabckenborg staat wel bij het eene
zuidelijke grootste die van Munnicksveen , doch zeker on-
juist, dewijl dit straks nader te noemen eilandje zuid-
oostelijker moet gelegen en beide eilandjes wel tot den
hoek van Reide zullen behoord hebben. De Blinken hiel-
den zelfs stand tot op het laatst der 18de eeuw, zoo als
zij nog op de kaart van beckeringh van 1781 worden
aangewezen, geen echter meer als bewoond. Mogelijk
heeft een gedeelte derzelve zich met den vasten wal ver-
eenigd. Aeends gist dit, omdat de aanwas tusschen Po-
gum en den Heinitspolder den naam voert van Blinken
en Schaafland (109). Dit is ook gebeurd, gelijk reeds ge-
zegd is (bl. 60) , met Nesse of Nesserland, aan de Oostfiie-
sche, alsmede Ulsda en Mnnnihsveen aan onze zijde. Het
eilandje Ulsda bleef als eene zandige hoogte, zoo als de
grond, met grind vermengd, zich noch vertoont, in het zui-
Hun ..it, iTrram OAK^f* mr >: • ■ - -
* (108) Verg. boven bl. 62 en 64. In de MS. Beschrijving van Rei-
der land van 1620 door fbith medegedeeld in de werken van het Gen.
JVo éxcol. Jure Patrio, D. VI, bl. 518 ene., wordt ook onder de eilanden
of Blinken opgenoemd de JEseh met de Gare en Gare- Af eden.
mr/(K») Arrndu , Noordseehuten , II, 185 , 186. HU zegt echter niet wel
met odthof (a. wv bfc 6*4), dat er in 1587 niet meer dan éé*n huis op
een der eilandjes stond , waarin toen bij een stormvloed drie menschen
door het water omkwamen ; want er sullen volgens de nog jongere kaar-
ten, «oo< als 4ie van starckbhboro , nog meer bewoond z\jn geweest,
daar men er op drie verscheidene woningen geteekend vindt.
Digitized by Google
93
den tusschen de monden der Westerwoldsche en Pekel Aa ,
boven de rondom vernielende wateren zich verheffen, ko-
mende de plaats nog in de verdragen van 1391 en 1420 als
de zetel van Reiderlandsche Hoofdüngen voor. Het is na-
derhand weder ingelijfd, en, door verlegging der Pekel Aa,
nu zoowel door deze als door de andere rivier aan eene
zijde omgeven , thans het gehncht van dien naam onder de
Beerta gelegen , te onderscheiden van Klein Ulsda of Ouls-
da t daar tegenover onder Bellingwolde liggende. Mun-
mfoveen lag , volgens oude bescheiden , in het westen van
den Dollard ten noorden van Oostwold, even benoorden
de Oude Geute, zoodat de dijk van Oostwolder Polder van
1769 over dit eilandje gelegd en het zoo aan de vaste
kust gehecht is geworden (110). De thans van den Fin-
serwolder Polder tusschen de Noorder Mijt en de Oude Geute
tot aan de Beerster Moe , waarin zij uitloopen, zich uit-
strekkende aanwas, wordt, zoo als vervolgens zal blijken,
thans als een vervolg daarvan, nog hej Munnikeveen ge-
heeten; en dezen naam droeg het, omdat het kloostergoed
is geweest, en wel waarschynlijk aan het Grfae-monnikefb-
klooster behoord heeft (111). Het mag dus wel niet als
een overblijfsel van den ouden bodem beschouwd worden,
daar het eerst later weder in den nieuwen slijkgrond zal
opgekomen zijn. *, ;X-.> fc-iraaA .b*»«ood
Onder de gevolgen van de inbraak van den Dollard
merken wij hier nog dit op, dat de Eems daardoor
hare oude bedding bijlangs Emden heeft verlaten en eene
nieuwe regtlijnige van Pogum naar Reide gewoeld. Dit
— . . • • ■} ,[. 't- \ ; 1
(110) Het wordt nog zoo in den Dollard aangewezen op eene ge-
teekende kaart Tan de, op last der Staten dezer Provincie, gemetene
polderlanden van Midwolde en Oostwolde van bomtko hennes des jaars
1690, volgens eene kopy gemaakt door p. bchultbtus naar eene kopy
van j. tideman en berustende in het Provinciehuis te Groningen; en als
ingedekt met den dijk van 1769 op de kaart van BïCKTONOTfcr Vttn^b
(111) Tot bewgs hiervan kan dienen, da* het onderde kloosterlanden
dezer provincie voorkomt en wel al» vroeger, gehoorig onder gezegd
klooster, in de stukken de verhuring daarvan betreffende , *oo «te van
1632 ^en latere jaren, volgens Extracten daarvan gegeven door ïbith ,
Gron. Beldemregt,ll, 139, 143; het werd toen nog als hooiland gebruikt.
V. d. aa, Aardrijksk. Woordenb. VII, 1108, gist eehter , dafc he* mis-
schien aan het klooster Heüigerloe of aan dat van Midwolde zou be-
hoord hebben. . w ..,«n../>t:y si* i l«> ' - ! °'
Digitized by Google
94
moet eerst laat en slechts allen gskens plaats hebben ge-
grepen. Nog langen tijd immers, nadat Emden reeds tot
eene stad verheven was, stroomde de rivier in hare volle
kracht onder hare mnren heen, en eerst in de 16de eeuw
schijnt het nieuwe kanaal eene aanmerkelijke grootte ver-
kregen te hebben. Om het groote nadeel, waarmede die
stad hierdoor bedreigd werd, voor te komen, ondernam
rij het inderdaad groote werk, om den stroom te dwingen
zijnen ouden loop te houden, door middel van het oprig-
ten van een paalwerk van Pogum naar Nesserland, dwars
door de nieuw gewoelde bedding heen; een werk , waar-
aan men meer dan 25 jaren , van 1590 tot 1616 , arbeidde
en hetwelk in den beginne volkomen aan deszelfs doel be-
antwoordde, doch , in de onzalige oneenigheden tussohen
de stad en den landsheer veronachtzaamd, door de golven
vernield werd. Men ziet het nog op oude kaarten afge-
teekend en bij de ebbe noch tegenwoordig, althans voor
ettelijke jaren zag men , ten westen van de Pogummer
landtong , nog de afgebrokene palen. Daarop verliet de
Eems hare oude bedding bij Emden voor altijd, en deze
is sedert geheel en al toegeslibt, zoodat men den aanwas
onlangs binnengedijkt en tevens van uit de , nu op een uur
afstand* voorbij de stad loopende, rivier met groote kos-
ten een nieuw kanaal met eene nieuwe haven voor de stad
aangelegd heeft. Daarbij is wat van Nesserland nog over-
gebleven was, geheel aan den vasten wal van Oostfriesland
verbonden geworden (112). Buitendien heeft deze stroom
zijne oevers verwijd, aan de onze, zoowel als aan de Oost-
friesche zijde, gelijk dit reeds gebleken is uit de opgaaf van
het verlies van land aan beide zijden geleden , zoodat de dijk
er meer dan eens heeft moeten ingelegd worden; aan onze
zijde van Termunten naar Farmsum tweemaal volgens de
Dollardkaarten, namelijk in 1486 en in 1578, zoo als op
(112) Zie arends, Noordzeekusten , II, 90. De laatstgenoemde wer-
ken zijn, als later geschied, daarin niet geboekt, maar beschreven in
het belangrijk geschrift van Dr. beinhold, Historiseh-Hydrographiseht
Nachrichten von den Ha/en und andtm Schiffahrls Anstalten in Ostfries-
land, Berl. 1846. Er schynt echter weder vrees te bestaan voor de toe-
s1\jklng van dit kanaal en dit buitendien niet zoo aan het oogmerk te
voldoen als men daarvan verwacht heeft.
Digitized by Googl
deze, of in 1593, 200 als op gene daarbij staat aangetee-
kend (118).
Die inbraak en vorming van den Dollard oefende voorts
niet alleen op het verdronken , maar ook op het omringen-
de overgebleven land grooten invloed uit. Het is ook in
andere opzigten voor de geschiedenis van belang dit op te
merken. Streken werden daardoor vaneen gereten, welke
wel, en andere vereenigd, welke niet tot elkander be-
hoorden. Reiderland , dat oorspronkelijk en van natare in
zijn geheel tot de Friesche landschappen tusschen de Eems
en Lanwers gelegen behoorde — alzoo geheel tot ons ge-
west — werd vooreerst in twee deelen gescheiden, waar-
van het eene tot Oostfriesland kwam en het andere tot
ons gewest. Tot Oostfriesland werd gerekend het nog he-
den zoogenoemde Reiderland en hetgeen van het oostelijk
deel van bet verdronken land eerst nog overbleef, met
name Nesserland en andere eilanden. Zoo behoorde het
stadje Torum> gelijk wij zagen (bi. 61), tot Eemsland in
het begin der 16de eeuw, en is, wat er overschoot van
Nesserland , daarin ingelijfd geworden. Zoo werd een deel
van Beiderland, ten westen in den hoek van Reide, en
een ander deel , ten zuiden in Westerlee , Winschoten , Bcerta
enz. nog overig gebleven, tot het Oldambt gebragt, en
wat nog meer overig schoot van Reiderland op onzen bo-
dem, dat is Blijham en Bellingwolde , van het vorige ge-
scheiden, begrepen onder Westerwolde. Dit bleef nog-
tans een eigen regtstoel vormen en zijn oud Landregt be-
honden , bet reeds genoemde Reiderlandsche en Oldambtster
Landregt, waarvan een gedeelte eerst, waarschijnlijk in
1327 of 1375, in Reiderland en door dit land alleen, in
het klooster Palmar, en een ander gedeelte vervolgens in
1471, te Midwolde, er bij is opgesteld, nu gezamenlijk
door het Wold-Oldambt en het vijfde deel van Reiderland,
waaronder dus het laatste deel althans , zoo niet het vorige
(113) Zie terug bi. 46, 67 en het aangeteekendc uit rkngers op bL 88,
dat wijst op het jaar 1578; dit is misschien dan ook de meer ware aan-
wijzing op de Dollardkaarten of die , volgens welke de dgk van 1486
geduurd heeft tot 1578 en de laatste (alzoo in 1578 ingelegde) dyk uu
ten jare 1593, toen de kaart gemaakt schijnt te zijn, daar gelegen ww -r
niet gelegd, gelijk op andere daarbij staat. Verg. bl. 7.
Digitized by Google
96
mede bedoeld zal zijn (114). Het was lang de twistappel
tusschen de stad Groningen, als Heer van het Oldambt,
en de Bisschoppen van Mnnster en latere Heeren van
Westerwolde, alsmede die van Oostfriesland, waarvan elk
voor zich het bezit daarvan aanmatigde; want niemand
had er eigenlijk eenig regt op, daar Rciderland, even als
de overige Ommelanden, een vrij Friesch landschap was.
De Stad Groningen werd er eindelijk meester van, even
als van het Oldambt en Westerwolde. Behalve en met
deze aardrijks- en staatkundige vervorming bragt het ont-
staan van den Dollard ook groote veranderingen in den
waterstaat van Reiderland en het Oldambt te weeg. Wij
zullen de beste gelegenheid hebben deze bij de volgende
geschiedenis der indijkingen, waarmede die veranderingen
naauw zamenhangen, op te geven.
.. ....
(114) Zie boven bi. 35 en behalve dit Lan dregt, t. a. p. in de Verh.
van Pro Exc. Jur. Pat. D. VI, nader de Beschrijving van Reiderland
opgesteld in 1620, naar 't schijnt, ten betooge dat geheel Reiderland aan
dese provincie en niet aan Oostfriesland behoorde, medegedeeld door
feith in de Aant. achter zijne meergem. Verhandeling, aldaar bl. 518.
Het eerste deel was , volgens die beschrijving , Reide met het verdronkene
Reiderland; het tweede het genoemde vijfde deel van dit landschap of
toen het Gerigte van Winschoten, het derde Westerwolde, het vierde en
vijfde het OottJrie*che Opper- en Neder- Reiderland. Het is echter xeer
de vraag of die verdeeling jnist «g. Wat Westerwolde betreft, voorzeker
niet, alhoewel zij steunt op emmius, die dat land tot Reiderland brengt,
en men deten schrijver hierin algemeen nagevolgd heeft, ook nog ietth.
Wy verwijzen hieromtrent verder naar stratingh. Aloude Staat f enz. II,
147 en v. , waar dit gevoelen is wederlegd.
Digitized by Googl
'i •
> » • ■ •«
•«/;«- • . S . ; Ol
i ö . • * * * * »v
. ! ... i' . . . \ i 4 u ;• . j 1, >v
' •* . *W't' » • f V .
• f ' '* ! . il . ! il *1 • 0 .
* * »i .*• • ♦ : . •» ,0 ,« j
VIERDE HOOPDSTÜK.
Geschiedenis van de indijkingen en van den wederaanwas
van land aan den Dollard t in verband tevens beschouwd
met de veranderingen, welke de waterstaat der omstré- 1
ken daardoor lieeft onaV*gaatf. UVJub * s WMêa
Wij wenden thans onze blikken van het treurige schouw-
spel der verwoesting , dat wij schetsten , af, tot het verblij-
dende tafereel , hetwelk , als een tegenhanger van het eer-
ste, ons de herwinning van land in dezen waterplas aan-
biedt, waardoor het verlies sedert zoo zeer vergoed is
en nog steeds wordt, dat het ongeluk onzer voorzaten een
bron van geluk is geworden voor hunne nazaten en voor
ons. Voor hetgeen het water aan land ontnam gaf het
in meer dan tienvoudige waarde terug; al spoedig, ja
onderwijl de golven nog op de eene plaats vernielend
werkten , bragten zij op eene andere reeds de vruchtbaar-
ste slijk aan en over de oevers . die zij bespoelden en
overstroomden. Zoo deelt de Natuur als het ware met
dezelfde hand, door een en hetzelfde middel , ramp 1 en
zegen uit; en waar zij vernielt, schept zij ook weder. A Al-
dus gaf de opvolgende aanslijking spoeoig gelegenheid $ot
indijkingen van nieuwe landen, welke de schoonste en
jieeriijKste poiuergronaen opieveraen , aie aan nieuwe oioei-
jende dorpen, gehuchten en eene talrijke bevolking net aan-
zijn en welvaart gaven. Doch ook deze hérwinning van
land ging niet zonder gedurigen strijd met het wufte ele-
ment; — maar het was een strijd, waarin niet meer het
water, gelijk voorheen, maar wij — de bewoners*-* over-
7
\ Bayerlsche j
I Bteetsbibiiothek g
^ München J
!
98
winnaars bleven. Wij willen thans de indijkingen van den
Dollard beschrijven, en daarbij de voornaamste lotgeval-
len vermelden , welke haar getroffen hebben , alsmede de
veranderingen , welke hiermede in den waterstaat gepaard
gingen. Wij zullen hierbij de indijkingen verdeelen in die
van den westelijken en oostelijken boezem, als grens daar-
van aannemende den Ganzendijk, en de laatste verder on-
derscheiden in die van het zuidoostelijk en die van het
noordoostetijk gedeelte van dien boezem, of zoo ver het
eerste nog op ons grondgebied, het tweede op Hanno-
versch en wel Oostfriesch gebied , althans nagenoeg , is ge-
legen. Die orde volgende, beginnen wij alzoo met de
indijkingen in den westelijken boezem.
A. Bedijkingen in den Westelijken boezem.
Wij ontmoeten hier dan het eerst den Dollarddijk van
Reide , maar zullen vooraf nog een woord spreken over
den Eemsdijk van Delfzijl of Farmsum af tot dat punt,
als hiertoe meer of min ook behoorende en daarmede in
verband staande.
Deze Eemsdijk is aan deze en gene zijde van Oterdum op
twee of drie plaatsen dubbel , bestaande hier , behalve uit den
zee- of bmtendijk, ook nog uit een binnen- of zoogenaamden
slaperdijk , en sluitende alzoo twee of drie smalle polders in.
De eene dijk is echter meer voor eene versterking van den
ander te beschouwen, dan eene wezenlijke inpoldering. De
slaperdijk van Oterdum naar Termunten zou, volgens som-
mige Dollardkaarten (veeburgh) , in 1705 gelegd zijn. De
zee- of buitendijk is misschien nog dezelfde , als bij de laat-
ste bekende uitlegging in 1578 of 1593 gelegd is (bi. 95).
Meer is daarvan niet bekend, noch van andere dijken.
Er loopt wel tusschen Weiwerd en Heveskes , van den
Eemsdijk af naar den Zomerdijk, eene oude kaaijing,
waarnaar nog de naburige Kaaijen Laan zoo geheeten is,
van 8 — 10 palm hoogte, waaraan, telkens op eene tus-
schen wijdte van omtrent 7 minuten , zich 5 diepe kol-
ken opdoen, die tot bewijs strekken van felle doorbra-
ken ; maar deze bekading zal eene oude waterkeering en
scheiding tusschen het Termunter en het Oterdummer Zijl-
vest zijn, die echter nu en dan ook wel tot wering van
Digitized by Google
het buiten- of Dollardwater kan gediend hebben en daar-
door ingebroken zijn , evenals ook de Zomerdijk verder
zal zijn te beschouwen.
De landpunt zelve van Reide is door haren hoogen en
vasten kleigrond staande gebleven en behouden ook door
kunst, schoon buiten de eigenlijke dijklinie gelegen. Van
het punt, waar de Eemsdijk in den Dollarddijk overgaat,
maakt deze tegenwoordige dijk tot daar, waar de nieuwe
hieraan sluiten, nog de eenige bedijking uit. Deze laat
zich vervolgen en wel als de oude dijk van 1545 — hij wordt
althans daarvoor gehouden , zoodat wij hem ook zoo zullen
blijven noemen — in den weg naar Oostwolder Hamrik
en Nieuwolda, welke beide op dezen ouden dijk gebouwd
zijn, dien men hier ook den Oude-Ae weg genoemd vindt,
tot daar, waar hij het Termunter Zijldiep bereikt, en hier-
over een eind weegs langs dit diep tot het Waar. De
arbeidershuisjes, die digt bij den Gare of Geere weg,
waar deze bij het Zijldiep aan dien weg en ouden dijk aan-
sluit , staan , worden nog huizen op den dijk of dijkhuisjes
genoemd. Van het Waar liep hij langs den weg naar
Nieuw-Scheemda. Benoorden en bezuiden dit dorp bevin-
den zich nog twee stukjes land, die beide deDijkskamp hee-
ten , en bij het eerste ligt nog eene kolk. Van het laatste
liep de dijk wat westelijk van den Scheemder Dwarsweg
langs de rij boerenwoningen, die nog op denzelven staan,
naar den Oude-dijkerweg , die hiervan nog dezen naam
draagt, en zoo leidt tot het Scheemder Tolhek aan het
Winschoterdiep en de grens maakt tusschen Zuidbrock
en Scheemda. Toen de grindweg nog niet aangelegd was ,
was er in den kleiweg bij dat Tolhek eene dubbele bogt,
die voor den op- en afrid van den dijk noodig was. Op
de kaarten van beckeringh en ook nog van jappé is deze
dijk alleen van het Waar tot aan het Tolhek — en daar
tusschen ook nog niet juist — geteekend en in zijn vervolg
naar de Scheemda geheel niet, noch verder als zoodanig. Van
het Tolhek ging hij namelijk eerst door de Oude Ae, welke
van Muntendam , en dan langs en voorts over die , welke
van de Meeden derwaarts komt , door het aangeslijkte land
van dit dorp en van de Eexta met eene zuidelijke bogt,
eerst oostwaarts en dan met een hoek noordwaarts naar
en voorbij deze laatste plaats en Scheemda. Deze zijne
Digitized by Google
100
rigting wijst het vijftal kolken aan , tusschen het Tolhek
en de Eexta gelegen , alsmede die der dwarsslooten bij
dit dorp , welke vroeger bermslooten waren. Die kol-
ken zullen waarschijnlijk ten gevolge van eene door-
braak bij een noordwesten wind ontstaan zijn. Zuidoos-
telijk van die kolken is de kleigrond wel tot op 10 el
afstand en verder met 6 a 7 p. zand bedekt. Dit ver-
schijnsel laat zich dus verklaren. De snelheid van den
stroom , die door het dijkgat stortte , woelde het zand diep
naar onderen los , en het water liet , na het gat door in
de ruimte zijdelings te zijn uitgevloeid , door verlies van
snelheid , dat weder vallen. Van de Scheemda liep de
dijk van 1545 noordwaarts met eenige hoeken naar de ou-
de Mid wolder kerk of het kerkhof daarvan nog overig,
zoodat die kerk nog steeds binnen de bedijking is geble-
ven. Op Scheemder grondgebied wijst een paar boeren-
plaatsen , met den naam van Oude dijk , op dat van Midwol-
de eene kolk , even voorbij de plaats , waar hij den Gare
weg doorsnijdt , en een drietal bij het oude Midwolder kerk-
hof hom nog aan , zijnde voorts tot hier en verder oostwaarts
tot aan den dijk van 1701 nog merkbaar in de overgeblevene
dwarsslooten. Bij den aanleg van dien dijk daartoe ge-
bezigd en verzwaard zijnde en daardoor meer overig en wel
zoogenoemd, loopt hij voorbij Oostwold en Golthoorn, waar
hij vóór 1825 nog bestond en de Westerdijk en vervolgens
de Müseldijk wordt geheeten, tot Finserwolde, van welke
plaats wij hem later langs den oostelijken Dollardboezem
zullen vervolgen , kunnende het nog tegenwoordige be-
staande vervolg van den Müseldijk , dat noordwaarts strekt
tot den dijk van 1769, misschien als een overblijfsel van
den ouden dijk van 1545 , zoo niet reeds van den vroe-
geren van 1454, beschouwd worden (bl. 81).
Behalve dezen hoofddijk, hebben er binnenwaarts hier
en daar ook nog wel andere dijken gelegen, welke tegen
den Dollard zijn aangelegd of hebben gediend. Zoo is de
Zomerdijk te noemen , in naam en voor een deel nog aan-
wezig , zoo als hij loopt van de Oude Ae ten noorden van
Oostwolder Hamrik met eene bogt naar Wagenborgen en
wel tot de zandhoogte of gaast, waarop dit dorp is gele-
gen. Hij zal, ofschoon dit nu niet meer is na te gaan,
zich vermoedelijk bij Oostwolder Hamrik aan den vorigen
Digitized by Google
»
101
Dollarddijk aangesloten en een vervolg daarvan uitgemaakt
hebben , voor dat deze nog verder bestond of nadat hij
weder verlaten is , en bij ontstentenis daarvan zijne plaats
vervuld hebben. Zoo mag dit ook het geval geweest zijn
met den Veendijk, waarin de Zomerdijk ten zuiden van
Wagenborgen of de gaast van dit dorp overgaat, en wel-
ke Veendijk zuidwestwaarts tot het midden tusschen Noord-
broek en Schildwolde voortloopt en verder mag geloopen
hebben , volgens oude kaarten , maar zich daar nu ver-
liest Deze Veendijk echter , als ook de Zomerdijk voor
een deel , tot aan het Termunter Zijldiep , zullen oorspron-
kelijk wel niet anders dan eene binnenwaterkeering en
scheiding geweest zijn, en wel van het Termunter Zijl-
vest, gelijk ze nog daartoe dienen, en de laatste langs
dat diep als zoodanig voortgeloopen hebben tot den Eems-
dijk, maar versterkt en van dat punt nieuws gelegd zijn
naar den Dollarddijk, om Fivelingoo en het noordelijk deel
van het Oldambt voor het indringen van het buitenwa-
ter of van dien boezem, althans in den zomer, te
beschutten. Het is waarschijnlijk deze Zomer- of Kadijk ,
waarvan rengers spreekt en zegt, dat hij gelegd is van
Reide tot Siddeburen of Duurswold, zonder op te ge-
ven den tijd wanneer (Aant. 106, bl. 90). De kolk,
die men nog ten noorden, bij den Overtogt, en twee,
die men nog ten zuiden van Wagenborgen aantreft, do
Rot- en Stolderijkolk , duiden aan, en sommige bescheiden
bevestigen dit , dat ook deze binnendijk nog zelfs wel ,
zoo als waarschijnlijk bij gelegenheid van den vloed van
1570 , door dat water is ingebroken geworden (115), even
(115) Er wordt vermeld in het Register van Charters: Accoord tus-
schen de Ommelanden en het Karspel van Groot- Termunten over den Zo-
merdijk , 1551 daags na Martini; dit zal betreffen den Zomerdijk tus-
schen beiden gelegen geweest ; even zoo de Raadssententie omtrent den
dijkte Wagenborgen, 1554 , dien dijk aldaar. Verder: Raadsordonnantte
op het leggen van een dijk in den Oldambte van den 25 Julij cn Mündamcnt
van B. en R. nopens een nieuwen dijk in 't Oldambt van den 24 April 1589.
Beide , nader ingezien op het Archief, botrcffen het leggen van een dijk
door het Wold-Oldambt , wegens den inloop van het zeewater over den
ouden zomerdijk, en wel van de home des weges bij Wagenborger dijkgat
of daaromtrent in 't oosten op , na aite bauens huis. Deze zal dus
misschien de Zomerdijk zijn , van de kolk benoorden Wagenborgen oost-
waarts strekkende.
Digitized by Google
102
zeer als de grondsgesteldheid en andere blijken bewijzen,
dat het tot aan en om dat dorp heeft gespoeld, als een
eiland, beveiligd door zijne hooge ligging. De gaast ligt
toch geheel omringd, ook ten westen, van de klei. De
overlevering meldt ook, dat te Wagenborgen schipvaart
is geweest , en er is voor eenige jaren bij dit dorp een
vrij zwaar anker in den grond gevonden , dat echter ge-
heel in bladerig ijzerroest was overgegaan. Die schipvaart
kan echter ook zien op eene vaart langs een of ander
kanaal aldaar. — Om Wagenborgen heeft men buitendien
nog den Weer- of Wardijk. Het is wel deze dijk, waar-
van bengers ter zelfder plaats zegt, dat hij, in plaats van
voornoemden Zomerdijk, in 1574 door de ingezetenen van
dit dorp zelve gelegd is , tot een stevigen dam tegen den
Dollard. De dijk van 1545 moet dus toen al door over-
stroomingen zoo ontredderd zijn geweest , dat men hem
een tijd lang heeft verlaten en vervangen door den voor-
noemden Zomer- en Weerdijk. — Langs eene streek, op de
tweede kaart a b geteekend , die van omstreeks den ver-
lengden Zomerdijk zuidwaarts tot op eenigen afstand van
het Waar al kronkelende voorbij Nieuwolde loopt, vindt
men den grond op sommige plaatsen ongeveer 2 — 3 p.
hooger dan ter wederzijde daarvan , en , wat opmerkelijk
is , de klei zeer diep gelegen , terwijl aan weerzijden de
roodoorn maar ongeveer \% — 3 p. dik op den darggrond
ligt, en deze grond in die strook ontbreekt. In de om-
streken gelooft men algemeen , dat daar een dijk heeft ge-
legen. Misschien is het een zomerdijk geweest, die zich
aan het eene noordelijke eind van voornoemden Zomer-
dijk en aan het andere zuidelijke eind aan den dijk van
1545 aangesloten heeft. Dit zoo zijnde, moet men den
darggrond bij het leggen daarvan weggegraven hebben. Bij
ons is ook wel de gedachte opgekomen , of die strook niet
voor eene oude rivierbedding is te houden , misschien dan
een tak van de oude Termunter Ee , die, toen de grond
onbedijkt lag, is digt geslijkt. Doch het voorkomen van
zoodanigen tak , zoo nabij den hoofdstroom zeiven , is wat
vreemd , en zonderling ook , dat die bedding thans hooger
is , dan de omliggende grond ; of men moest dit kunnen
toeschrijven aan de verzakking van den onder dezen ge-
legen darggrond, toen de bodem droogcr is komen te
Digitized by Google
103
liggen. Hoe dit zij, laten wij in het midden. — Wij we-
ten ook niet met zekerheid , wanneer de dijk van 1545 we-
der als buitendijk is hersteld, zooals wij uit zijne ver-
vanging door volgende indijkingen moeten veronderstel-
len , en dus vóór deze of nog binnen de 16<lo eeuw.
Men mag voorts uit het aangevoerde de westelijke grens
van den Dollard op zijn minst tot den Zomerdijk aanne-
men. Verder op in het noordelijkst deel van het Oldambt is
die grens echter, ais gezegd is, moeijelijk te bepalen , daar de
Eems ook buitendien zoowel vroeger als later het land zal
overstroomd hebben en de hier aanwezige kleigrond niet als
een voortbrengsel alleen van den ingebroken Dollard kan be-
schouwd worden. Zoo is vervolgens de Veendijk voor on-
geveer de grens te houden , welke de Dollard niet heeft
overschreden. — Volgen wij den ouden Dollardoever zui-
delijker om Noord- en Zuidbroek , dan schijnt hier geen
andere dijk dan die van 1545 geweest te zijn. De klei strekt
zich tot op meerderen of minderen afstand van die dorpen
uit , grenzende aan den hoogen zandgrond , waarop zij
zijn gelegen , misschien verlegd , en hier beveiligd bleven
tegen het water, zoodat er geen dijk noodig was. Be-
noorden Uiterburen vormt die zandgrond hier zoogenaam-
de klingen , dat zijn plaatsen , waar het zand hoogten
vormt en meer of min in de klei uitspringt. Van deze
klingen of zandhoogten heeft vermoedelijk eene oude be-
dijking of bekaaijing geloopen over het Oude kerkhof van
Zuidbroek naar het Winschoterdiep en over dat diep regt
zuidwaarts langs den weg naar Muntendam, de Oude weg
en Hondelaan geheeten, en langs de oude Ae, die van
hier en verder opwaarts kwam. Zoo ver die weg nu zich
uitstrekt, breidt zich ook, aldaar niet verre van Munten-
dam , de Dollardklei zuidwaarts met eene punt tot digt aan
het diep uit, westwaarts reikt zij tot digt aan het Munten-
damster diep en werd voorts volgens de overlevering door
het Pusepad begrensd , dat van het westeinde van de
Meeden tot naar Zuidbroek liep. Na dit zuidelijkste punt
gaat de klei met een boog ten noorden om het ou-
de Meeden, zoodat de Lage weg, aan welken het
oude dorp is gelegen geweest (bl. 47), ook voor een
dijk gebruikt is. Dit mag men uit de grondsgesteldheid
opmaken. De roodoorn toch bedekt oostelijk van en
Digitized by Google
104
aan de Hondelaan ougeveer 6 p. , aan de westzijde slechts
lj/i p. den darg- ot' veengrond; noordwaarts van den
Lagen weg achter Duurkemdkker ongeveer 3 p. , zuidwaarts
slechts ongeveer l/ 2 Het zullen echter slechts zo-
merdijken geweest zijn, en tijdelijke, om deze en andere
daar gelegene dorpen tegen den voortgang van den
Dollard te beschermen, waartoe zij zich aan de hier en
daar gelegene hoogten aansloten, tot dat men door de
ongenoegzaamheid daarvan gedrongen werd de dorpen te
verlaten of te verleggen naar de hoogere veen- of gaast-
gronden, en de hierop gevolgde aanslijking gelegenheid
gaf en aansporing tot indijking. Meer binnenwaarts, in
den zuidwestelijken inham van den Dollard, heeft men
tusschen voornoemden zomerdijk en dien van 1545 nog
een tusschendijk gehad, die de Meeden alzoo zal be-
veiligd hebben, toen er weder eenig land was aange-
wonnen. Deze dijk , ook misschien slechts een kadijk ,
want hij wordt maar door eene kleine hoogte meer aan-
gewezen , die bij uitstek zandig is, stond, blijkens den
hiervan nog overigen loop , in verband eenerzijds met
den dijk van den Ouden weg naar Muntendam, ter plaat-
se, waar de dijk van 1545 met denzei ven in aanraking
komt; want in die rigting scheidt zich ook de grond in
klei en roodoorn; anderzijds liep hij door den weg van
de Meeden naar de Eexta, en door de Zijp tusschen
de Meeden en Westerjee met eenige bogten naar deze
laatste plaats en . de zandhoogte van Heiligerlee , waar hij
schijnt geëindigd te hebben. Noord- of buitenwaarts
daarvan is de grond kleijig , aan de zuid- of binnenzijde
dargachtig; dat deel, hetwelk buiten den laatsten dijk is
gelegen» wordt nog het buitenland genoemd, ten bewijze,
dat het buitendijks is gelegen geweest. Bij Heiligerlee
bleef //de Dollard tegen den hoogen leemwal aanspoelen en
werd . verstar geschut door den hoogen grond van deze
streek tof; aan .de Eexta; men bespeurt hier althans geen
dijk meer, en de grens der klei keert zich noordwest-
waarts om > $en/ westen van den weg van Westerlee naar
Eexta y naar en voorbij deze plaats en de Scheemda , tot
daar wy den dijk van 1545 hebben vervolgd.
Wannoer wij nu overzien de oppervlakte gronds , wel-
ke alzoo die dijk insloot , dan ontnam deze reeds veel aan
Digitized by Google
105
den Dollard en drong zijne grenzen belangrijk terug.
Daardoor werden toch weder 6789 bunders binnengedijkt ,
bevattende de kleilanden binnen den aangewezen omtrek
ten noorden en westen van Nieuwolda, de zoogenaamde
Buitenlanden van Zuid- en Noordbroek of de Zuidbroek-
ster Uiterlanden , het Noordbroekster Hamrik en de Ko-
rengasty twee nieuwe gehuchten daarop aangelegd, als-
mede den kleigrond , welke tusschen Zuidbroek en de
Eexta met Scheemda door naar de Meeden zich uitstrekt,
en wel aldus verdeeld onder de volgende gemeenten , vol-
gens metingen en berekeningen op de Kadastrale kaarten:
Midwolde 450 bunder.
Scheemda 1303 „ :
Meeden 763
Muntendam 432 „
Zuidbroek 410
Noordbroek 1773 „ 1
Slochteren 222 „
Nieuwolde 1134 „ 1 ' N
Delfzijl 7
Termunten 295 „
Totaal 6789 btradbr.' f,,,n
Eene aanmerkelijke, ja geheele verandering werd er te
weeg gebragt door de inbraak en daarop weder gevolgde
indijking van den Dollard in den Waterstaat van het 01-
dambt. Wij hebben aangewezen, hoe dat landschap des-
zelfe water loosde door de oude Termunter Ee en Zijl
(bl. 15). Ten gevolge echter van den ingedrongen Dol-
lard tot diep in dit land, waardoor het als in tweeën ge-
scheiden werd, werd ook deze waterbaan onderschept en
verbroken , zoodat zij , bij de indijking van 1545 , voor
een groot deel , van Oostwolder Hamrik naar het Waar ,
buiten dijks gebragt en van hier tot aan het Scheemder
tolhek toe genoegzaam verdwenen zijnde, mét meer tot
afwatering van het land kon dienen , maar dit genood-
zaakt werd zijn water elders te lozen. Wij vinden dan
ook, dat het Termunter Zijlvest is ontbonden geworden en
hierbij het Klei-Oldambt voor het grootste, noordelijkst
deel (Wagenborgen t. w. uitgezonderd) zich van het ove-
rige Oldambt heeft gescheiden. Gi-oot en Klein-Termun-
Digitized by Google
106
ten 9 Grijze Monniken klooster en Leaterhuis , alsmede Wol-
dendorp hebben namelijk een tijd lang onder het Oter-
dummer Zijkeet behoord , en wel sedert 1553 , toen zij
met de landen hieronder, elk voor hun deel, aldaar eene
nieuwe zijl doch met eene gemeene mude hebben ge-
legd (116), en alzoo zijn vereenigd, tot dat de nieuwe
Termunter sluis en het diep daarnaar toe aangelegd is,
bij de weder oprigting van het Termunter Zijlvest in
1601 , wanneer die plaatsen weder van het Oterdummer
Zijlvest afgescheiden zijn. Hoe het overige en wel het Wold-
Oldambt zich destijds beholpen heeft, is niet zoo bekend;
waarschijnlijk zal het onmiddellijk door den dijk van 1545
in den Dollard hier en daar uitgewaterd hebben. Men mag
als vrij zeker stellen, dat er voor de Leest en de beide
Aetakken , die van Muntendam enz. of het zuidelijk 01-
dambt kwamen, een zijltje in den dijk bij het Scheem-
der tolhek gelegen heeft, en dat toen, zoo niet la-
ter , het Eexter diep is gegraven , tot aan do plaats , waar
het de dijk van 1545 afsneed , om desgelijks het Eexter en
ander water met een zijltje door denzelfden dijk af te voe-
ren in den Dollard. De Ae, die van Veendam en Mun-
tendam kwam, zal tot scheepvaart en wel tot afvoer van
turf van die plaatsen en de Meeden gediend hebben , den
Dollard uit, voor dat het diep van Winschoten naar Gro-
(116) Luidere Sententie van Stadhouder en Hoofdmannen tusschen dte
van Oterdum , Oosterwierum , Ueveskes , Borgsweer en Lalleweer (of het
Oterdummer Zijlvest) ter eenre, en Groot Munte , LutJce Munte, Grijze
monniken, Woldendorp enLesterhuis ter andere zijde over het leggen em
onderhouden elk eener zijl, met eene gemeene mude te Oterdum , 25 Mei
1553, in het oorspronkelijke nog voorhanden in het Stads Archief en
vermeld op het Register van db bitter , schoon niet juist , daar zijn op-
schrift maar van eene zgl gewaagt Van daar was de Abt van Grijïc
monniken klooster mede Schepper van het Oterdummer Zylvest, uit-
wijzena Sententie tusschen de ingezetenen van Groote Munte en den Abt van
Grijze monniken als Schepper van Oterdummer zijl, van 1558, volgens
datzelfde Register, Zoo wordt dan ook in de Verklaring van 1565 de
zijl te Termunten de Olde Munter zijl genoemd, om roden dat toen die
zjjl niet meer bestond of verlaten was. Verg. westendorp in kremer's
Beschrijving van de prov. Groningen, II, 109 en 277 , en in Jaarb. II,
444. Hij spreekt van deze vereeniging onder het Oterdummer Zijlvest,
zonder den tyd , wannneer of hoe die heeft plaats gehad , nader te
kennen.
Digitized by Google
107
ningen daar gegraven is (1636), waardoor die Ae werd
afgesneden. Toen kan zij evenwel nog tot aanvoer van
turf' gestrekt hebben in dat diep , tot dat het Muntendam-
ster diep aangelegd is (1648). Op de Hondelaan aan de
oude Ae vindt men nog eene breede en hooge plaats, die
geheel uit stukken turf en turfmolm bestaat. Daar werd
misschien de turf afgevoerd. In den hoek , waar de Ou-
de weg aan den Lagen weg sloot, kan men omgekeerd
nog zien , waar de schil mag aangevoerd zijn voor de
kalkbranderijen , waaraan die plaatsen bij den aanbouw ge-
brek hadden. Er zal daar ook een zijltje gelegen heb-
ben , waar de Oude Ae den Lagen weg doorsneed. — Er be-
staat voorts eene overeenkomst , gemaakt in het jaar 1580
tusschen Midwolde , Scheemde , Noordbroek, Wagenborgen en
Woldendorp met het Farmsummer Zijlvest, om met hun
ne buitendijkslanden in dat zijlvest uit te wateren (117).
Of deze inlating werkelijk tot stand gekomen is, hebben
wij echter nergens bevestigd gevonden. Rengebs spreekt
wel, het leggen van den Weerdijk om Wagenborgen eeni-
ge jaren vroeger vermeldende, van zoodanige inlating van
deze en misschien andere Oldambtster dorpen , maar waar-
van niet gekomen is (bl. 90) ; en heeft die inlating plaats
gehad, dan is ze van korten duur geweest, slechts een
twintigtal jaren , namelijk tot de gezegde oprigting van
het nieuwe Termunter Zijlvest, of nog korter tot de leg-
ging en bezijling van den dijk van 1597, gelijk zoo da-
delijk zal vermeld worden. Het overige oostelijk ge-
deelte van het Wold-Oldambt zal zich misschien met
eigene of bijzondere afwateringen in den Dollard behol-
pen hebben. Er was destijds te Oostwolde eene uit-
watering. De plaats of liever plaatsen daarvan zijn nog
aan te wijzen. Er heeft eene oude zijl gelegen eerst
nabij Oostwold in den ouden dijk van 1545 en ver-
volgens wat verder noordwaarts in den ouden dijk van
»
(117) Deze overeenkomst staat door den heer driessen op het He-
gister van de sitter aangeteekend , onder den volgenden titel, volgens
eene kopij , berustende onder Mr. t. h. treslino , vroeger Advokaat aan
den Hove te Groningen: Contract van Midwolde, Scheemte , Noordbroek ,
Wagenborgen en Woldendorp met Farmsummer Zijlvest , om met haar bvi-
Undijlcslandcn in dit Zijlvest uit te wateren y 28 Nov. 1580.
Digitized by Google
108
1626. Tot de eerste voerde ook waarschijnlijk een oud
diepje, dat men in nog aanwezige dwarsslooten terug
vindt, het water van Midwolde. Het liep van den eer-
sten hoek en de eerste kolk in dien dijk van 1545 , niet
ver van den Gare weg, tot in het Koediep, zoodat het
laatste pand van dat diep bij Oostwolde nog daarvan
overig is. Finserwolde had ook zijne uitwatering of zijl
hier of daar, misschien door de Tjamme. Zoo hadden
die plaatsen ook hare afzonderlijke dijkringen , blijkens de
Dijkbrieven die hiervan bekend zijn: een van Oostwold
van den 15 April 1558, hernieuwd den 6 Julij 1573,
en een ander van Beerta en Finserwold van den 1 Mei
1571, gelijk die vermeld worden op het Register onzer
Charters.
De tweede bedijking in den westelijken boezem had plaats
in 1597; niet in 1592, zooals staat op de kaart van jappé.
Van het leggen van een dijk in dat jaar is ons een blijk
voorgekomen in eene Decisie van den 25 Met 1596, tus-
schen Zuidbroek , Muntendam , Meeden , Westerlehe , HÏUiger-
lehe, Scheemda en Exta ter eenre, en Noordbroecke en
Mitwolde ofte liet Zijlvest ter andere zijde, over de nieuwe
afgebakende en uitbesteedde dijk , bepalende , dat die deimot
deimat gelijk door alle kerspelen zal gelegd worden (118).
Zulks had dan plaats in het volgende jaar en is die
dijk, welke algemeen op dat jaar gesteld wordt, waar-
van men nog den loop langs het Termunter Zijldiep kan
nasporen en bij den aanleg van dat diep, gelijk wij zul-
len zien , gevolgd heeft. Deze dijk kwam namelijk uit
den ouden dijk van 1545 bij Scheemda. Nog ziet men
noordelijk van en onmiddellijk aan den grindweg of
Zwaagweg van dit dorp naar Noordbroek, zoo ver die
weg tusschen het Koediep en het Zijldiep loopt , eene
smalle hooge strook gronds , waarop de dijk heeft gele-
gen ; dan boog hij zich ter plaatse , waar nu de weg over
het Zijldiep gaat, noord om en liep ten oosten van dat
later gegraven Zijldiep noordwaarts , om zich op het Waar
weder met den ouden dijk van 1545 te vereenigen.
i ' - • \
• • ! • ' . '
(118) Dit stuk is ons medegedeeld door den Hr. Notaris Mr. r. db
sitter, dio het bezit. Het komt niet voor op het Register van pe
bitter, het bUgeschrevene noch oorspronkelijke.
Digitized by Google
109
Hiermede had eigenlijk de eerste overdijking alhier plaats,
waardoor hoofdzakelijk werden binnen gebragt de nieu-
we aanwassen van de Eexta en vooral Scheemda, waar
op het nieuwe dorp van dien naam, Nieuw-Scheemda of
Scheemder Hamrik later verrees. Nader gerekend ligt
van den hierdoor aangewonnen polder onder de:
Gemeente Noordbroek ongeveer 12 bunder.
„ Meeden „ 14 „
„ Scheemda vrij juis t 1086 „
Die polder is derhalve groot p. m. 1112 bunder.
Ten gevolge dezer inpoldering moest de gemeenschap-
pelijke uitwatering of buitenmude van de onderscheidene
Aetakjes en andere wateringen met eene zijl in dezen dijk
afgesloten worden. Deze zijl , de Carringerzijl op de
Dollardkaart, de Kermerzifl in den Termunter Zijibrief
van 1601 , ook Carrenga-zijl genoemd , heeft volgens die
kaart en de overlevering gelegen in den hoek , welken de
dijk van 1597 vormde , daar waar de Zwaagweg over het
Zijldiep gaat, bij de aanzienlijke en zoo wel gelegene
boerderij van den Heer K. w. sijpkens, waar men ook
wil, dat eertijds het Zijlhuis gestaan heeft. Van die uit-
watering is waarschijnlijk nog de oude Geut over, die door-
geloopen heeft in die rigting naar het Zijldiep of gezeg-
den hoek van den dijk van 1597 , en als eene , oioor ver-
andering van den Aestroom, nieuws gevormd uitwate-
ring in den Dollard mag beschouwd worden. Door die zijl
zal nu dat gedeelte van het Oldamty , dat niej onder het
Oterdummer of een ander Zijlvest was of bleef ingelaten
(bL 105) , zijn blijven uitwateren. Wegens 4 e Sterke aan-
s] ijking langs en bij die mude en den langen, weg , welke
het water, al kruipende door eene. naau we geul, moest
afleggen, voor dat het de diepe bedding der E eins of eene
andere in den Dollard bereikte, zal die waterlozing zeer
slecht geweest en meer en meer bele^mer^d geworden
zijn voor vele kerspelen , zoodat zij die hebten moe-
ten verlaten en alleen behouden voor de nieuw ingedijkte
landen , zijnde de zijl telkens bij elke indijking verlegd en
van naam veranderd. Die van oude Zwaagzijl is althans
nog bekend en gegeven op de kaart van beckeringh aan
die, welke in den dijk van 1701 lag, en duidt nog op
den oorsprong der uitwatering uit de Scheemder Zwaag.
>
Digitized by Google
110
Na al zoo een aantal jaren gescheiden te zijn geweest
van die onder het Zijlvest van Oterdum althans, ver-
eenigden zich deze en gene dorpen van het Oldambt
weder kort na de indijking van 1597, te weten in het
jaar 1601 , onder één Zijlvest , het nieuwe Termunter
Zijlvest, groot toen 13023 % zijldeimten. Zij groeven
gezamelijk , de Boven-Kerspelen met de Beneden-Kerspelen ,
zooals die van het Wold- en Klei-Oldambt nog bij het
Zijlvest onderscheiden worden, een geheel nieuw kanaal,
het tegenwoordige Termunter Zijldiep , en legden eene nieu-
we sluis in deszelfs mond nabij Wartum in de Eems, de
Termunter zijl , welke aldaar nog op dezelfde plaats ligt ,
maar in 1724 is vernieuwd (119). Al die dorpen van het
Wold-Oldambt zijn er echter niet dadelijk in toegetre-
den; van Midwolde en Oostwolde eerst hunne zoo ge-
noemde Hamrikken of nieuw aangewassen en ingedijkte
landen; Midwolde vervolgens zelf of nu geheel in 1636
en Oostwolde eerst in 1690, terwijl Finserwolde afgeschei-
den bleef en zich met andere vereenigde , zoo als wij nader
zullen zien. Het diep is aangelegd onmiddellijk langs den
dijk van 1597 , van de Carringer zijl tot aan het Waar.
Beneden het Waar treedt het diep bij den Gare weg bui-
Zie do Stichtingsbrieven van het Termunter Zijlvest, behalve
hierbij, gedrukt te vinden achter het Corpus der Groninger Rechten,
Gron. 1735. Er zyn twee Zijlbrieven, beide van denzelfden dag, den 25
November 1601. De ecne betreft meer algemeen het Zylvest of deszelfs op-
rigting, de andere in het bijzonder den hierbij besloten aanleg van het
Termunter Zijldiep en de Zyl; deze voert in sommige afschriften ook
wel de dagteekening van den 25 September. Nadat in den aanhef de
aanleg van het diep in het algemeen bepaald wordt van Kermerzijl in
do Eexta tot Wartum in de Eems, vindt men dit nader omschreven en
bepaald als volgt:
„ Art. 1 . . . van den Nijenztjl " (welke dezelfde zal zijn , als de Ker-
merzijl t en zoo genoemd, even als de dijk, als zijnde beide voor kort
eerst aangelegd) „ bij den Nijendijk langes , bes an de zijdtwendige ende
Toorts van de zijdtwende buiten de dyk op an *t Weerlandt , omtrent T\je
Edsens ende van daar langs an do Wocrd\jk , waar het dan nuttest
ende an besten bevonden mag worden."
„ Art. 2. Voorts zal ook die van do Scheemda , Midwolde ende Oost-
woldt Btedcs open staan , wanneer zij zulks begoren, wegens haar Acker-
landen ende Nyelanden, zoo komstiglyk nog aanwassen mogen, hare
Togten ende Maren daarinne te derivieren , endo met den anderen uit
Digitized by Google
111
ten den toen aldaar nog bestaanden dijk van 1545, en
loopt dus een eindwegs op buitendijkschen grond. Dit,
gelijk zijn verdere loop, komt wel overeen met het bene-
den aangevoerde uit den Zijlvester brief (Art. 1) , schoon
in een besluit der Stadsregering van het volgende jaar be-
paald is, dat het diep veiligheidshalve binnen en niet
hiaten den dijk zou geleid worden (120). Hoe dit zij,
daar er niet wel een hoofdkanaal aanwezig kon zijn ,
zonder beschut te wezen tegen het water, zoo mag men
aannemen, dat er althans bij het graven van het Zijl-
diep zoo ver een dijk aan de Dollardzijde zal zijn
opgeworpen. Dit zoo zijnde, is de kweldergrond , die
tusschen het Zijldiep en den dijk van 1545 van den Gare
weg tot aan de klapbrug in Midwolder Hamrik met dit
dorp of Nieuwolde is gelegen , ook toen al tot binnengedijk-
ten grond gebragt. Het dorp zelf is eerst naderhand op-
genomen, nadat er bevorens al lang een aantal huizen,
de Troppelkuizen geheeten, gestaan had.
Het gebeurde ten zelfden jare en tijde, dat deze eerste
indijking plaats had , namelijk den 15 Augustus 1597, dat
nog de wateren zeer hevig ook de Eemsdijken vooral teis-
terden ; en dit had meermalen plaats , zoodat zij niet zelden ,
pas aangelegd zijnde, weder vernield werden. Het was,
alsof de zee zich verbolgen betoonde over de vermetel-
heid der bewoners , die zich nu verstoutten , haar op hunne
beurt aan te vallen en in haar rijk te verkorten. Doch
wij zullen de tegenspoeden , welke hun werk van dezen
kant te verduren had, om het verhaal der bedijkingen
te wateren , edog na maniere Zyivest contribuerende haar zijlschot , gras
gras geüjk* w
„Art 12. Ook mede besloten, zoo verre ende wanneer in komsti-
gen tyden den Dijk konde uitgezet t et worden , dattet zelve Deimat dei-
mat geigk zal geschien. w
De uitlegging over de toepassing van dit Art. heeft bij latere indij
kingen herhaalde aanleiding tot twist gegeven , zoodat daarover lang-
durige en kostbare pleitgedingen zyn gevoerd , gelijk zal blijken.
(120) Stadtresol. nopens het nije diep in 't Oldambt, 28 Julij 1602,
welke in het aangev. Register van de bitter staat aangeteekend , en
op het Stads Archief voorhanden is. Dicnsvolgcns zal het diep in dit
jaar 1602 gegraven zijn.
Digitized by Google
112
niet telkens af te breken en in herhalingen te vervallen ,
bij elkander hier achter mededeelen.
Naanwelijks was er eene vierde eeuw verstreken , of de
intusschen weder toegenomene aanwas gaf andermaal ge-
legenheid tot eene uitlegging van den dijk. In 1626 werd
de polder onder Scheemda en Midwolde binnengedijkt,
waaraan het dorp Nieuwolda vooral zijn oorsprong ontleen-
de , en wel door het gezamenlijke Termunter Zijlvest , vol-
gens Art 12 van den Stichtingsbrief (in vor. Aant 116
vermeld). Wij vinden er van aangeteekend , dat vooraf
in 1622 door dat Zijlvest een kadijk was gelegd, daar
waar de dijk in 1626 is vervaardigd, en dat het hierbij
met Midwolda Westergüde (bewesten de kerk) en met
Midwolder Hamrik eene overeenkomst had getroffen, dat
dezelve zouden doen , voor niet , den grond , waarop
en waaruit den dijk uit te zetten , mits dat hij werde
aangesloten met het eene einde bij of omtrent het te-
genwoordige oude kerkhof in Midwolde en met het
ander einde geheel achter in Midwolder Hamrik nabij
den Klei-Oldambtster of Woltsleker dijk. De dijk was
lang 1356 r. 10 v. , de r. van 21 v. Gron. maat , en heeft
aan de kerspelen gekost 37,944 gl. 10 st 6 pl. (121). De
dijk loopt dan ook van den ouden dijk van 1545 bij Oost-
wolder Hamrik eerst evenwijdig met den voorgaande en
dan met eene bogt even over den Gare weg (waar zich nog
eene kolk bevindt) weder terug tot dien dijk, zich bij het
oude Midwolder kerkhof, of waar de Kerkelaan hem snijdt,
daaraan sluitende. Wat den inhoud betreft, rekent men
hierbij den grond, die door het graven van het Zijldiep
reeds mag zijn binnen gebragt, zoo als wij hiervoor ge-
zegd hebben (bL 111), dan ligt daarvan:
Onder de gemeente Midwolda 216.56.70
„ „ „ Nieuwolda 382.81.61
„ „ „ Scheemda 540.09.28
Alzoo is deze polder groot . . . 1139.47.59.
(121) Wtf hebben deze bgionderheden ontleend uit het Proces van
den Hr. Burgem. w. siccam a. en Cons. tegen h. l. houman en Cons. over
het uitzetten van den Dollarddyk in 1785, en de laatste ook uit de Be-
keningen van den 25 Jan. 1627 en 18 April 1628 van het Termunter
Zyivest.
Digitized by Google
113
Na deze inpoldering had de aanleg plaats van verschei-
dene nieuwe kanalen in het Oldambt. Naar tijdsorde ver-
melden wij hier eerst het Koediep en het Schuiten- of Win-
scïioterdiep , schoon deze wel niet daarmede in verband
staan, en meer voor de scheepvaart, dan voor den wa-
terstaat zijn gegraven. Zulks geschiedde door toedoen
of liever op last van de stad Groningen, doch geheel
ten koste van de bewoners, en dan ook niet zonder
vele tegenkantingen van deze, in wier belang het ze-
ker wel was , maar ook niet minder in dat dier stad zelve,
zoodat dit werk, en wei het graven van het Koediep , aan-
leiding gaf tot die ernstige en langdurige geschillen, welke
er tusschen beide geheerscht hebben, maar eindigden met
de bevestiging van de stad in hare magt over het Oldambt.
Het Koediep is eindelijk gegraven in 1635, nadat yeeds
in 1628 door de stad daartoe het voornemen was opgevat;
het Schuitendiep van Zuidbroek door de Scheemda naar
Winschoten en verder in de Pekel Aa in 1636 en vervol-
gens , zoo als ook deze Pekel Aa in het Pekeia-diöp is
vergraven voor den afvoer van den turf en het veen water
naar de stad. Door het Opdiep is liet Koediep niet het
Termunter Zijldiep vereenigd, en dit met het Winsehoter-
diep , maar hun water door een vallaat gescheiden- Men
schijnt zelfs het plan gehad te hebben , om hetltpediep te
verlengen van Midwoldo door het Oostwol der Meer naar
Finserwolde en de Beerta, liier tusschen beide door langs
de Tjam , daar er in sommige . Besluiten van de stad van
het opgraven van dit stroompje in verband met dat diep
gesproken wordt en ook werkelijk daarmede een begin
gemaakt, maar dat niet volvoerd is (122).
.... • ' * \ \ r -
(122) Zie over den aanleg van het Koediep de Stadsbesluiten van
den 8, 28 en 31 Haart, 8 Mei, 22 September, 9 October, 13 Deccm-
ierl62S; 1 September 1629; 18 April en l Mei 163». Bi) :dit> laatste besluit
is aangeteekend , hoe dat kanaal begonnen , maar voor een deel weder
door do ingezetenen is digt geworpen ; dat toen hiervan een~vljïïaTwegcns
ongehoorzaamheid op de poort is gebragt, maar ouder acte wede* losgelaten.
Zie verder over het geschil, daaruit ontstaan, diest lobgion, Bciehrijv.
van Groningen, II, 13. Hier wordt gemeld, hoe de Oldambtsters een
vertoog tegen hot graven van dat nieuwe kanaal hebben ingeleverd , het-
welk zulke scherpe uitdrukkingen bevatte , dat de stadsregering den on-
8
/
Digitized by Google
114
Het Kostverlorm, dat loopt uit hetKoediep door het Katten-
diep naar het Termunter Zijldiep , is aangelegd in 1636 , vooral
door Midwolde en ten behoeve van een deel zijner landen ,
die toen eerst in het Termunter Zijlvest zijn ingelaten.
Het is dwars door zijne intusschen weder aangewassen lan-
den en de Oude Geut heen gegraven (123). Toen of' daarna
is dan ook verder het Kattendiep gegraven en wel in of
langs het bed der Oude Ae , om het water van het noor-
delijkst deel van Midwolder Hamrik in het Zijldiep te lei-
den, gelijk het later na de volgende bedijking door het
nieuws ingedijkte land ten behoeve hiervan vervolgd zal
zijn. gewagen hier ook nog van het plan, om, ten be-
hoeve van het Boven-Zijlvest van Termunterzijl , een
afzonderlijk diep te graven van Troppelhuüen , of waar
Nieuwolda later gebouwd is , uit het Zijldiep , meest langs
de Oude Ae, naar eene tweede zijl, met een vallaat
tusschen beide diepen. Te weten, al spoedig na het
graven van het Termunter Zijldiep is er last ontstaan van
de overstelping van het bovenwater in hetzelve en veel
geschil daarover. Dit is in 1622 bijgelegd door Kaads-
gecommitteerden tusschen Noordbroek, de Noordbroekster,
Scheemder en Midwolder Hamrikken ter eener, en Zuid-
broek, Meeden, Westerlee en Scheemda ter andere zijde.
De eersten verzochten do stuwing in het diep op het
Waar van dat bovenwater of de veenwateren , waartegen de
laatstcn beloofd hadden door dijken te zorgen, of, zoo dit
niet hielp, een bijzijltje bij Termunterzijl te leggen. Die
dcrteekenaars een crimineel proces aandeed. Die van het Oldambt be-
noemden hierop drie gevolmagtigden , die zich terstond met hevige klag-
tcn tot de Staten-Gcneraal wendden , waardoor de stad zich zoo bclcc-
digd achtte, dat zij dén van die gevolmagtigden, den edelman skbo hc-
ninga (den voomaamsten voorvechter in dezen), na vruchtelooze pogin-
gen, om hem gevangen te nemen, bij vonnis van 22 November 1039
nit de Provincie bando. Tot den aanleg van het Winschotcrdiep is , be-
halve de Stadsbesluiten van 19 Mei en 14. lunij 1632, vooral betrekkelijk do
Overeenkomst tusschen de Stad en het Termunter Zijlvest van 12 JDec. 1635.
(123) Volgens Uitspraak der Stad tusschen het Termunter Zijlvest en
Midwolde over Midwolder Schot, afleiding van de veenwateren en de land'
wateren, 15 Sept. 1636, overeenkomstig Resolutie van 8 en 11 Maart 1636,
over de inlating. Bij die uitspraak is verder bepaald , hoe de veenwate-
ren van Midwolde af te leiden door slooten in de Tjamme.
Digitized by Googl
115
stuwing of schutting werd bij die uitspraak vooreerst
toegestaan twee dagen in de week , tot dat door dat
laatste of een ander raiddel beter in den afloop van het
water voorzien was (124). En zoo werd het plan tot het
graven van een nieuw diep en het leggen van eene tweede
Termunterzijl wel voorgenomen, maar niet volbragt, zoo
min als latere, en lijden nog steeds vele landen van dat
Zijlvest aan die kwaal, waartegen men zich met watermo-
lens wel heeft getracht te behelpen , maar niet voldoende.
Be derde indijking van den eersten Midwolder Polder, of
het Oud Nieuwland, thans ook zoo genoemd, had bijna veer-
tigjaren later, te weten in 1665, plaats. De dijk loopt in een
halven cirkel, die bijna reikt tot aan de Kerkelaan , en, tot
aan de Oude Geut de zwet tusschen Niewolda en Midwolde
volgende, van den ouden dijk van 1545 te Oostwolder
Hamrik tot dien dijk bij Golthoorn. Bezuiden de Oude
Geut vindt men daarin nog een drietal kolken. Deze in-
dijking gaf aanleiding tot verschil tusschen de naast daarbij
belang hebbenden, namelijk de eigenerfden van de kerspe-
len Midwolde en Midwolder Hamrik en de overige in het
Wold-Oldambt. De eersten verbonden zich in 1663 daar-
toe (125) en vorderden , dat deze indijking zou geschieden
op kosten van het gemeene Zijlvest, deimt deimt gelijk,
ingevolge den inhoud van den Zijlbrief (Art. 12) en zoo
als de beide eerste dijken gelegd waren, maar de laatsten
achtten zich daartoe ongehouden. Het geschil werd op
die wijze bijgelegd, dat de ingelanden van Midwolde en
Midwolder Hamrik den nieuwen dijk zouden maken, en
(124) Zie Provisioneeh uitsprake over het stouwen in J t Waar van 'i wa-
ter in 'tZijldiep van 25 Mei 1622; over de nieuwe Zijl, Rcsol. 30 Julij
1636, Besoignes van de Stads Gecommitteerden op het leggen van de nieuwe
Zijl en 'tdiep bij Termunten gehouden den 1—4 Febr. 1637, goedgekeurd
door den Raad den 10 Februarij 1637, volgens het verhandelde op dien
dag en de Overeenkomst over de Nieuwe Zijl van 't Boven-Zijlvest ao. 1638
bij ter Munte te leggen van 14 Januarij 1638.
(125) Bij eene overeenkomst of een Dijkbrief, zoo als zij genoemd
is, van den 5 Februarij 1663 , inhoudende dat die indijking door hen zou
geschieden, ten laste en op kosten van diegenen, die daartoe zullen ge-
oordeeld worden verpligt te zijn, naar redelijkheid, olde contracten, ofte
decisie van de Uren Borgmren ende Raedt in Groningen , enz. Zie feith ,
Gron. Bcklemregt, II, 319.
Digitized by Google
116
de andere kerspelen daartoe van ieder deimt hunner
landerijen 45 stuivers zouden geven (126). En zoo kwam
de indijking tot stand, volgens de kadastrale meting groot,
als volgt:
B. R.E.
Onder de gemeente Midwolde 392.48.98
„ „ „ Nieuwolde .... 455.90.26
In haar geheel . . . 848.39.24.
De vierde indijking was die van den tweeden Midwolder
Polder of het Nieuwland in 1701. Deze loopt bijna even-
wijdig met de vorige van den ouden dijk voorbij Oost-
wolder Hamrik af tot dien bij Golthoorn. Van dezen pol-
der ligt:
Onder de gemeente Midwolde 537.84.81
„ „ „ Nieuwolde 83.55.42
Hij is dus groot . . . 621.40.23.
Bij de uitspraken van de Raadsgecommitteerden der stad,
benoemd ter vereffening der verschillen deswegens ont-
staan, werd onder anderen het volgende bepaald: dat de
dijk van 1665 nog 15 jaren in volkomen staat moest wor-
den onderhouden, nadat de nieuwe dijk voltooid en op-
genomen zou zijn; dat de nieuwe dijk overal dertien voet
stadsmate hoog boven de qroene swaarde moest worden ge-
maakt (met verdere bijbepaling ook van het profiel); dat
de kosten van overdijking over de oude en nieuwe binnen-
en buitendijks landen, deimt deimt gelijk, moesten worden
verdeeld en gedragen, zoo echter, dat het Wold-Oldambt,
onder het Zijlvest behoorende, daartoe ƒ 36,000 zoude
opbrengen en de belanghebbenden van Midwolde enOost-
wolde de overige kosten alleen zouden moeten dragen ;
voorts dat het leggen van den nieuwen dijk in des-
zelfs kromte bij de sluiting (ten noorden) verder dan of
boven den scheidpaal, opgerigt tusschen het Wold- en
(126) Zie Staats-Resol. 26 Jamt 1761, in feith, Gron. Bekleniregt ,
I, 552 en hier verder II, 50 en 73. Er hangt nog eeno kaart van Mei
1666 op het Stadhuis te Groningen van do 304 '/ 4 D. toen ingedijkte lan-
den, cn de 156 3 / 4 D. 72 R. toen buitendijks geblevene landeu der Stad;
terwijl zich eene kopij van de kaart van 21 Aug. 1690 van al de toen ge-
metene landen van dien polder door bontko bennes op het Provincie-
huis bevindt, gelijk boven, bl. 93, Aant. 110, reeds gezegd is.
Digitized by Google
\
117
het Klei-Oldambt , niet zou strekken tot nadeel van het
eerste (127).
Hierop volgde de vijfde overdijking van Oostwolder
Polder in 1769, groot en gelegen aldus:
B. R. E.
Onder de gemeente Finserwolde . . 247.23.00
„ || „ Oostwolde. . . 546.76.60
Nieuwolde . . . 395.68.70
1189.68.30 (128).
Deze dijk is nog groen en in zijn stand, gelijk de vol-
gende laatste , terwijl de vorige meer of min zijn vergraven
en verdwenen, schoon nog op de meeste plaatsen na te
gaan. Hij begint ook van den ouden dijk, wat noordelijker
dan de vorige, loopt weder even boogvormig en eindigt
aan den ouden dijk ten noorden van de Finserwolder kerk.
Hij is gelegd over het voormalig eilandje Munnikeveen.
Deze indijking vooral gaf aanleiding tot langdurige en
zware pleitgedingen, tusschen de belanghebbende ingelan-
(127) Pc eerste uitspraak der Raadsgecommittcerden is van 20 Junij
1700 en de tweede van 28 Nov. 1700. Beido worden aangehaald in do
Staats- Resol. van 26 Junij 1761 bij feith, Gron. Beklemr. I, 553, en
deze deelt het boven opgegovene nog broeder mede, aldaar II, 319,
320, wat de betaling der opgenomene gelden en kusten door de eigena-
ren en meijers enz. betreft. Hij geeft ook nog den inhoud op van de
Raadsbesl. van den 5 Aug. 1701, waarbij bepaald werd, dat do belang-
hebbenden, naar cene gemaakte overeenkomst tusschen Midwolde en Oost-
wolde van datzelfde jaar , van elk deimt land 20 gl. tot de kosten van den
dijk moesten betalen; voorts van de Stadsbesluiten omtrent de verhuring
van hare landen in dezen polder, en omtrent do latero verkooping, na-
melijk in 1806, der beklemming van al de stadslanden te Midwolde,
groot 332 D. 29 li., waarvan slechts omstreeks 77 D. in dezen Midwol-
der polder waren gelegen.
(128) Zoo geeft feith , Gron. Beklemr. II, 323, en op cene andere
plaats, I, 555, naar do oude meting de grootte aldus op : Onder het kerspel
Oostwolde 1247 Deimt en 15 R., als onder Oostwolde 464 D. 92 R. en on-
der Oostwolder Hamrik 782 D. 223 R., en onder het kerspel Finserwolde
1061 D. 263 R., als onder Finserwolde 476 D. 235 R. en onder Golt-
hoorn 585 D. 28 R. , zoodat de gehcelc Oostwolder Polder besloeg
2308 D. 278 R., elk Deimt groot 300 □ R. van 14 Groninger voeten,
en dus, naar de tegenwoordige Nedcrl. landmaat, 1159 B. 26 R. , —
dat ware dus 30 B. 42 R. minder, dan eerstgemelde begrooting bedraagt,
in welke laatste opgave de inhoud van den dijk van 1769 echter niet
begrepen is.
Digitized by Google
118
den van Oostwolde en Oostwolder Hamrik en de overige
kerspelen van het Wold-Oldambt onder Termunterzijl. De
eersten wilden weder de laatsten, even als bij de beide
eerste bedijkingen, mede de kosten gelijkelijk doen dragen;
deze weigerden dit, en schoon eerst herhaaldelijk in het
ongelijk gesteld, wonnen zij toch eindelijk het pleit, het-
welk ^.ceeds vóór de indijking begonnen, eerst in 1793 be-
slist werd (129). Wij vinden van deze inpoldering nog dit
vermeld, dat de polder na verloop van twee jaren zuchtig
werd (eene kwaal waaraan meer polderlanden in het Old-
ambt, zoo als wij zullen zien, thans lijden), waardoor de
landgebruikers gedurende zes jaren slechts een schralen
oogst en alzoo een sober bestaan hadden (130). Aantee-
kening verdient ook, dat er ten behoeve van deze in-
dijking vooraf' in 1764 reeds een plan beraamd is, om
eene uitwatering te graven, welke zou beginnen van zekere
plaats onder Termunten, alwaar de Oude Ae voor de be-
langhebbenden in de bedijking van geen dienst meer kon
zijn , en loopen bijlangs of des noods door zekere provin-
cielanden heen, met die voorwaarde, onder anderen, dat,
als, in vervolg van tijd, de provincie en particulieren , we-
gens derzelver aanwassende landerijen aldaar, eenige ver-
dere indijking zouden ondernemen, do alsdan in te dijken
landen, door dit zelfde kanaal vrij en onbelemmerd zou-
den mogen uitwateren, alsmede door het kanaal, dat
verder door de belanghebbenden zou worden gegraven
door de landen van particuliere eigenaren onder Termun-
ten, voor zoo ver zij daartoe zouden gcregtigd zijn (131).
(129) Zie dit broed voeriger aangeteekeud door feitii , Gron, Beklemr.
I, 554, 555, op dc Staats- Resolutie van den 26 Juni} 1761 mot opzigt
tot Provincicmeijers van Wcstcrlce te dezer zake genomen en inhouden-
de om daaromtrent in een vergelijk te treden. Hij haalt ook verder
(LI. 556) de Staats-Jiesolutien aan , waarbij dc schikkingen werden vast-
gesteld , tusscheu de Provincie en hare meijers gemaakt , achter wier
plaatsen slijk en aanwas bleef liggen , over het gebruik van den Dollard-
dyk , het nieuwo land en den aanwas , en vooral over do bevordering
van den aanwas; uit welk alles blijkt, hoe zeer men meer en meer prijs
stelde op deze aanwinst van land.
(130) Smith, a. w. bl. 45.
(131) Feith , Gron. Beklant . II, 321 , deelt dit mede volgens de over-
eenkomst daarvan, met Stadszegel cn brief bevestigd op den 1 Fcbr. 1764,
Digitized by Googl
119
Deze uitwatering echter, welke zeer kostbaar zou zijn,
is daarom toen ter tijd achterwege gebleven, even als in
1819, wanneer, gelijk nog later, velen weder zeer voor
het aanleggen van een kanaal naar de Fimel hebben ge-
ijverd, als zullende hetzelve , huns inziens, voor de afwatering
van den Oost wolder en Finserwolder Polder, van het Vier
Karspelen zijlvest en van Bellingwolde , die in hetzelve
dan zouden kunnen worden ingelaten, bijzonder dienstig
zijn.
Eindelijk is de zesde of laatste overdijking van den finser-
wolder Polder geschied in 1819, bevattende de kwelderlanden
achter dat dorp , den Goldhoorn , het Miinnikeveen en de
Binnen Ae. De dijk begint eveneens van den ouden dijk,
doch weder meer noordelijk dan de voorgaande, en loopt
met een flaauweren boog naar den Ganzendijk bij de Beert-
sterzijl; hij is 88 V. in aanlage en 14 V. hoog en heeft ge-
kost f 275,000 (132). Hij sluit in zich een polder, waar-
van liggen: B. R. E.
Ou
Onder de gemeente Finserwolde .... 651.13.60
„ „ „ Oostwolde .... 124.16.20
„ „ „ Nieuwolde .... 377.9 5.60
En welke dus groot is . . . 1153.25.40.
Dezen polder, welke, even als vorige, zoo genoemd werd
naar het dorp, waaronder de meerderheid der ingedijkte
landen gelegen was , trof het in de eerste jaren ook niet ge-
lukkig. Het eerste jaar na de inpoldering (1820) werd het
gewas door de aardvloo aanmerkelijk beschadigd ; in 1821
vernielde de veldmuis het winterkoren en het aankomende
koolzaad; in 1822 werd, door den sterken winter, geheel
het zaadgewas, zoo te zeggen, door de vorst vernietigd;
in 1823 werd door de veldmuis en slak alles aangetast en
ontzettend veel schade aangerigt en door het eerste onge-
dierte nog meer in 1824 , even als dit met den Oostwolder
en ingegaan tusschcn de Staats Gecommitteerden ter eener , en de Gc-
magtigden van de Geïnteresseerden van de Uiterdijlcslanden agtcr Oostwold
en Oostwoldmer-IIamrik , onder het Zijlvest van het Wolt-Oldambt gekoorigh,
alsmede de Gemagtigdcn van de Geïntercseerden van de Th'terdijkshnden ,
ngter Golthoorn cn Finsencoldt gelegen ter andere zijde.
(132) Smith, a. w. W. 417.
Digitized by Google
120
polder en de binnenlanden van het Oldambt toen plaats
had. Zoo liep tegenspoed op tegenspoed te zamen, om de
landbouwers van deze, der zee naauwelijks ontwoekerde
landen schier tot wanhoop te brengen; maar volgende
jaren vergoedden overvloedig de geledene rampen door de
uitstekende vruchtbaarheid van den grond (133). Deze
polder heeft met den voorgaanden nog eene eigene uit-
watering door de Oude Geut in den Dollard. Deze is en
wordt van dag tot dag echter meer onvoldoende, zoodat
de Oost wolder polder reeds sedert lang door een watermolen
en door eene stoommachine de zijne moet te hulp komen
en die van Finserwolder polder, voor een aantal jaren
nog goed zijnde , thans ook slecht is te noemen. Dit
werkt zeer nadeelig op den grond en deszelfs verbou-
wing, en reikhalzend ziet men daarom naar verbetering in
dezen uit (134).
Trekken wij nu te zamen al de beschrevene indijkingen
in den westelijken boezem , dan verkrijgen wij het volgende
overzigt van de grootte der polders en van de jaren,
waarin zij aangewonnen zijn :
Naam van den Polder.
Jaar der indijking.
Inhoudsgrootte.
De eerst ingedijkte polder
Westelijk van het Zijldiep
Oudland
Oud Nieuwland
Nieuw] and
Oostwolder polder
Finserwolder polder
1545
1597
1626
1665
1701
1769
1819
B.
6789
1112
1139
848
621
1189
1153
00
00
47
39
40
68
25
E.
00
00
59
24
23
30
40
Het geheel bedrag van
aangewonnen land in
het ingedijkte of
den Westelijken
12853
20
76
s
(133) SmITH, a. \v. bl. 422.
(135) Akends, Erdbeschrcib. S. 262, 263 , en OstfriesL u. Jever , I,
157, 158 , inzonderheid II, 143, 144, cn III, 510, 511, heeft de
ligging en grootte van deze en andere polders grootendeels opgegeven
Digitized by Googl
121
B. Bedijkingen in den Oostelijken boezem,
• a. In het Zuidoostelijk gedeelte, nog tot Gro-
ningen belioorende.
Onzen weg vervolgende waar wij dien bij Finserwolde
hebben verlaten , zoo kunnen wij hier de sporen van eene fc
oude bedijking nagaan, welke onmiddellijk bij de kerk de-
zer plaats oostwaarts geloopen heeft naar Veenhuizen en
dan zuidwaarts door de Tjamme noordelijk langs Beertstcr
Hoogen evenwijdig met het Beertster diep , en langs Beerta
naar de Zandhoogte , waaraan zij aangesloten zal hebben.
Bij Finserwolde is zij kenbaar in een voetpad, waaraan vroeger
huizen gestaan hebben en aan de dwarsslooten. Deze zal
hier wel de uiterste bedijking zijn, schoon de Dollard,
blijkens den kleigrond , die met een hoek tusschen Finscr-
wold en de Beerta zich binnenwaarts uitstrekt, nog ver-
der is doorgedrongen, misschien door de Tjam, welke
midden door den kleigrond loopt en welke dan ter plaats,
waar deze dijk haar doorsneed, een zijltje zal gehad heb-
ben , om het water van Finserwolde en de Beerta in den
Dollard af te voeren. Ten zuiden van de Beerta loopt hij
bijna langs den rand der klei. Deze dijk wordt wel voor
een ouden zomerdijk gehouden. Overigens is er niets van
bekend, wanneer hij gelegd is, en het dus twijfelachtig, of
hij als een vervolg van den dijk van 1545 te houden of
vroeger of later ontstaan is. — Ditzelfde is ook van den
naastvolgenden te zeggen. Ten zuiden van de Zandhoogte
kunnen wij duidelijk een dijk vervolgen tot de Rensel,
waar deze niet ver van Winschoterzijl eene bogt maakt;
maar er zal nog wel een meer binnenwaarts gelegen en
geloopen hebben naar Winschoten. De klei strekt zich tusschen
beide met eene bogt tot naar Oostereinde en Bovenburen
uit en wordt hier Buitenland genoemd, even als beoosten
de Beerta en voornoemde bedijking aldaar. Ten zuiden
van Winschoten doen zich weder verdere sporen van dij-
ken op, die deze plaats van deze zijde tegen het water
en berekend naar do kaart van iiomann van 1784 , do verkleinde van
beckekinou; wij behoeven niet te zeggen, dat z'ync opgaven derhalve
onnaauwkcurig en niet meetkundig juist zijn.
Digitized by Google
122
beschut hebben. De straat, die van den toren af eerst
regt, later gebogen loopt, en die aansluit aan de hooge
gaastgronden , welke noordelijk van de eigenlijke tegen-
woordige Gast of Garst tot naar het zuidelijk en westelijk
gedeelte van Winschoten loopen, heet de Vüschersdijk en
is hoog, in vergelijking van de tuinen, die daaraan gren-
zen. Het is wel te gelooven , dat deze straat een dijk is
geweest, die zoo genoemd is naar de Dollardvisschers, welke
daar woonden , en daar wel gelegenheid moeten gehad hebben
tot visschen ; want dat het water hier hoog genoeg gestaan
of geloopen heeft , bewijst de dikte der kleilaag , welke
kort aan Winschoten van 1.5 tot 2 E. den grond bedekt
Bij Winschoten treft men nog sporen van een ouden dijk
aan, komende van de Kensel, 300 E. westelijk van den
daarin gelegen grondpomp voor het doorlaten van het Zui-
derveenster water, zonder dat men bespeurt, van waar hij
verder mag zijn gekomen. Deze dijk loopt op Hoogebrugge
aan en is meer dan eens doorgebroken , daar er ten minste
drie kolken in geweest zijn, die later geslecht zijn, maar
waarvan het vroeger aanwezen uit de meerdere laagte van
den grond nog is aan te wijzen; ook weet men nog van
twee dier kolken, dat zij in deze eeuw zijn gedempt
De kamp , waarin aan de Rensel de dijk lag , heet nog de
KoUckamp , en zijne ligging is daar langs dwarsslooten nog
duidelijk zigtbaar. Van Hoogebrug liep deze oude dijk
langs de Gare laan oostwaarts en boog zich om Blijham;
want alhoewel zijn loop daar op het terrein niet juist meer
te herkennen is, is het toch wel zeker, dat hij zich aan
den Aadijk aansloot, daar, waar de Versche dijk, zijnde
de waterscheiding tusschen Lutjeloo en Blijham, aan den
Aadijk komt Verder zuidelijk zal er wel geen buiten-
dijk gelegen hebben. De kleigrond strekt zich nog ver
boven dien ouden dijk uit tot aan Blijham, westwaarts
tot Stroobos zelfs aan de Pekel Aa, en oostwaarts nog
zuidelijker langs de Westerwoldsche Aa tot aan de Wed/ter
bergen of zandhoogten , maar dit zal op beide punten het
gevolg zijn van de in- en overvloeijing van die beide
stroomen. Na deze bedijking moet in de Pekel Aa bij Hoo-
gebrug eene sluis zijn gelegd tot doortogt van het water.
De naam van Binnenland voor dat kleiland achter Blij-
ham strekt ten bewijs , dat het binnen de dijklinie is be-
Digitized by GoOgi
123
vat geworden. De Laudijk tusschen den Aadijk en de
Pekel Aa is nog eene bestaande verscliwaterkeering en
do scheiding tusschen de beide Tien en Vier Karspelen
Zijlvesten, en zal wel tot geen ander einde gediend heb-
ben. Behalve aan beide eindpunten is de kleigrond op
een aanmerkelijken afstand van dezen dijk verwijderd. De
veen- of darggrond aan de buitenzijde hiervan langs de
kleistrook is ook wel met eenige klei vermengd en daar-
door zeer vruchtbaar, terwijl de aan de buiten- en binnen-
zijde van dezen dijk grenzende bodem daarentegen schraal
en met heide bewassen is , zoodat men aldaar uit eene zeer
vruchtbare streek plotseling als in een woest oord komt
Verder naar Wedde treft men langs de Aa noe eene
soort van zoetwaterklei aan , maar die men althans tot aan
die plaats voor eene gemengde, zoet- zoowel als zout-
watervorming zal te houden hebben. Even als aan de
westzijde, zoo heeft ook aan de oostzijde de Westerwold-
sche Aa zich een breede kleizoom gevormd , voor een deel
vrij scherp begrensd door den Ouden weg, waarlangs vroe-
ger Vriescheloo en Bellingwolde waren gelegen (bl. 65) ,
zoodat deze weg misschien ook als dijk gediend en hare
wateren gestuit heeft, tot dat de volgende en hier
dan eerste bedijking over de Oude Schans dien hoofd-
stroom heeft afgesloten, even ais de andere in de-
zen uitstroomende zijtakken. Zoodanige zijtak zal toch
reeds, vóór dat zij door den Dollard onderschept is
geworden, geweest zijn de Pekel Aa en van deze
weder misschien de Rensel, of deze tak moest eerst
gegraven zijn bij den aanleg van de oude schipvaart van
de stad naar 't Oldambt in 't laatst der 16de eeuw, waar-
van dat kanaal, als het oude Winschotcr diepje, een deel
zal uitgemaakt hebben (bi. 22). Die stroomen echter,
de hoofd- zoowel als zijstroomen, zullen intusschen veel
verandering ondergaan hebben, even als later, nadat zij
weder binnendijks gebragt zijn, door vergraving.
Rekenen wij wat, buiten dit, door die eerste bedijking
aan land gewonnen werd, dan bepaalt zich dat hoofdzake-
lijk tot de strook Binnenlanden van Blijham en Winschoten ;
doch binnen welk tijdsverloop die aanwinst plaats had,
weten wij niet, als zijnde het begin, zoowel als het einde
Digitized by Google
124
daarvan , of de tijd dier bedijking , onbekend , althans geheel
onzeker, even als van de meest volgende.
Als tweede binnendijking is te beschouwen de oude dijk,
welke van meergenoemde Zandhoogte in 'het westelijk ge-
deelte van de Beerta ontsprong, zoo als wij gezegd heb-
ben (bl. 121), zuidwaarts door de Noorder Wuppen naar de
Kensel liep, van hier naar de Pekel Aa en, verder oost-
waarts zich wendende, voortging naar de Westerwoldsche
Aa bij de Oude of de Bellingwolder Schans, om van hier
met eene buitenwaartsche bogt zich te begeven naar de
Bone Schans op onze grenzen en te eindigen bij Bunde
in Oostfriesland. Van de Zandhoogte tot de Rensel is de
ligging nog bekend , van de Rensel tot het Pekcla-diep
eenigzins onzeker , maar van dit diep tot en over de Nieuwe
Aa (die vroeger de Recker Aa werd genoemd) is hij dui-
delijk terug te vinden , verder tot de Oude Schans wel niet
meer, maar van daar tot Bunde weder overal even goed,
vooral aan de kolken, daarin gescheurd, waarvan zich nabij
de Oude Schans drie en verder naar de Boner Schans zeven
tusschen beiden bevinden. Het is mogelijk , dat deze dijk ,
aan de Rensel gekomen , zich verder aan de Winschoter
hoogten heeft aangesloten , en dat er alzoo tusschen de Rensel
en het Pekela-diep geen tweede dijk gelegd is. In dat
geval kon ook de dijk oostwaarts van dat diep zich bij
Hoogebrug hebben aangesloten, en de zijl, die hier in de
Pekel Aa moet gelegen hebben , behouden blijven , die an-
ders in de nieuwe dijklinie moest zijn verlegd. Deze ver-
vallene dijk wordt van de Pekel Aa tot de Nieuwe Aa de
Buiten Zandkampen gehceten, even als de daarop volgende
oude dijk de Binnen Zandkampen, omdat ze beide bestaan
uit eene streep zand , ter hoogte op sommige plaatsen van
twee, op andere van drie tot vier voeten, waarvan ieder
landbouwer een gedeelte in zijn heerd heeft liggen, en
waaronder klei , even als aan weerszijden , is gelegen. Deze
dijkpanden zijn dus van zand gemaakt ; want klaarblijkelijk
is het door menschenhanden aldaar gebragt, en wel niet, zoo
als sommigen mccnen , bij dijkbreuken opgespoeld. Men zal
hier zand tot den dijk genomen hebben, om de klei te sparen,
en zoodanigen dijk voor een ka- of zomerdijk sterk genoeg
gehouden hebben. Het land tusschen den ouden dijk langs
Digitized by Google
125
de Gare Laan en de Binnen Zandkampen ten westen de
Nieuwe Aa gelegen, wordt de Twschendijken geheeten;
dat beoosten de Nieuwe Aa Beüingwolder Nieuwland, en
een paar boerenplaatsen aan den eersten ouden dijk, tus-
schen het Pastorijdiep en de Nieuwe Aa, draagt nog
den naam van Oude Dijk.
Het water van Bellingwolde enz., dat door de Wester-
woldsche Aa zich ontlastte, werd toen afgevoerd door de
Beüingwolder zijl, daar, waar later de Oude of Belling-
wolder Schans in 1593 door Graaf lodewijk van nassau
is aangelegd; het overige water van Bellingwolde met dat
van Wijmeer in Oostfriesland door een zijltje ter plaatse
van de Bone Schans, op de zoogenaamde Moersloot,
vroeger IlohoUsmaar genoemd; men heeft er nog in den
laatsten tijd het houtwerk van die zijl in den grond terug
gevonden. De Aa, die nu zeer gebogen om de Oude
Schans loopt, heeft vroeger eene meer regte rigting gehad
en midden door die Schans geloopen (135).
Eene volgende binnendijking van Finserwolde af, is die
van het hier onder gelegene Achter- ITamrik , de Vledder
en het Modderland. Deze dijk liep van die plaats naar of
over den Ganzendijk, den Egyptischen dijk en den Koedijk
tot even door de Tjamme bij Marijke, zoodat deze latere
nog bestaande dijken op dien ouden dijk mogen zijn aan-
gelegd ; hij boog zich dan zuidwestelijk over Beertster IIoo-
gen, kort langs de Zandhoogte, over de plaats, waar nu
de boerderij de Kloostergare staat, naar de Winscho-
ter zijl, d. i. die bij de houtzaagmolen gelegen, niet
de eerste westelijke, welke in de verbinding van de
Kensel met de Pekel Aa later gelegd is, en ging van
daar westelijk tot den vorigen dijk, waaraan hij zich on-
geveer op de helft tusschen de Nieuwe Aa en de Oude
Schans aansloot; het is althans, de rigting in aanmerking
■
(135) Volgens cene oude op het Stads Archief voorhandene geteeken-
de kaart van de lange akkers en aan den Dollard en Eems liggende landen
en aanwas van 1605, zoo als het opschrift luidt (van den voormaligcn
Archivarius Mr. n. o. feitti). Op deze kaart vindt men voorts getec-
kend , hoewel zeer onnaanwkcurig , van "Winschoter zijl tot de Oude
Schans , de drie oude dijken , den loop van de oude en nieuwe Pekel
Aa, het eiland Ulsda nog tusschen beide in den aanwas, enz.
Digitized by Google
126
genomen , niet onwaarschijnlijk , dat dit laatste deel of pand
ten zelfden tijde met het eerstgenoemde is aangelegd en
ééne bedijking uitmaakt. Het is bekend , dat de kruin van
dit gedeelte dijks eens de weg van de Oude Schans naar
Winschoterzijl was. De loop van dezen dijk is slechts
vermoedelijk aan te geven daar, waar hij noordelijk van
Beertster Hamrik, zuidelijk op eenigen afstand van de
Tjamme gaat, en de naam van Binnenland, aan het tus-
schen dezen en den volgenden dijk gelegen land van
de Beerta gegeven, zou doen denken, dat de volgende
dijk hier de eerste was; maar een paar vroeger bestaan
hebbende kolken in den eersten dijk bij de arbeiders wo-
ningen, die zich nog aan den ouden weg van Beerta
naar Drieborg bevinden en in de heerd van den Heer
dorenbosch, alsook zijn zekere loop ten zuidwesten
van dit punt, uit eene reeks van dwarsslooten ken-
baar, maken ook daar, zoowel als hier, zijn bestaan
waarschijnlijk. Van Winschoterzijl draagt hij den naam,
als gezegd is, van Buiten Zandkampen , bestaande uit
eene streek zand, even als de oudere dijk der Binnen
Zandkampen, waaraan nog een aantal kolken zigtbaar is.
Het tusschen beiden gelegen land heet het Nijland. Men
wil (smith), dat deze dijk in 1454 zou aangelegd zijn;
maar de dijk, destijds gelegd, ging niet verder dan tot
Finserwolde (bl. 81), en het blijkt niet dat die toen of
later vervolgd is.
Door deze binnendijking was het noodig hier en daar
de zijlen te verplaatsen. Finserwolde mag nu met de
Beerta door het Marijke het water langs de Tjam ontlast
hebben. De zijl op de Pekel Aa te Hoogebrug of de
Bruggezijl werd naar Winschoterzijl , ter plaatse boven ver-
meld, overgebragt, en Winschoten verkreeg toen mogelijk
een bijzonder peil door het aanleggen van het Duiker Val-
laat. Zoo dit toen gebouwd is , heeft men zeker de Pekel
Aa tot aan Winschoterzijl met kadijken voorzien.
Eene latere bedijking is die van Beertster Hamrik
of de zoogenaamde Binnenlanden van de Beerta. Deze
ging van den vorigen dijk bij het Marijke aan de Tjam
met eene bogt over Stoksterhorn , of nu Drieborg, zuid-
waarts en evenwijdig hier en daar aan dien vorigen dijk over
Beertster Hamrik, welks boerderijen meest op dien dijk
Digitized by Google
127
zijn gebouwd, tot naar het zuidwestelijk einde van
de Heerensloot of de (oude) Pekel Aa en verder tot
aan Winschoterzijl, sluitende dan hier weder aan den
vorigen dijk aan. De oude loop is aan de dwarsslooten
en aan de kolken , ten noorden van den Ulsder weg en de
Aa aanwezig, nog zeer bepaald na te gaan. Men houdt
dezen dijk vermoedelijk in 1550 gelegd (136); maar zekere
berigten of andere gronden heeft men, zoo ver wij weten,
daarvoor niet. Deze dijk wordt in oude stukken voor een
deel, van de Tjam naar Drieborg, de Hamdijk genoemd,
en deszelfs later vervolg naar de Nieuwe Schans en verder
naar Nieuw-Beerta , de Zuidwending. Zij maakte geene
verandering in de afwatering, noch werden er meerdere
of andere zijlen gevorderd, maar er had toch eene veran-
dering in den loop der Pekel Aa plaats. Deze liep name-
lijk van Winschoterzijl niet langs het tegenwoordige diep
naar de Bult in de Westerwoldsche Aa, maar langs ge-
noemde Heerensloot om Ulsda , dat toen , zoo als wij
gezien hebben , nog als een eiland tusschen beide stroomen
in was gelegen (bi. 92). De Heerensloot staat dan ook
in oude stukken nog als oude Aa bekend en de verlegging
hiervan of der Pekel Aa had plaats in 1596 (137).
(136) Smith, a.w. bl. 41. Feith, Gron. 23eklcmr.Il, 323, stelt omge-
keerd te laat deze bedijking op het jaar 1636, als namelijk onder den dijk ,
waardoor hij zegt dat Nicuw-Beerta ontstaan is, die bedaking te ver-
staan is en niet die van Stokstcrhom naar de Nieuwe Schans , welke
door cenigen ook wel, schoon ook verkeerdelijk, op het jaar 1636 ge-
steld en door hem niet genoemd wordt. De dijk van Drieborg naar de
rivier de Pekel Aa wordt als nog bestaande afgebeeld op eene kaart,
ook door bontko bennes in den jaro 1690 opgemaakt van de toen door
hem gemeten binnen dezen straks te melden dyk gelegene landen van
Oud- en Nieuw-Beerta en Ulsda. Eene Stadsresol. 15 Junij 1606 , nopens
den dijk van Beerta naar Bellingewolder-zijl uit te leggen, bijgeschre-
ven in het Reg. van de bitter, zal bovengenoemden dijk betreffen en
wel deszelfs uitlegging , die men toen reeds blijkt voor gehad te hebben.
(137) En wel ingevolge overeenkomst tusschen die van Winschoten en
Blijham ter eener en die van Bellingwolde ter andere zijde, over de uitwa-
tering uit de Pekel-Aa dwars over in de Bellingwoldster -watertocht of Zijl-
diep van den 3 Julij 1596, bygevoegd in het Heg. van de bitter. De
oude loop van de Pekel Aa om Ulsda wordt aangewezen op de ge-
teekende kaart van b. bennes, en op die van 1506, in beide de vorige
Aant. vermeld.
Digitized by Google
128
Aldus werd langzamerhand de diepe zuidelijke inham
van den oostelijken boezem ingekort. Men kan de grootte
van het tot hiertoe ingedijkte land op ons grondgebied in
den oostelijken boezem wel ongeveer aldus bepalen.
Westelijk van den dijk , waarop Beertster Hamrik ligt ,
waren er nu onder de gemeenten Beerta 1352 B., onder
Finserwolde 941 B., onder Winschoten 747 B. binnenge-
dijkt; zuidelijk van den dijk van Winschoterzijl naar de
Oude Schans waren onder Wedde en Blijham 1777 B. land
gewonnen, terwijl deze dijk tot naar de Bone Schans on-
der Bellingewolde en Vriescheloo 1955 B., onder de Nieuwe
Schans 276 B. aan den Dollard had onttrokken. In het
geheel waren er toen in dien boezem op ons grondgebied
reeds 7048 B. land binnen dijks gebragt.
Van de bedijkingen , welk» nu volgen en waardoor de inham
verder afgesloten werd , zijn de jaartallen naauwkeuriger be-
kend. Eerst werd er in 1605 van de Bone Schans ten westen
langs den weg, die nu van die plaats naar de Nieuwe
Schans gaat, een dijk aaugelegd, die tot aan de tegen-
woordige Kruisstraat in die Schans en van daar gedeelte-
lijk langs den ouden weg van die Schans naar Bunde
voortliep, waardoor, zoo als wij straks zullen zien, Oud
Bunder Nieutand aan de Oostfriesche zijde gewonnen werd.
De mac-adam weg op Hannoversch grondgebied is op de
kruin van dien dijk aangelegd. Den grindweg op ons
grondgebied heeft men niet op den ouden weg aangelegd
en de oude weg is in bouwland veranderd. Deze dijk is
nog overal aan te wijzen. Later (in 1628) heeft men juist
daar, waar de dijk zich oostwaarts boog, de Nieuwe Schans
aangelegd, welke gedeeltelijk binnen, gedeeltelijk buiten
dien dijk is gelegen, en wel op den ouden grond van
Houuringaham, althans zoo is deze Schans ook benoemd gewor-
den (bl.63); maar zij heeft den naam behouden van Nieuwe
of Lange Akher Schans en deze laatsten naam verkregen
naar de aldaar gelegene , d usgeno emde lange akkeren (Aant
135), even als dewijl, , daarbij vervolgens gelegd. In de
oostelijke gracht dezer vesting, juist in de dijklinie, vindt
men eene kolk, alwaar thans nog wel 8 — 9 E. water staat 9
zeker als het gevolg cener doorbraak, vóór den aanleg
daarvan voorgevallen.
Door deze bedijking werd de zijl bij Bone Schans nut-
Digitized by Googl
129
teloos, en er werden twee nieuwe zijlen gebouwd. De
eene voor Wijmeer, op het oude Wijmeerster Diepje , voerde
het water een weinig oostelijk van het tegenwoordige
Israëlietische kerkhof door den nieuwen dijk ; eene andere,
op de Moersloot, die toen daar langs liep, waar nu de
ruime marktplaats in de Nieuwe Schans is, voerde het
water van een gedeelte van Bellingwolde naar den Dol-
lard. Deze zijl werd de Lange Akker Zijl genoemd. De zijl
op de Oude Schans bleef bestaan.
Hierop volgde nu de afsluiting van de intusschen verder
aangewassen landen van de Beerta, Blijham en Belling-
wolde, van Drieborg of Stoksterhorn naar de Nieuwe Schans,
door de ingelanden zelve, maar ook onder opzigt der stad
Groningen , die intusschen door aankoop van het leen der
Heerlijkheid Westerwolde, waartoe de beide laatstgenoemde
dorpen van oud Reiderland gerekend werden, ook mees-
teres van dat landschap en die dorpen was geworden, en
wel in het jaar 1619. Zij maakte daarenboven , even
als hare voorgangers, aanspraak op de aanwassen dier
dorpen, en deze moesten die vrij koopen (in 1630) voor
de aanzienlijke som van / 20000, welke de stad ont-
ving , terwijl het leen haar gekost had / 141300 (138).
Zij deelde ook mede in de onderneming, als zijnde
zelve eigenares van landen en aanwas op de Ulsda
enz. (139). Men schijnt reeds het plan daartoe in 1625,
zoo al niet vroeger, opgevat en toen een kadijk ge-
legd te hebben naar en langs de Aa en eerst voornemens
(138) Zie het aan getee kende hierover door fbith, in Groninger Be~
klemregt , I, 354 enz.
(139) Zij bezat al vroeg land te Ulsda en had volgens eene Transac-
tie van den 31 Mei 1613 nog aangehandeld van de Kerkvoogden van
Bellingwolde den aanwas met zeker hoekje lands tusschen de Bellingwoi-
der (of Westerwoldsche) Aa en het Winschoter Zijldiep (of de Pekel Aa)
gelegen, groot 5 deimt, luidens aanteekening van feith, op het Regis-
ter van de bitter, en dit benevens overig Ulsda werd van de Beerta
op nieuw gescheiden door het opgraven van de Hterenêloot of de Onde
Pekel Aa, de oude grens tusschen beide , en alsoo het verschil daarover
met Beerta bijgelegd bij Accoord tusschen die stad en die van de Beerta
over de nije aangewassen landen bij <f Ulsda, van den 20 December 1617,
in afschrift aanwezig bij den Heer Notaris Mr. s. c. h. piccardt. H ierbij
werd al wat ten oosten die sloot lag aan de stad , en wat ten westen lag ,
aan Beerta toegewezen.
9
Digitized by Google
130
geweest te zijn de overdijking te doen over Ulsda, zoover
de aanwassen toen begroeid waren, maar die werd nog
uitgesteld (140). Zoo was ook het plan, toen dit hervat
werd in 1636, tevens met den aanleg van het Beertster
Zijldiep , gelijk uit de stukken daarvan blijkt (141) ; maar
(140) Zie over den (en dien jare voorgen om ene Beertster overdijking
de Sta Res. van den 14 en 26 Maart 1625; over de Ulsda, die
van den 21 Mei en 11 Junij 1625, in welke laatste zij uitgesteld is,
doch in die van 25 Julij 1625 weder besloten van Stoksterhorn naar Bon-
der Nieland twee zijlen te maken, en den 1 Octobcr nog in overweging
genomen, maar den 13 Mei 1626 besloten, de Beersterdijking dat Ujaar
alleen te repareren , de verdere in overweging te houden ; ten gevolge waar-
van dan ook bij Raadsrts. van den 12 Junij 1626 bepaald werd, die
van de Beerta te constringeren tot volvaardiging van den nieuwen dijk en
de sluiting aan de Zuitwending en verder naar Stoksterhorne en Finserwolde.
Onder den eersten zal te verstaan zijn de voornoemde dijk, die er toen
alreeds bestond, maar hersteld is van de Pekel Aa tot Nieuw Beerta,
gelijk onder de Zuidwending deszelfs bogtig vervolg naar Stoksterhorn.
(141) Het eerste Artikel van het Acooord , daarover den 1 3 Februarij 1636
gesloten tusschen de Stads en andere Gecommitteerden (als de volmagten van
de Beerta met Ulsda en Windeham , van Bellingwolde met Houwingdham , van
Bleijham en van Winschoten) , luidt , naar een afschrift ons geworden , aldus :
„Dat om de Beerster , Bleijhamster en BeUingwolsterWterdijcken , een dijck
„sal worden geleekt , beginnende van Doeke Bichts huis schuuckwers na de
„süjck , ende voorts op 't groene landt, over de Beerster endeülsder ende
„Bellingewoldster Wterdijcken tot aan Gaye Fockes huis in de Hamahe ofte
„daeromtrent hooch ende dick nae vereisch ende tot ordre der Gecom-
„mittcerden." In Art. 9, hiermede overeenkomstig besloten in de Wes-
terwoldsche Aa oene of twee z\jlen te leggen, en in Art. 17: „End-
„Ujk is bedongen, dat so haest het land tusschen de lang acker Schanta
„ende Storcksterhorne eene groene sweerde sal hebben (sestich roede,
„elck roede van 21 voet, voor het Canael afgeslagen) sullen voorscr.
„kerspelen geholden wesen gchjckelgk . . . een nieuwe overdijekinge met
„de nodige zijlen temaken, gaende de dijck van Stocksterhorne volgens
„tegenwoordige Kadijck , ende so dwars over na de Schansz." Art. 18. „So
„oock bij hoogerhand soo daene overdijeke verhindert worde, zullen de
„Kerspelen voorscr. geholden zijn met een dijck gaende van de lang
„ackerschans de Aa langs, insgelijcks aen d' ander zijde met een dijck
„gaende van Storcksterhorne, volgens de Kaadyck op de Aa, langs de
„landen, groen zijnde, in te dij eken." In de nadere Interpretatie van
n eenige poincten van dat accoord van den 9 Maart 1836 wordt gezegd,
„Art. 1: „Alsdat die tijd van Wtdijkinge in voorscr. contract niet geex-
„ primeert, wordt wtgestelt tot ancomende jaer, sulx dat ditjaer die al-
„daer genoemde beide sylen en de grondsp met den allereersten sullen
„ worden wtbestedet" enz. Volgens R. R. van den 28 Junij is de Beert-
ster zijl uitbesteed cn volgens die van den 25 Augustus van dat jaar het
graven van het diep.
Digitized by Google
131
men besloot eindelijk den dijk dadelijk zoo ver vooruit te
leggen van Stoksterhorn of Hamsterhoff y zooals het heet , na
de Lange Akker Schans, als zijnde de kortste en zekerste,
schoon kostbaarder weg, wegens den nog weeken grond
aldaar, en het gevaar van hooge vloeden (142). Het diep
werd wel gegraven, maar de dijk toen nog niet gelegd.
Men begon er eerst weder ernstig aan te denken in 1643,
en de hand aan dit werk te slaan in 1656 , zoodat dit in
het volgende jaar volvoerd werd (143). Zoo kwam ten laatste
deze gewigtige afsluiting tot stand , waardoor verreweg de
grootste polder werd gewonnen. Van dezen polder immers
behooren 1154 B. 75 R. 70 E. tot Beerta en Beerster-
hamrik, de Ulsda is groot 239 B. 35 R. 40 E., onder de
Nieuwe Schans behooren van dezen polder 424 B. 78 R.
28 E., onder Bellingewolde 371 B. 12 R. 69 E., onder
Blijham 174 B. 79 R. 75 E., zoodat de geheele polder
een inhoud heeft van 2364 B. 81 R. 82 E. (144).
Er hadden de volgende veranderingen met de uitwate-
ring plaats. De Westerwoldsche Aa had daarbij niet dien
loop, als zij nu heeft, maar stroomde van Tuitjehut in den
Dollard , langs de sloot , die van daar nog de oude Aa heet
(142) Zie het Rapport der Stadsgecommitteerden van den 1 April 1636
over de voorgestelde overdijking , en het verhandelde in de Stadsres.
van 8 April 1836. Uit die van 9 October 1638 en 19 Maart 1641 blijkt,
hoe de zaak nog steeds door de stad werd aangehouden.
(143) Zie de Stadsres. van 6 Mei 1643, 27 Mei 1651, 4 Julij 1655,
23 December 1656. Toen werd er rapport gedaan van de uitbesteding
van den Stockhomster dijk voor ƒ 72,170, en in het volgende jaar, niet
zonder tegenkanting echter van den Raad van State , de legging daarvan
met kracht doorgezet, volgens Res. van den 8 Jan., 11 April , 9, 23 en
30 Mei, 10 en 20 Junij , 18 en 20 .TM)', 9Sept.en 10 October 1657. Hke-
res, Bellingwolder Schans, Gron. 1820, en westendorp in k rem er,
Beschrijving van Groningen, TL, 119, stellen die bedijking op 1636, de
laatste namelijk den aanvang der bedijking, die eerst in 16 jaren zon
zijn afgeloopen, dat ware dus met het jaar 1652; arends, Noordzeekus-
ten, II, 189, op 1626 reeds, maar een en ander dus te onregt.
(144) Deze polder is ook gemeten , even als die van het Oud Nieuw-
land , in 1 690 , door den Landmeter bootko benwes , die dezen polder
tevens op de kaart heeft gebragt, boven (Aant. 136) vermeld, waarvan
eveneens cene kopij op het Provinciehuis te Groningen aanwezig is van
dezelfde hand, als door welke de kopij van het Oud Nieuwland is ont-
worpen.
Digitized by Google
132
In deze oude Aa werd bij de bedijking van 1657 de zijl
gelegd , de Aa-Zijl geheeten. De Stadsregering groef daarna
in 1661 een nieuw kanaal uit de oude Aa bij Tuitjehut
tot nader bij de Nieuwe Schans en legde in deszelfs mond
eene tweede sluis of Aa-Zijl. Deze uitwatering zou dienen
tot meerdere schuring der muden , vooral mede der Lange
Akker Zijl, die sterk toeslijkte, en deels ook tot eene ver-
dubbelde ontlasting van de Westerwoldsche Aa; misschien
ook wel , opdat de Nieuwe Schans dien stroom zou kunnen
bestrijken (145). Beide zijlen komen op oude kaarten nog
voor en schijnen in den vloed van 1669 weggespoeld te
zijn, waarop de eerste verlaten en de Aa gedempt, en
voor de tweede in 1670 eene nieuwe zijl en uitwatering op
eene andere plaats, tusschen beide vorige in , gelegd is (146).
Deze is de Tien Karspelen Zijl genoemd , naar de tien ker-
spelen in Reiderland en Westerwolde, welke daardoor uit-
waterden, nu ook weder de Oude Zijl, alhoewel zij niet meer
aanwezig is, daar zij door de legging van de Staten Zijl of
GeneraUteits Zijl door den Raad van State in 1707 in eene
binnensluis is herschapen en eerst behouden gebleven , om
de schuring van de binnenmude van die Staten Zijl te be-
vorderen , maar later om de kosten van onderhoud is wegge-
nomen. De Lange Akker Zijl werd ook verlaten door Bel-
lingwolde , toen dit dorp in 1657 zich geheel , zooals wij zullen
zien, onder de Beertster Zijl begaf; zij werd voorts nutte-
loos door de bedijking van den Charlottenpolder in 1682,
en deze weg van uitwatering voor de naaste Oostfriesche
landen ook door anderen vervangen. Er lag bevorens bij
de Nieuwe Schans in de Aa ook nog een zijltje, de Zurijne
Zijl geheeten, waarvan de plaats nog aanwezig is. Deze
is gelegd door Bellingwolde , toen het diepje uit de Aa tot
naar de Nieuwe Schans niet aanwezig was, naar wij mee-
(145) Kkkmeu, a. w. II, 120. Raadsres. van den 4 en 15 Mei, 22
Jttnij 1661. Bellingwolde en Westerwolde waren voor den aanleg van
deze «ijl, doch Beerta, Winschoten en Blyham er tegen en weigerden
er toe cn tot onderhoud bij te dragen , maar werden daartoe bijzonder-
lijk verwezen, als zijnde de overdijking ten hunnen behoeve vooral ge-
schied. Zie nog R. R van den 30 Maart 1667 cn volg.
(146) Zie Stadsvee, van den 10 cn 15 October 1669, 30 April, 19 Mei,
27 Junij cn 25 Mij 1670.
Digitized by Googl
133
nen , alleen voor het binnenland tusschen den Haradijk en de
Aa, en wel in het jaar 1689, nadat en doordien in 1686 de
Beertster Zijl was vernield geworden (147). Het over of ten
westen van de Aa gelegene Bellingwolder Nieuwland , met
de Oude Schanscher Uiterdijken, had zich reeds vroeger
met Winschoten, Blijham en de Beerta afgescheiden van
het Tien Karspelen Zijlvest De sterke aanwas had de af-
watering van deze achter of boven liggende landen al meer
en meer zoo moeijelijk en lastig gemaakt, dat zij, niette-
genstaande die verbeteringen en maatregelen, wel gedron-
gen werden hunne oude gewone afwatering langs de Wes-
terwoldsche Aa te verlaten en eene nieuwe op te zoeken.
Zoo bragten gezegde kerspelen in 1636 de hunne langs
een anderen weg over in den Dollard door het graven van
het Beertster Diep en het leggen van de Beertster of Vier
Karspelen Zijl bij Finserwold, zooals die waterlossing, schoon
met eenige verandering, nog bestaat en dus genoemd is
naar voornoemde vier daar onderhoorige dorpen (Beerta,
Winschoten, Blijham en Bellingwolde) , even als ook wel
Fïnserwolder Zijl in oude stukken, als binnen den omtrek
van dat dorp gelegen. De loop van het hoofddiep met
zijne toevoerende kanalen is hoofdzakelijk nog zoö , als het
toen is gegraven langs de Beerta; en de zijl zal ook nog
wel ongeveer op dezelfde plaats liggen, daar waar de
Egyptische dijk raakt aan den Ganzendijk, schoon de zijl,
eerst in 1669 en vervolgens in 1686 weggespoeld zijnde,
meer dan eens vernieuwd is, gelijk ook het diep wel iets
vergraven (148). Er werd dadelijk in 1636 ook bij ingela-
(147) Stadsres. van den 29 April, 26 Augustus en 26 September 1689,
waarbij aan Bellingwolde door de stad is toegestaan het leggen Tan de-
ze zjjl cn het graven van eene griffie door stads land, onder voorwaarde
van mede de Dollarddijkcn der vier kerspelen te onderhonden, waarover
met de stad verschil ontstond, en wat ook Blijham weigerde, tot dat zij
toegaven. li. R. van den 20 Maart, 15 en 31 Mei, 29 Augustus, 8 en
11 October, 21 November 1690. Hiernaar zal dc zijl en griffie ook wel eerst
in dit jaar voleindigd zijn.
(148) Men schijnt eerst het plan gehad te hebben het diep van daar ,
waar het in de Tjam kwam, langs dit oud stroompje te leiden cn dus
aan zijno nitlozing de zijl te leggen, volgens do Wtsprake hoe die van
Winschote ende Blijham socken deur die Beerta ende Finserwolder Hamrijk
na die nije Sijl wt wateren, van den 16 1636, waarin o. a. door do
Digitized by Google
134
ten het aan de noordwestzijde van de Westerwoldsche Aa
volmagten bepaald is , volgens eeno kop\j , bij den Heer oeorqius te
Blijham berustende :
1. „ Dat de van Blcyham sullen graven een diep , van omtrent Win-
„schotcr zijl ten oosten langs de Oostersche Wibbinge tot aan Beerster
„wech, wijdt sestijn voeten, diep ses voeten."
2. „En le de van Winschote van do Fekel Aa tot aan de Rensel
„door 'tland van de Erfg. van "Vreerk Doedens ende ten westen van
„bcere Haijkens Wibbinge, een sloot van acht voet, ende van do Ren-
sel bijlangs do Westersche Wibbinge , ende voor een gedeelte langs de
„wech tot aen't poinckt van Wibbinge landen, een diep wijdt 20 voet,
„diep ses voeten."
3. „Sullende om 't water onder de Pekel Aa ende Rensel door te krij-
„gen voor do van Blijham worden gelecht een grond zy'1, wijdt 12 voe-
„tcn, hooch 5 voet binnenweres, endo voor de van Winschote dergelijcke
„pompo van 8 voeten wydt, hooch 4 voeten."
4. „Endo vando voorscr. poinct vande Wibbinge landen bij langs de
„Beerster wech tot aen Geert Suntz off Herman Sickens huis , endo voorts
„met een zijdwendingho om de hoochto vande Bcerta, endo cndelyck bij
„ Herman Zorns landt weder bij langs do voorscr. wech , tot verbij de
„oklc Zijdtwendinghc , recht uit na do Tiammc worden gegraven een
„diep van 80 voet wijdt, ondo diep in 't lege landt 6 voet , endo in *t hoogc
„ dieper na gclcgenhcit van 't landt."
5. Endo» dan langs de Tjamme tot omtrent an 't Oosten van Finser-
„woldor zijldiep of Torpscn" (in eeno andere kopij staat: „omtrent an
„het ooster ofto an Finserwolder zijldiep of torpsen") „ endo van dacr met
„een zijdtwendingo tot aende nijo zijl, alles op voors. wijtte van 30 endo
„diepte van sesz voeten."
7. „Sullende de kosten vande zyl ende grontzijlcn met den aenclcef wor-
„den gevonden volgens 't gemaecte accoort over de vier kersspclen , Bel-
„liugcwolde, Blyham , Winschoot endo Beerta, ende van de gravinge
„tot aan 't point van Wibbinge bij Blciham ende Winschote respective,
„ ende van daer tot in de Dollart bij de drie kersspelen Winschote , Beerta
„ende Bleiham elx een gerechte darden diel uitgesecht dat elck sijn Tiammc
„sal verwijden op 15 voet aen elcko zijdt, makende voorscr. 30 voeten
„wijdte, ende diepte ais voorscr. van zesz voet."
In de Naerder interpretatie van eenigc beswarenissen tusschen de vol-
magten van do Bcerta en dio van Winschoten en Blijham van den 29
Aug. 1836 is echter bepaald (ook volgens afschrift by den Hr. ficcarot) :
1. „Dat dc zijl sal worden gelecht ten westen van do Tilde terplaet-
„ sen bij den Rentcmestcr alriede afgesien , ep de diepte van de ordinaris
„leegste ebbe in de Dollart, endo het diep en stuck by langs de dijck ,
„recht uit tot aen 'twest ende van Finserwolder pastorie tyn ackeren,
„endo voorts langs dc westzijd van dcselvctyn ackeren tot in de Tiamme."
2. „Welke Tiarame sal worden gegraven uit de mande van de drie
„kerspellen gelyek in de vooryge uitspracckc van 't diep door dc Bcerta
„is gesccht."
Digitized by GoOgL
135
gelegene deel ran Bellingwolde (149), hebbende het ander
3. „Wolck diep in 't west ende van do Becrta met de roijingc sul
., blijven bij langs de wech tot de roij in go van omtrent Be erts Smits huis
n na benedon genoomen, ende deselve beneden mij in ge ge volgt tot aen
„ de Til omtrent an 't Oosten van Nantko Walrix huis heert ende van
„daer recht na die Tiamme" enz.
Die in Art. 2 vermelde graving van de Tjam had nu ook niet plaats
op de diepte van 30 voet, maar op die van 20 voot, volgens Raads-
hui. 20 Aug. 1636, en z\J is dus niet tot hoofddiep vergraven, als eerst
besloten was. Hoe dit is geleid , zou ons kunnen leeren do Raadsres.
25 Aug. 1636, waarbd besloten is, het uit te besteden en den weg in
Finserwold naar do Beerta te leggen van den Veenhuister weg ten oos-
ten bij langs *tnye diep tot an de Tjamme, en van daar westwaarts ten
zuiden van dat diep naar de Beerta, of oostwaarts b\j langs de Tjam
naar 't Hamrik , — wanneer dit duidelijk genoeg was ; misschien nog eerst
een eind weegs langs de Tjam, en dan zooals het Bellingwolder Zijl-
diep loopt, dat eerst zoo ver tot Beertster Zijldiep kan gediend hebben.
Dit schijnt ook te volgen uit de nieuwe graving van het diep, nadat
de Beertster Zijl in 1686 was weggespoeld en in 1689 door eene nieuwe
is vervangen geworden , hebbende het veel moeite gekost de hierdoor
geslagene diepe kolk meester te worden. Bij de eerste wegspoeling der
stfl in 1669 schijnt hierin geeno verandering gemaakt te zyn. Zie o. a.
Raadsbesl. 15 Oct. 1669 , 19 Jutij 1670 ; omtrent de weggespoelde zijl in 1686
en hare herstelling , R.R. 1 en 18 Maart 1687 , waarbij die van Finscrwoldc
worden gelast , ten spoedigste de groote kolk te omvangen , en die van de
Beerta , het Hamrik , Winschoten , Bellingwolde en Blyham hen te hel-
pen; RJt. 28 Mei 1687, waar de nieuwe ztfl te leggen; R.R. 2 Junij
1687, over de herstelling van de nieuws doorgebroken kaijing om de
groote Finserwolder kolk; RJL 7 en 13 Junij 1687, de nieuwe Beertster
zijl te leggen, ten westen van het oude zijlgat, en de Beertster uitwatering
te graven door het Fledder in , of een weinig boven , of beneden het FUdder-
diefje; voorts R.R. 21 Julij , 8 Aug. , 6 en 12 Sept. 1687. Doch toen
schijnt de zijl nog niet tot stand gekomen te zijn; want volgens R.R. 29
Maart 1689 is de Drost van het Oldambt gelast de ingezetenen der
hierbij betrokkene kerspelen te dwingen het zijlgat te Finserwold te
stoppen, opdat dit niet verder afspoelde, cn andermaal den 7 Mei 1689
besloten, do sjjl weder bij het oude zijlgat te leggen, zoo als toen dan
eindelijk ook geschied is, en verder daaromtrent nog handelen de R.R.
15 Mei , 18 en 30 Julij alsmede 6 Aug. enz. van dit jaar. In het laatst-
genoemde besluit worden Beerta, Winschoten en Blyham nog toegestaan,
door drie Finserwolder heerden te graven eene nieuwe waterleiding,,
(149) In de overeenkomst van 13 Febr. 1636 luidt Art. 11 daarom-
trent: „Sullende die van Blgham en een gedeelte van Bellingewoldc
„over de Aa mit een grondzijl onder de Pekel Aa omtrent de Hcere
„ sloot ofte Olde Aa werden gerijft , wclckc Hcoresloot ofte Oldc Aa
„die van Blijhnm, Winschoot en de Beerta voorts sullen opgraven tot
Digitized by Google
»
136
deel aan gene zijde van de Aa met Vriescheloo en andere
dorpen van Westerwolde nog volgehouden door de Lange
Akker Zijl uit te wateren tot in 1657, toen , bij gelegenheid
der overdijking van Stoksterhorn naar de Nieuwe Schans ,
hieraan ook eene uitwatering is vergund door de Beertster
Zijl, en toen het BeMngwolder Zijldiep gegraven, althans
tot aan en in de Tjamme (150). Ten gevolge van de wegspoe-
ling van de Beertster zijl in 1686 heeft Bellingwolde be-
oosten de Aa zich weder afgescheiden en eene afwatering
verkregen door de Zwijne Zijl bij de Nieuwe Schans, als
reeds gezegd is, tot dat beide deelen zich weder hebben
vereenigd en begeven onder eene afzonderlijke zijl, de
BeMngwolder Zijl, nevens de Beertster Zijl in 1704 gelegd.
Daartoe werden boven de Oude Schans en bij Klein Ulsda
grondpompen onder de Aa doorgelegd , en het BelUngwol-
der Zijldiep tot aan de zijl door gegraven (151). De uit-
watering door beide genoemde zijlen is echter vooral be-
lemmerd geworden door de indijking van den Finserwolder
polder in 1,819. De Bellingwolder Zijl is zelfs geheel verlamd
geworden, door eene verstopping in de buitenmude in 1833,
welke dien ten gevolge in 1837 afgedamd, in 1841 wel
heropend en geheel hersteld , maar vervolgens ook weder
werkeloos is geworden. Bellingwolde waterde dan sedert
alleen weder in de Aa uit. Zij had daartoe reeds op nieuw
„aen voorscr. nije zijl." In hot volgende Art. 12 is ook vergund aan
Blijham , om Lutkcloo en de Hoorn , en aan Beerta , om Oostwold en
Finserwold mede in en door te laten , onder zekere voorwaarden.
(150) Zie de Sladsbesl. daaromtrent van 17 Maart, 30 Met, 1 en 3
Aug., waarin de bepalingen van die uitwatering zjjn goedgekeurd en
hare loop vastgesteld.
(151) Zie de Stadsresol. 5 Jwrij 1704, waarin het accoord tusschen
Bellingwolde en Finscrwolde over die uitwatering is geboekt en goedge-
keurd. Hiervan luidt het eerste hoofdartikel: „Die van Bellingewolde
„sullen gehouden weesen hacr watringo behorlyck te graven , mits dat
„deselve gcleidet worde dor hacr oude uitwateringc met ecu aparte
„mude en ock zijlc zelve, de mude tot in den Dollart apart."
Bij Sladsres. 11 Nov. 1718 is besloten: de mude van do Beertster zijl
door te graven, tengevolge waarvan zij vereenigd zijn. De Bcortstcr uit-
watering hield niet op veel twist op te leveren, onder de onderhoorige
kerspels , over het onderhoud daarvan , alsmede dat der dijken aan den
Dollard ouder het Zijlvest.
Digitized by Google
137
de toevlugt en buitengewone maatregelen genomen, door
het bouwen in het jaar 1828, bij Klein Ulsda en den
Hamdijk , van vier kapitale kostbare watermolens en het
vervaardigen van een afwateringskanaal in 1829 voor het
veenwater, bijlangs de scheiding van Vriescheloo, om het-
zelve dadelijk in de Westerwoldsche Aa te leiden en de
molens daarmede niet te bezwaren. Dit is wel van goed,
maar nog geenszms voldoend gevolg geweest, zoodat de
vele lage weide- en bouwlanden tusschen het dorp en de
Aa gelegen nog gedurig aan overlast van water lijden, en
alhoewel men in 1851 op het Buiskooldiep nog een water-
molen heeft gebouwd , met het doel om de Buitenmude ,
na eens opengegraven te zijn, door het spuijen met het
door dezen molen opgevoerde water open te houden,
schijnt het alsof deze maatregel niet vermogend is , om
Bellingwolde den waterafvoer naar de Bellingwolder Zijl
terug te geven. De Buitenmude, reeds meer dan eens
gegraven, schijnt niet opengehouden te kunnen worden,
en Bellingwolde lijdt nog altijd veel van water. Dit is
almede het geval geworden met vele landen onder de
Vierkarspelen of Beertster Zijl. Ofschoon het geheele Zijlvest
wordt bemalen, kan het toch niet dan gebrekkig den buiten-
boezem open houden. Die toestand heeft den wensch doen
ontstaan , een nieuw gezamenlijk uitwateringskanaal in den
Dollard en wel bij de Fimel te hebben. De volmagten van de
Beertster en Bellingwolder Zijlen hebben zich dan ook met
dien wensch in Julij 1836 tot den Koning gewend. Er deden
zich echter daarbij zoo vele moeijelijkheden op, bij de on-
derscheidene tegenstrijdige belangen, althans belangheb-
bende partijen, dat van dit plan niet kwam. Bellingwolde
trachtte dus weder de zijl te openen , en wel door eene nieuwe
uitlozing van de buitenmude meer noordoostwaarts door het
Lecgtje naar het Ukergat, in plaats van noordwestwaarts
in de buitenmude van de Beertster Zijl , zoo als zij vroeger
geloopen had. Hiertegen kwam echter de stad Gronin-
gen op , zich daardoor bekort vreezende in haar regt op
den aanwas , waarvan zij tot aan de Bellingwolder Zijl eige-
nares is (152). De oude uitwatering of buitenmude de ver-
(152) De stad heeft dien aanwas van die zijl tot aan dien ran den
Digitized by Google
138
dere scheiding daarvan zijnde, kwam die nieuwe uitwate-
ring nu door dezen haren aanwas te loopen en een deel
daarvan afgescheiden te liggen van het overige. Dit heeft
in 1842 oorzaak gegeven tot een kostbaar regtsgeding tus-
schen de ingelanden van het Bellingwolder Zijlvest en de
stad, dat eerst voor kort is bijgelegd, met het vooruit-
zigt, dat de landen onder genoemde zijlen bij de toe-
komstige indijking van den Dollard , eene betere wateraf-
leiding zullen bekomen , waaraan zij zoo zeer behoefte ge-
voelen. — Zoo is het ook gelegen met de hooger op liggen-
de kerspels van Westerwolde. Deze verkeeren in een even
slechten toestand van afwatering, zijnde deze hier niet
minder gebrekkig en onevenredig aan den toevloed. Deze
wordt wel minder, wegens den meerderen afvoer van wa-
ter naar Bourtange, en den minderen toevoer uit Munster'
land, door het herstellen der Lijdijken van Ter Apel naar
de Lauderveenen, en uit Drenthe, daar het Stadskanaal de
Mussel Aa reeds heeft afgesneden; maar aangezien de
landbouw ook in de lage gronden tegenwoordig graag de
ploeg wil zetten , wordt overlast van water meer dan vroe-
ger gevoeld. Er zijn wel maatregelen ter verbetering ook
hiervan voorgeslagen, maar tot nog toe vruchteloos (153),
en men ziet nog steeds naar eene verbeterde uitwatering
uit , die ook bij de in plan zijnde nieuwe inpoldering van
den Dollard tot over of aan die Aa, wordt zij uitge-
voerd, onmisbaar zal zijn en niet meer kan achterwege
blijven.
Wij vervolgen en sluiten de reeks der indijkingen aan
onze zijde van den Dollard met de vermelding van nog
twee belangrijke inpolderingen van wege de stad Gronin-
Kroon- en Stadspolder , vroeger reeds in haar bezit, aangehandeld van
de gezamelijke kcrspellieden van Finserwolde bij verzegeling van den 15
Maart 1726.
(153) WU hebben hieromtrent voor ons liggen een afschrift van een
adres van den Heer Notaris Mr. a. h. xomo te Wedde, in Julij 1830,
toen de landen daar zoo zeer door overstrooming hebben geleden, aan
de Provinciale Staten ingediend. Hij geeft daarin de oorzaken op van
de slechte waterafleiding in Westerwolde , en stelt voor een kanaal te
graven van de Ruiten Aa langs de grenzen tot in de Westerwoldschc
Aa by den driestroom, om den afvoer van water te bevorderen.
Digitized by Google
139
gen bewerkstelligd, te weten van den Kroonpolder in 1696
en van den Stadspolder in 1740. Zij deed dit geheel en
alleen als eigenares van de aanwassen, die achter den
Stoksterhorner dijk intnsschen weder ontstaan waren en,
althans voor het grootste deel, haar bijzonder eigendom
uitmaakten (154), eerstgenoemde bedijking echter nog niet
zelve, maar dooreen ander. Zij ging namelijk in het jaar
1695 eene overeenkomst daar over aan met den Heer AN-
tony de huyjbebt , Heer van Cruyningen en Hinckelnoort ,
Raad in den hoogen Raad van Holland, een man van een
aanzienlijk en beroemd Zeeuwsch geslacht uit Zierikzee,
van wien, als aanlegger van den polder, deze dan ook den
naam van Kroon- of Kminrngs-Polder heeft ontvangen. Er
werd daarbij o. a. bepaald : „ 1° dat die heer de landen in
1695 of 1696 zal moeten bedijken; 2° dat de particuliere
belanghebbenden in de ontworpene bedijking door de stad
zullen worden aangehouden , om hunne quota , deimt deimt
gelijk, tot het leggen en onderhouden van den dijk, mede
op te brengen ; 3° dat de bedijker de stadslanden , zestig
jaren lang, in erfpacht zal hebben, elke deimt voor 4%
gl. in het jaar" enz. Na de bedijking van den Kroonpolder,
die in den zomer van 1695 schijnt begonnen te zijn , maar in
1696 eerst volledig plaats had, werd de polder bevonden groot
te zijn 718 D. en 183 R. en laatstelijk, volgens de Kadastrale
meting, 483 B. 54 R. 10 E. Hij zou dus jaarlijks , gedurende
zestig pachtjaren, en wel voor de eerste maal in 1797 moe-
, ten opbrengen eene som van ƒ 3233,74 %\ doch welke som,
door de bijvoeging van den noordwestelijken hoek van den
polder, groot 10 D. 228 R., naderhand is vermeerderd tot
/ 3282,50. De aanlegger zelf heeft slechts weinige jaren
na de bedijking geleefd en daarvan genot gehad , want in
(154) Zoo komen deze landen voor in het Rapport omtrent de Stads-
financiën van den 14 Maart 1666. Zie Feith, Gron. Beklemr. II, 289.
Voorts in de Stadsrekeningen onder het Caput: Landen zoo die Heer
Drost voor dezen onder Gockinga Heerd heeft gebruikt, vódr de indijking,
onder den naam van do Stads Beerster Eamlanden , buiten de oude dijk
in den Oldambte gelegen, dat ia van den Kroonpolder, zoo sis dit nader
met de verpachting, telken jarc ter gedachtenis van desaclfs indijking,
in iedere rekening werd omschreven. Smith , a, w. bl. 323 , deelt der-
gelijk extract nit de Stadsrekening van 1745 mede.
Digitized by Google
140
1702 moet hij reeds overleden zijn. — In 1707 werd er op
dezelfde voorwaarden eene gelijksoortige overeenkomst in-
gegaan tusschen de stad en charles philip van dorp,
Raadsheer in den Hove van Holland, over de bedijking en
verpachting: „1° der stadslanden, van den groenen zoom,
bijlangs de ingedijkte landen van den Heer van CRüy-
ninoen, tot aan de Aa, en 2° der landen tusschen de
Oudé Aa uitstreek (in de Stads Rekening staat : Oude Uiter-
dijk) en de Nieuwe Aa, aan de Vier Karspelen zijl gele-
gen , te zamen groot 39 D. en 99 K." De huur werd be-
paald op jaarlijks 3% gh het deimt, en werd, voor de
eerstemaal, betaald in 1709 , met 137 gl. en 13 st 'Deze in-
dijking is volbragt in 1708 overeenkomstig een contract,
tusschen den Vorst van Oostfriesland en de stad Gronin-
gen vooraf opgerigt. De overeenkomst van de verpach-
ting van den Kroonpolder in 1756 een einde nemende ,
deed de stad al de plaatsen van dien polder in eene vaste
beklemming uit De Kroonpolder bestaat dan uit zeven
boerenplaatsen , welke , met den ouden dijk , en met ze-
kere 5 D. 112 E., omtrent de Nieuwe Schans bij de Olde-
zijl en Dijk, aan de Aa gelegen en in 1751 reeds onder
beklemming uitgedaan, het deimt tegen 13 gl. huur, te
zamen opbrengen eene jaarlijksche huur van 6015 gl. en
11 st (155). Hij watert uit door het Marijke Zijltje bij den
Finserwolder weg in het vervolg van de Tjam en zoo
verder in het Beertster Diep (156).
(155) Zie pbitii, Gron. Bcklemr. II, 514—316. De overeenkomst van
de bodyking en verpachting van den Kroonpolder is , krachtens Raads-
hui 13 April 16»5 , opgemaakt by eene verzegeling voor Stadhouder en
Hoofdmannen te Groningen op den 15 d. m. aldaar; en de tweede over-
eenkomst is opgemaakt den 20 Dec. 1707 en bevestigd by eene verzege-
ling van Luitenant en Hoofdmannen 16 Febr. 1708. De kaart van den
Kroonpolder van den Ingenieur bastiaan beck hangt ook nog op het
Stadhuis , schoon bijna uitgegaan.
(156) Volgens Raadabesl 2 Julij 1714, inhoudende, dat toen aan de
Meijeren van de Kroonpolder is geaccordeerd en geapprobeerd eene uitwa-
tering door het Marieke zijltje door die van Finserwolde , onder zekere con-
ditiën en rcslitutien. Bij Raadsbesl. 23 Nov. 1720 is aan die van den
Kroonpolder geaccordeerd , tot ontlasting hunner landen , op hunne kosten
een pomp van 4 voet onder door het Bellingwolder diep te leggen, mits si),
nevens die van Bellingwolde, de ringsloot onderhielden.
Digitized by GoOgL
141
De Stadspolder werd bedijkt geheel door de stad zelve
in 1740. Uit het breedvoerig en hoogst belangrijk ver-
slag, dat daarvan in 1741 bij den Raad is uitgebragt, en
uit andere stukken leeren wij de geschiedenis der be-
dijking en van dezen polder zeiven in de eerste jaren
vrij volledig kennen. Wij teekenen er het volgende hier
van aan. De Stadspolder is volgens de Kadastrale me-
ting groot 427 B. 68 R. 20 E., en de geheele uitgaaf,
van 1740 en 1741, heeft beloopen eene som van 66538
gl. 13 st. In 1740 werd van den polder reeds onder den
ploeg gebragt en met koolzaad bezaaid 638% D. en 47% R.,
welke eene hoeveelheid koolzaad hebben opgebragt , die , in
verscheidene ladingen naar Amsterdam en Rotterdam te
verkoop gezonden, na aftrek der onkosten van verzending
en het noodige inzaad , heeft opgebragt eene som van 84691
gl. 16 st., zijnde aldaar verkocht voor 40 tot 41 ponden
het last of 7 gl. 27 tot 46 ct het mudde, waarvoor men
hier niet meer dan 5 gl. 15 ct. had willen geven; zoodat,
indien van dit beloop ook nog wordt afgetrokken de som
van 13300 gl. 16 st 6 d., uitgegeven voor het bouwen
en oogsten daarvan, de geheele bedijking niet alleen uit
de vrucht van een enkel jaar was betaald, maar daarvan
zelfs nog was overgebleven een zuiver slot van 4852 gl.
6 st 2 d. De zomer was dan ook droog en zeer geschikt
voor de onderneming geweest. In het jaar 1742 heeft de
stad den noordwester vleugeldijk merkelijk doen verzwa-
ren, en bovendien vele onkosten moeten aanwenden tot
herstel van den dijk, die in den winter veel geleden had,
doch daarentegen ook van 762 D. 80 R. omgeploegd land
in dezen polder ingeoogst eene opbrengst van 44721 gl.
6 st Het jaar 1743 was minder gunstig geweest, door de
nachtvorsten en andere ongelukken, waardoor naauwelijks
een derde van het gewas tot rijpheid had kunnen komen , en
veel land nog, vóór den zomer, in losse huur had moe-
ten worden uitgedaan. Na dus in de drie eerste jaren
voor eigen rekening den polder te hebben aan zich gehou-
den, heeft de stad denzelven vervolgens in acht plaatsen
verdeeld en de beklemming der landerijen verkocht, den
dijk om den polder ten haren laste en voordeele behou-
den en dus ook het regt op den aanwas, om van geene
andere voorwaarden meer te spreken, waarop de polder
Digitized by Google
142
alzoo verhuurd is voor tien gulden jaarlijkache huur het
deimt , zoodat de acht plaatsen , te zamen groot 785 D. ,
jaarlijks tot huur opbrengen 7850 gl.; het spitland nog
28 }4 gl«5 net kerkhof ook nog 110J4 gl«» en dus d.e ge-
heele polder 7989 gl ; waarbij nog komt eene jaarlijksche
huur van 471 gl. van 157 D. over de acht plaatsen ver-
deelde en verhuurde Egypter groenlanden, gelegen onder
Finserwolde achter den dijk van dien naam, waarvan de
stad ook eigenares was geworden, en zoo meesteres is
van den geheelen , ook toekomstigen aanwas aan den Dol-
lard, tusschen de Bellingwolder moe en den Aa-stroom
en de verdere grens van den Groninger Dollard, welke
aanwas hier in het diepst van den boezem op heden we-
der het aanzienlijkste is (157). De Stadspolder heeft zijne
afzonderlijke uitwatering door een zijltje, in de Aa inden
noordwestelijken hoek van den polder gelegen, en een wa-
termolen voert het water voor die zijl in den binnen-
boezem op.
Het gezamenlijk bedrag van de door al deze polders
aangewonnen land in dit zuidelijk deel van den oostelijken
boezem aan onze zijde is alzoo te schatten, als volgt:
Onder Winschoten 747 bunder.
„ Blijham en Wedde 1951 „
„ Bellingwolde en Vriescheloo .... 2326 „
„ Nieuwe Schans . 773 „
„ Beerta en Beertsterhamrik 3657 „
„ Finserwolde, zonder het Meerland 941 „
In zijn geheel 10395 bunder.
c. Bedijkingen in het Noordoostelijk gedeelte van
den boezem of in Oostfriesland.
Aan de Oostfriesehe zijde liep, zoo als wij vroeger
gezegd hebben, de uiterste zeewering van de grens bij
de Bone Schans, als een vervolg van den HarneUjk,
(157) Zie de geschiedenis van den Stadspolder in feith, Gron. Bt-
klernr. II, 316—319. Met dat oogmerk, het volledige bezit van den
aanwas , zal de Stad zeker in 1700 besloten hebben , de landen bij de
Egypter dijken aantekoopen, volgens Secret. Raadsres. 4 Maart 170O,
even als vervolgens in 1726 die tot aan de Bellingwolder zijl (Aant. 152).
Digitized by Google
143
noordoostwaarts tot aan Bande, hetwelk op een hoogen
zandgrond ligt. Tusschen deze plaats en de grenzen is de
dijk echter geheel verdwenen, en duidt slechts de ver-
scheidenheid van den bodem de linie daarvan aan. De
hooge zandrug , die zich van Bunde af een uur ver noord-
westwaarts uitstrekt, zal hier waarschijnlijk eenmaal de grens
van den Dollard hebben uitgemaakt, daar het zand zich
schier onmerkbaar in den poldergrond verliest. Men heeft
dan vermoedelijk op den afstand van eenige minuten
den dijk aangelegd, welke zich hier en daar laat naspo-
ren. Verder op loopt de dijk in onderscheidene kronke-
lingen, in eene noordelijke rigting, op een meerderen of
minderen afstand van Weenigermoer, Georgiwold, Bömer-
wold, Mariencoor, naar Pogum aan de Eems, en sluit hier
aan dezen stroom alzoo de kring der dijklinie , even als zij
aan onze zijde begonnen is (158). Door dezen dijk, dien
men in de 16de eeuw gelegd acht, is eene streek gronds
van eenige, hier meerdere, daar mindere, breedte gewon-
nen, welks omvang wij echter niet nader kunnen bepa-
len, als daar minder mede bekend zijnde. De eerste
overdijking is die van Oud Bunder Nieuland (AU Bun-
der Neuland) 9 in 1605 ingedijkt, meerendeels door Neder-
landers, groot 1649 ]/ 2 D. (936,2 B.), waarvan de dijk den te-
genwoordigen postweg van Bunda naar de Nieuwe Schans
uitmaakt (159). Hierop zijn gevolgd : Charlottenpolder in
1682, groot 450 % D. (255,5 B.), Bunder Interrmanten ,
Noord- en Zuid-Ckrütian Eberhardspolder in 1707 van
2452 D. (1391 B.), Landschapspolder (LandscIiqfteUche Polder)
(158) Arehds, Noordzeekusten, II, bL 182.
(159) De ondernemers vcrpligtten zich , den Graaf van Oostfriesland,
van elk gras, eene tonne gerst aan de Rentekamer te Leer op te bren-
gen. Z|j hebben echter, onder voorwendsel, dat hun eene beloofde uit-
watering niet was verschaft , deze opbrengst lang terug gehouden. Hier-
over is een langdurig regtsgeding gevoerd, dat eerst in 1720 is bijgelegd.
Wiahda , Ost/ries. Gesch. III, 471. — De opgaaf in deimtenof grazen is
de oorspronkelijke, volgens arends; die in bunders, berekend naar de
opgaven in Oostfricsche Rijnlandsche maat van Dr. rbinhold , Hydrogra-
phie von Osffriesland in Journ. für die Bauhtnst von Dr. cbblle , B. XIII ,
H. 3 , S. 307.
Digitized by Google
144
in 1752 van 2026 Vi D. (1150,2 B.) , en eindelijk de Hevnüz-
polder in 1795 van 1 104 D. (626,8 B.) (160).
Er zijn alzoo vijf Oostfriesche polders, in eene rij van
het zuiden naar het noorden , de een voor den ander ge-
legen , te zamen groot 7673 D. of 4359,7 B. Hierbij kan
men nog een goed deel land voegen , dat tot den Dollard
heeft behoord en dat door den eersten dijk aan zijn gebied
werd onttrokken, maar waarvan wij de grootte niet kun-
nen bepalen. De beide Christian Eberhardspolders, waar-
van de noordelijke 173.2 B., de zuidelijke 142.5 B.
groot is, maken met den Bunderpolder, die een in-
houd van 1075.3 B. heeft, slechts éénen polder uit, en
worden alleen, als bijzondere, in den noordelijken en
zuidwestelijken hoek daar van gelegene polders, zoo ge-
noemd, dewijl zij door den Oostfrieschen Vorst van dien
naam zijn ingedijkt De Charlottenpolder is eveneens ge-
noemd naar de Vorstin van Oostfriesland , chbistina char-
lotta. Een gedeelte van dezen polder, ter grootte van
62 B. 66 R. 10 E., Kgt nog op ons territoir en wordt de
Linteloopolder geheeten, naar eene aanzienlijke familie van
dien naam, welke aldaar vele bezittingen had en dikwijls
met de stad Groningen over het onderhoud van den dijk
overhoop lag. Ook van den Zuider Christian Eberhards-
polder ligt een klein gedeelte op ons grondgebied , ter
grootte van 9 B. 69 R. 10 E.; dit gedeelte is ingesloten
tusschen den oostelijken dijk van de Westerwoldsche Aa
en den dijk van den Charlottenpolder, cue op ons territoir,
zoo als even gezegd is, Linteloopolder genoemd wordt.
Deze drie polders hebben in Oostfriesland 11 schoone
plaatsen en waren eerst domein, maar zijn later verkocht.
De Bunder Interresssantenpolder (ook Neu Bunder Neuland
geheeten) is een vrij eigendom van die van Bunde, Bau-
•
(160) Deze, naar den Pruissischen Minister von ubinitz genoemde,
polder schijnt reeds ingedijkt te zijn in het jaar 1775. Want hij wordt
gezegd in den vloed van dat jaar weder zijn dijk verloren te hebben , en ,
na hersteld te z'rjn, dit zelfde lot in het volgende jaar 1776 ondergaante
hebben , zoodat de polder weder in kwelder werd herschapen en 20 ja-
ren lang in dien staat bleef liggen. Zie arends , Watervloed, bl. 310
en 317.
Digitized by Google
145
lande en Hech. De drie overige polders zijn Erfpacht-
land, met uitzondering van het noorderdeel van Heinitz-
polder, dat voor 169 D. 393 □ R. of 96.5 B. bijzonder
eigendom is. De Landschapspolder, ook de Pruüsische
Polder geheeten, kan men houden voor de schoonste aller
marschstreken aan de Noordzee, zoo als de ingedijkte lan-
den hier genoemd worden; in vruchtbaarheid neemt hij
ook eene der eerste plaatsen in , en de rede daarvoor moet
men alleen in zijne droogligging zoeken, daar hij van al de
andere polders de eenige is , die het water in de Eems bij
Ditmm voert, waarheen de waterontlasting zoo voldoende is,
dat de polder zelfs bij langdurige regens altijd eene drooge
ligging kan behouden. Menige Dollardpolder in Groninger-
land mag hem in opbrengst overtreffen, en sommige met
even zoo aanzienlijke of nog fraaijere boerenplaatsen prij-
ken , zoo als met Nieuw-Beerta het geval is , maar der-
gelijke 23 gebouwen van ééne grootte op eene uren
lange rij , aan den rijweg , welke dien polder van het
noorden naar het zuiden doorsnijdt, gelegen, als hier,
zal men wel vruchteloos ergens meer zoeken. Fre-
DBRIK de Groote liet dezen polder in 1752 indijken ,
verkocht echter drie jaren daarna daarvan 400 % 0 D. of
229.1 B. aan particulieren voor 59,161 Pr. rijksd. 15% schell.
en het overige van 1625 D. 367 R. aan het Oostfriesche
Landschap voor 240,000 R., in het geheel alzoo voor
291,161 R. 15 % sch. Het Landschap deed hierop deszelfs
aandeel weder in erfpacht uit aan bijzondere landbouwers,
welke huizen daarop bouwden , zelfs in 1763 eene kerk èn
een eigen predikant aanstelden, het eenigste voorbeeld,
zegt arends, dat een polder, voor zich alleen, eene kerk
stichtte; namelijk in Oostfriesland: immers in ons gewest
en onze Dollardpolders hebben meer dorpen hunne eigene
kerken, om van andere oorden niet te spreken. De Hei-
nitzpolder heeft 9 plaatsen; de Bunderpolder 62, waarvan
menigeen met die van den Pruissischen polder kan wed-
ijveren, alle aan den zoom van de klei op zandgrond ge-
legen, in eene ook onafgebrokene rij van één uur lang.
Uitgezonderd deze laatste, wateren alle polders in den
Dollard uit door de Westerwoldsche Aa , buiten of bene-
den de Statenzijl ; de Heinitzpolder door eene eigene zijl ,
10
Digitized by Google
146
en de overige door de Wijmeersterzijl (161). De meeste
polders, hoog genoeg liggende, hebben eene tamelijk goede
afwatering; alleen Oud Bunder Nieuwland niet, dat, laag
liggende , van het winterwater zou lijden , als het niet door
molens droog gehouden werd.
Voegen wij nu de slotsommen bij elkander van den in
elk gedeelte aangewassen grond, in volle bundertallen ge-
nomen , zoo verkrijgen, wij de volgende uitkomst:
In den westelijken boezem 12853 B.
_ , . (Z. O. gedeelte . 10395 B.
In den oostelijken boezem Q 4359 B-
27607 B.
Rekent men hier nog bij 1500 bunder , dat de eerste dijk
van Bone Schans naar Bunde en van Bunde noordop aan
de oostzijde van den Dollard bij schatting heeft onttrokken,
dan vinden wij al het ingedijkte land groot te zijn 29107 B.,
waarvan nog geen % deel tot Oostfriesland of Hannover,
en meer dan % deelen tot ons gewest en rijk behooren.
Voegen wij hierbij nu de grootte, welke de overgeblevene
Dollard, volgens eene hier na te maken berekening, bin-
(161) Door de bedijking van den Charlottenpolder was de zijl op het
oude Wijmeerster diepje, in den dijk van 1605 aanwezig, nutteloos ge-
worden. Er werd toon aan de Oostfriesche kerspelen toegestaan, dat de
contre écharpe van de Lange akker Schans, achterlangs de galg tot in
de gracht, voor zooveel Bunder-Nieuland betrof, en bij den landsbrng of
daaromtrent, mede tot in de gracht, voor zooveel Bande, Wijmeer en
Dunebrock aanging , zoude mogen worden doorgegraven , ter lossing van
hun water, ingevolge eene overeenkomst, gemaakt in 1697, tusschen de
Regering van Groningen en Oostfriesland. Hiertoe behooren de Raadsbtsl
van 11 en 30 Julij en 3 December 1696, en 10 Febr. 1697, waarbij die uitwa-
tering bepaald is. Vervolgens in 1700 kwam men overeen, om een ka-
naal te graven door de Stadslanden, bij de Nieuwe Schans gelegen, tot
in de Aa , en vervolgens in den Dollard ; onder voorwaarde , van ten
behoeve der reizigers aan te leggen en bevaarbaar te maken eene griffe
van 20 voeten Rijnl. en althans 6 v. diepte, van de Lange akker
Schans af tot aan de kolk bij Bunda; 't welk echter niet ten uitvoer
schijnt gebragt te zijn , maar het Wijmeerster diepje werd nu binnen den
dijk van 1605 tot aan den Bunder paal, en zoo door den Charlotten-
polder naar de Aa geleid , en hier een zijltje in den dijk gebouwd.
Kremer , a. w. bl. 121, cn de Stadsresolutien daaromtrent genomen den
19 Junij, 6 en 7 Novb. 1699, 16 Januarij 1700.
Digitized by Google
147
nen den tegenwoordigen dijk nog bezit, te weten van bijna
12888 B., dan zal de geheele waterplas eenmaal in hare
grootste uitgebreidheid , of begrepen binnen den aangedui-
den omtrek van het aangeslijkte land en de Eems , wel
geschat kunnen worden op 41995 B. ; en vergelijken wij
de grootte van den geheelen voormaligen Dollard met die
van den tegenwoordigen boezem, dan staat die tot den
laatsten als Sy^il (162).
Wat zich voorts ten opzigte van den gang der aanslij-
king hieruit laat afleiden , aan de beschouwing daarvan
zullen wij nog ten slotte onzer eerste Afdeeling een afzon-
derlijk Hoofdstuk wijden, om dit te besluiten met de ver-
dere opgaaf der voornaamste lotgevallen , welke de ge-
noemde bedijkingen door watervloeden hebben ondergaan.
Wij hebben dan het eerst te vermelden den hoogen
springvloed, welke op den 15 Augustus 1597 de Neder-
landen kwam bestoken, en waardoor Groningerland bijna
geheel en al onder water liep , ten zelfden tijde dus als
de dijk van 1597 gelegd is. De sluizen te Delfzijl, bene-
vens eenige andere (die niet genoemd worden) , werden
weggespoeld , de schans te Keide spoelde voor het grootste
gedeelte weg, en de Oostersche dijken aan den Dollard le-
den ook zoo zeer door dezen ramp , dat de hulp der Omme-
landen bezuiden en benoorden het Damsterdiep , even als bij
vroegere dergelijke onheilen, werd ingeroepen, om die te
herstellen (163). — In den vloed, welke in December des
jaars 1626 (toen er ook weder eene indijking plaats had)
(162) Arends, Noordzeekusten, II, 190, schat al het polderland aan
den Dollard ontwoekerd , dat in den zuidelijken boezem bij Scheemda
niet medegerekend , op 4'/ 2 □ mijlen of bijna % van de oppervlakte
van den geheelen oorspronkelijken boezem, welke hij, dien kleinere bij
Scheemda ook daaronder begrepen, op ruim 7>/ a □ mijlen begroot (bl.
183). Hij handelt hier verder over de indijkingen van den Dollard,
alsmede in zijne vroegere werken, Erdbeschreib. S. 262, 263, Ostfriesl. u.
Jever, II, 143; III, 510, gelijk ook vóór hem, j. c. freksi , Ostfriesl.
u. Harlingerland , I, 375. — Reinhold schat, iets minder, den omvang
van den oorspronkelijken Dollard op 7 Q mijlen , van den tegenwoordi-
gen op 2 □ m. , zoodat er 5 □ m. weder aangewonnen zouden zijn.
Zie zijne a. verh. Hydrographie von OstfriesUxnd in crelle's Journ. för
die Baukunst, B. XII, H. 3, S. 307.
(163) Zie arends , Watervl., bl. 106, en de StaatsresoL 22 Jumj
1598, medegedeeld in feith, Gron. Beklemr., I, 28.
Digitized by Google
148
vooral ook Oostfriesland teisterde, werd de Winschoter
en de Bellingwolder zijl ten eenemale weggeslagen, gelijk
ook Critzummer zijl in Neder-Reiderland aan de Eems , en
daardoor dit land onder water gezet en veel schade aan de
Dollarddijken toegebragt (164). — In Januarij 1643 viel er
over Groningerland en Oostfriesland een zware vloed voor ,
waarin Reiderland wel het meest leed, zoodat het wa-
ter van beide kanten, van de Eems en van den Dollard,
hetzelve overstroomde, de dijken bijna geheel omverre deed
storten en wegdrijven, onderscheidene kolken daarin spoel-
de , tot in de dieper landwaarts in liggende dorpen Bó-
merwold, Georgiwold en Wenigermoer, en tot de vrij hoog
liggende veenbouwlanden doordrong, eene menigte huizen
wegspoelde, en groote en kleine dargklompen in tallooze
menigte uit die kolken over de landen spoelde, die daar-
door bedierven. — Reiderland werd mede door den St Pie~
tersvloed van den 22 Februarij 1651 zwaar geteisterd. Overal
rolden de zeegolven over de dijken heen, doorbraken dezelve
op vele plaatsen en bedekten het geheele land tot aan den
hoogen zandgrond. Zeer zwaar leden ook de Dollarddijken.
Dit blijkt uit de veelvuldige klagten van de meijers der JPro-
vincielanden aan dezelve gelegen, over de groote kolken,
die er in hunne landen en dijken, o. a, drie te Wolden-
dorp en een te Finserwolde, waren ontstaan, over het be-
zwaar van derzelver herstelling en over de schade die het
zand en het darg, uit de ingeslagene kolken in menigte
over hunne landerijen verspreid , daaraan voor verscheidene
jaren hadden toegebragt, en ten gevolge waarvan ook we-
der eenige landen , door het schieten van de spade, aan
de Provincie in eigendom zijn overgedragen (165). — In den
zomer van datzelfde jaar (28 Aug.) dompelde een tweede
stormvloed Neder-Reiderland weder in diepen nood. De
dijken werden zoo hevig bestookt, dat er tien of meer
doorbraken ontstonden, van welke drie ebbe en vloed
hielden , en het land aan overstrooming bloot stond. In
(164) Arexdb, WatervLy bl. 130, deelt die uit Ooetfriesche Archief-
akten mede, waarin Rengumwolder-zijl genoemd wordt, maar welke hij
veronderstelt , dat de Bellingwolder-zijl zal zjjn.
(165) Fbith, Gron. Beklemr., I, .336, en II, 541, waar de verzege-
lingen van dien overdragt worden aangehaald.
Digitized by Googl
149
Opper-Reiderland liep het Oud Bunder Nieuland onder,
door het bezwijken van den beer in de gracht van de
vesting de Nieuwe Schans. — Op den 25 November 1665
hadden de dijken in deze provincie , en ook die om de Dol- •
lard door zware stormen en hooge vloeden zeer veel te
verduren; zij werden hier en daar zelfs geheel weggespoeld,
zoo als te Finserwolde , en daarbij werd er weder veel darg
uit de kolken geslagen en over de landen gebragt (166). —
In 1669 wordt er alleen van een vloed in Oostfriesland ge-
waagd, doch deze moet ook op onze kusten en wel van
den Dollard zijne magt hebben uitgeoefend, daar, gelijk
wij zagen, in dat jaar de zijlen bij de Nieuwe Schans en de
Beertster zijl vernield zijn (bi. 132, 133.) — Veel erger ech-
ter werden de dijken aan den Dollard tot aan de Nieuwe
Schans gehavend in den Novembervloed van het jaar 1675 ,
waardoor een groot gedeelte hier en elders der Provincie
met het zoute water werd bedekt, de ten gevolge van den
Munsterschen oorlog en de inlating van het zeewater in 1672
verarmde huislieden nog meer ten achteren kwamen, en
vele landen geheel verlaten werden, woest of ledig bleven
liggen , en niet of alleen voor de belastingen verhuurd kon-
den worden (167). — Deze kommerlijke toestand der land-
lieden duurde voort tot, en werd nog verergerd door den
St Catharinavloed van den 25 November 1685 , waarbij op
sommige plaatsen, met name te Terraunten, de dijken tot
aan den grond toe werden weggespoeld , doch inzonderheid
door den St. Martensvloed van 1686 , tusschen den 12 en 13
November voorgevallen. Deze is een der meest verwoesten-
de geweest. Het grootste deel der Provincie werd onder
water gezet en in den grond bedorven, zoodat de stad Gro-
ningen als een eiland in volle zee lag. Hij deed ook zijne
woede gevoelen aan de Eems- en Dollarddijken. Deze
(166) Uit hoofde van het gevaar, waarin het geheele Oldambt ver-
keerde , en van het onvermogen der Finserwolders , om hunnu dijken tc
herstellen, besloot de Stadsregering, by Resol. 27 Maart 1666, dat deze
herstelling door het geheele Wold-Oldambt zon geschieden, maar trok
dit besluit weder in en bepaalde bij Resol. 11 Maart 1666, dat de eige-
naars voor dit maal de meijers in de hermaking der dyken voor de
helft zouden te gemoet komen , iets dat anders streed tegen de huurcon-
tracten. Zie fbitii, Gron. Bcklemr., II, 293.
(167) Fbith, Gron. Beklemr., I, 404.
Digitized by Google
150
werden zoo vernield, dat er van Delfzijl tot aan de Oude
Schans slechts eenige brokken van over bleven. Het dorp
Oterdum ging bijna geheel verloren, benevens de dijk al-
daar, waarbij de oude grondvesten der huizen van het
oude dorp, dat vroeger verder naar zee toe gestaan had,
te voorschijn kwamen. Te Termunterzijl spoelden al de
huizen tot op de grondslagen zoodanig weg, dat men ter
naauwernood nog eenige overblijfselen van dezelve ont-
waarde, terwijl er slechts twee menschen hun leven red-
deden. Tusschen Noordbroek, Zuidbroek en Scheemda
dreef het zoo vol van allerlei soort van huisraad, dat
men moeite had, om er met een schuitje door te komen.
Merkwaardige voorvallen van redding uit dezen nood
worden verhaald, welke wij hier echter met stilzwijgen
voorbij gaan. Reiderland leed daarbij weder het meest,
even als voor 43 jaren. Binnen eenige uren werd het ge-
heel onder het water bedolven; de golven rolden eene
manshoogte over de dijken. De oude Bunderdijk , van
Bunde naar de Oude Schans, was grootendeels tot den
grond weggespoeld, slechts hier en daar nog waren brok-
ken staande gebleven, en de nieuwe dijk van den Char-
lottenpolder was ten eenenmale geslecht; voorts was de
oude sluis bij Bunde weggeslagen, terwijl er tevens onder-
scheidene kolken in den dijk gespoeld waren, o. a. de nog
bestaande groote Reider kolk ten noordwesten van Bunde.
Ook te Finserwolde scheurde weder eene groote kolk in
den dijk, sloeg de Beertster zijl weg en werd het zijlgat
door de ingestovene golven verbreed. Tot herstel hiervan
moesten dan ook andere kerspelen, dan de dijkpligtige ,
bijspringen en werden er krachtige maatregelen genomen,
zoo noodig, om niet het geheele Oldambt weder prijs te
geven aan de baren der zee (168). — In den Vastenavond-
vloed van den 3 Maart 1715, waarbij al de aangeslijkte
landen door de zeegolven overdekt werden en de dijken
(168) Zie over den St. Martensvloed , behalve arend s . Walervl. , bl.
180, ook fbith, Gron. Bcklemr., I, 414, II, 542, waar de Staats-reso-
lutien betrekkelijk het herstellen der dijken door het geheele Oldambt
genomen , van den l en 15 Julij en 30 November 1686 en van den IS
Maart, 31 Mei en 15 Junij 1687 worden aangehaald; die omtrent de Fin-
scrwoldcr of Beertster zijlkolk zijn reeds medegedeeld Aant. 148, bl. 135.
Digitized by Google
151
veel leden , spoelde er in den Reiderlandschen Dollarddijk
bij Wienham een groot gat, de nu droog gemaakte Wien-
hamst&r kolk, hetwelk ebbe en vloed hield; verder noord-
waarts naar Pogam ontstonden er twee. — Dit was echter
maar een voorspel van den allergeduchtsten en zoo alge-
meenen Kersvloed van 1717, welke de ellende van de bui-
tendien, door de zich in 1713 openbarende besmettelijke
ziekte onder het rundvee, verarmde landlieden voltooide,
en deze provincie op den oever van haren ondergang bragt.
Wat het Oldambt en deszelfs dijken betreft, zoo werden
deze toen , voor het grootste deel , van de kruin beroofd ,
op eenige plaatsen ten eenenmale weggeslagen, en tevens
vele gaten in derzelver voet gewoeld, het grootste alweder
digt bij Finserwolde en twee van minderen omvang bij
Woldendorp. Mid wolder Ham rik leed het zwaarste ver-
lies; 13 menschen verloren aldaar het leven en 60 huizen
werden verwoest. Van Neder-Reiderland schijnen er be-
rigten te ontbreken (169). — Noodlottig was de schrikkelijke
stormvloed van den 14 en 15 November 1775, voor den
toen voor het eerst ingedijkten Oostfrieschen Heinitzpolder,
daar deszelfs dijk op vele plaatsen tot op den grond weg-
geslagen werd , en het schoone raapzaad, waarmede de ge-
heele polder bezaaid was, verloren ging. De dijk werd
in den volgenden zomer van 1776 wel hersteld, maar door
den vloed van dat jaar weder overal doorboord en op
verscheidene plaatsen zoo tot op den grond geslecht, dat
de polder weder in kwelderland werd herschapen, en zoo 20
jaren in dien staat bleef liggen , namelijk tot aan de herdij-
king van 1769 (Aant. 160, bL 144). — Eindelijk deelde nog
het Oldambt met zijne dijken in den laatsten rampspoed van
1825. Zij braken op onderscheidene oorden door, zoodat
de gemeente Termunten, een groot deel van Nieuwolde
en de landen van Nieuw-Scheemda onderliepen (170). —
Zoo was , en is het nog steeds , onder eene bestendige
worsteling met de baren, dat wij onze veroveringen op
dezelve hebben moeten maken en behouden!
(169) Arends cn feith, a. w. deze laatste t. n. pL, II, 542, doch
vooral I, 456 — 458.
(170) Smith, a. w. bl. 423.
Digitized by Google
VIJFDE HOOFDSTUK.
Over den gang der aanslijking, bepaaldelijk over den jaar-
lijheken aanwas van den aangewonnen Doüardgrond,
" ^ ééèedfs bedijking afgeleid.
■ '< - ' !•» '. •: . •
Om den gang , welken de aanslijking of de aanwas aan
den Dollard genomen heeft, te kunnen opmaken, moet
men in de eerste plaats kennen den tijd en de grootte der
onderscheidene indijkingen. Zulks is echter geenszins, zoo
als wij zagen, van alle polders, van de nieuwsten tot de
oudsten toe, bekend; van eenige dezer geheel niet, van
andere onzeker, zoodat men die zaak niet wel, althans
niet naauwkeurig, over den geheelen aangewonnen Dollard-
grond en van het begin af tot heden toe kan nagaan. In
den westelijken boezem , die van lateren oorsprong is ,
heeft men daarvoor nog de meeste zekerheid, en dit heb-
ben wij hoofdzakelijk dank te weten, aan den inhoud van
den Stichtingsbrief van het Termnnter zijlvest en wel aan
meergemeld Art. 12, dat, gelijk wij zagen, telkens, schier
met iedere bedijking , aanleiding gaf tot twist en inroeping
van beslissingen der daartoe bevoegde magt. Het is ook eerst
met de 17de eeuw dat deze beslissingen en andere stukken
omtrent die bedijkingen in de stads Archieven van Gronin-
gen , onder wier toezigt zulks plaats had, meer geregeld
zijn bewaard gebleven en ons de noodige inlichtingen kun-
nen geven. In den oostelijken en deels wel ouderen boezem
op ons grondgebied , verkeeren wij in dit opzigt nog in het
duister tot aan de Stoksterhorner overdijking in 1657.
Streng genomen kunnen de hierop gevolgde bedijkingen
Digitized by Goc
153
van den Kroon- en Stadspolder zelfs nog niet hierbij op-
genomen worden, aangezien de aanleg van een gedeelte
dijk van den eersten polder, namelijk de Koedijk, ouder
dan het overige en onbekend is; en wij moeten dus, om
ten minste laatstgenoemden polder mede in rekening te ne-
men , dien dijk als gelijktijdig stellen met den dijk van 1695.
De bedijkingen in Oostfriesland zijn daarentegen meer vol-
doende bekend. Men kan den gang der aanslijking van de
polders in dit gedeelte van den oostelijken boezem alzoo
naauwkeurig nagaan sedert 1605 of de bedijking van het
Oud Bunder Nieuland; op ons grondgebied of in het zui-
delijk gedeelte eerst met 1695; in den westelijken boezem
reeds met de bedijking, die op het jaar 1545 gesteld wordt
Geen wonder dan nu, dat wat daaromtrent aangegeven
is, vóór ons, toen men nog minder, dan wij, daartoe in
staat was , slechts eene zeer algemeene of oppervlakkige
en verre van juiste voorstelling oplevert. Arends is de
eenige, zoo wij weten, die er iets over in het midden
heeft gebragt. Hij maakt opmerkzaam op het aanzienlijk
verschil, dat hem toeschijnt in den aanwas van vroegeren
en lateren tijd te bestaan. Wonderbaar en onverklaarbaar
snel komt hem die in den eersten tijd voor. Van de ge-
heele uitgestrektheid gronds , welke er in den Dollard aan-
gewonnen is, stelt hij namelijk, dat alleen binnen de eer-
ste 150 jaren of tot het einde der 17de eeuw meer dan
3 Y% □ mijlen gewonnen is en in de volgende 150 jaren
nog niet ééne □ mijl. De grootste aanwinst had, volgens
hem, plaats in de 17de en 18de eeuw, weinig nog in de
16de en naar evenredigheid ook in de 19de eeuw. Hier-
uit zou dan tot eene toenemende vermindering der aan-
slijking, als men bij bunders rekent, te besluiten zijn, zoo
als inderdaad het geval kan wezen, maar waarvoor hij de
reden niet opgeeft (171). Naar onze opgaven is het be-
drag van het aangewonnen land in elke eeuw , als volgt.
Tot de 16de eeuw is te brengen, wat binnengebragt is
in den westelijken boezem door den dijk van 1545 en
1597 en geschat is op 7901 B., en wat in den oostelij-
ken boezem gewonnen is, vóór den polder van 1657,
(171) Noordzeekusten, II, 187.
Digitized by Google
154
begroot op 7048 B.; dit bedraagt dan te zamen in ons
gewest in die eeuw 14949 B. Wat er in Oostfriesland
gewonnen is door de eerste bedijking in dezelfde eeuw,
hebben wij begroot op 1500 B. In het geheel zal het dus
bedragen 16449 , veel aanzienlijker derhalve , dan akends
dit berekent. — In de volgende eeuw bestond de aanwinst
ten onzent in de volgende polders: van 1626, groot 1139 B.
(om hier ook alleen de volle bundertallen te nemen), van
1657, groot 2364 B. , van 1665, groot 848 B., en van
1696, groot 483 B., te zamen 4834 B.; in Oostfriesland
in die van 1605, groot 936 B., en van 1682, groot 255 B. ,
te zamen 1191 B. , in het geheel dus in de 17de eeuw
6025 B. — Tot de 18de eeuw behooren de polders, hier
van 1701 , groot 621 B., van 1741, gróót 427 B., te za-
men 1048 B. ; daar die van 1707 groot, 1391 B. , van
1752, groot 1150 B., en van 1795, groot 626 B., te za-
men 3167 B.; dus beloopt al het polderland dier eeuw
4215 B. — In de 19de eeuw heeft men nog maar bij ons
de indijking van 1819, groot 1153 B., om den oninge-
dijkten aanwas tot heden niet mede te rekenen. Of ech-
ter werkelijk de aanwas nu eens meer, dan eens minder
is geweest, of ze toe- of afgenomen, dan meer onveran-
derd dezelfde is gebleven, namelijk betrekkelijk en in het
algemeen, bij het plaatselijk en tijdelijk verschil, dat hierin
mag en zal geheerscht hebben, — dit verdient wel nader
onderzocht te worden, dan tot dus ver is geschied; en al
kunnen wij ook dat vraagstuk niet in zijn geheelen om-
vang oplossen, zoo zullen wij, gebruik makende van de
gegevens en middelen die ons te dienste staan, zoo veel
en zoo na mogelijk dat trachten te doen.
Tot dat einde hebben wij eerst een Tafeltje zamengesteld
van het jaar van bedijking en van den inhoud van iederen
polder in onze provincie, waarvan dit een en ander ons
bekend was, om daaruit den gemiddelden jaarlijkschen aan-
was op te maken.
*
Digitized by Google
155
Het onderstaand tafeltje houdt die opgaven in :
Naam van den polder.
Tusschen
WCIKC tllJKCn
de polder
gelegen is.
In
hoeveel
jaar de
polder
is ont-
staan.
Inhouds-
grootte
van den
polder.
Jaarlijkschc
aanwas.
B.
R.
E.
B.
R.
E.
Westelijk van het Zijldiep
1597 en 1545
52 jaren
1112
»
ii
21
38
46
Oudland
1626 en 1597
1139
47
59
39
29
40
Oud .Nieuwland
1665 eu 1626
39 „
848
39
24
21
76
64
Nieuwland
1701 en 1665
36 „
621
40
23
17
26
12
Oostwolder polder
1769 en 1701
68 „
1189
68
30
17
49
53
Fin8erwolder polder
1819 cn 1769
50 „
1153
25
40
23
06
50
Stadspolder
1741 cn 1695
46 „
427
68
20
9
29
74
Kweldcrgrond
in 1845
65 „
28
80
25
(172)
Ziet men den jaarlijkschen aanwas, die in de laatste
kolom is opgegeven, slechts oppervlakkig na, dan blijkt
het, dat die aanwas in den westelijken boezem in verschil-
lende tijdperken nog al belangrijk verschilt. Bij het Oud-
land bedraagt de jaarlijksche aanwas toch 2 l / A maal meer
dan voor het Nieuwland.
Dit leidt daarom zelfs voor den westelijken boezem
opzigtelijk den jaarlijkschen aanwas tot geene voldoende
uitkomst, en zoo dit ook mogelijk was, zou men toch geen
regt hebben , om daaruit tot den jaarlijkschen aanwas langs
den geheelen Dollard te besluiten.
Wij willen daarom zien , of wij uit die getallen geen an-
dere kunnen afleiden , die voor ons oogmerk meer bruik-
baar zijn. Het zal daarvoor echter noodig zijn, dat wij
vooraf opgeven, hoe wij die getallen moeten vinden.
(172) De dijk is voor een gedeelte gelegd in 1819, voor een gedeelte
in 1741 en de Ganzendijk is nog veel ouder. In 1845 was dus de kwel-
dcrgrond achter eeratgemelden dijk 26, achter laatstgenoemden 104 jaar
oud , wat gemiddeld op 65 jaar uitkomt. Later zal men zien , hoe dio
jaarlijksche aanwas van 28 B. 80 R. 25 E. is gevonden.
Digitized by Google
156
Wij weten, en als men de kaart van de Dollardpolders
in handen neemt, zal dit gereedelijk worden toegestemd,
dat de aanwas langs den oever of dijk niet overal even
groot is : hier zal de kweldergrond meer , daar minder toe-
nemen ; er zullen dus plaatsen zijn , waar de aanwas het
sterkst, andere, waar hij het minst is. Neemt men echter
den oever voor eene regte lijn aan en verdeelt men den
jaarlijkschen aanwas langs den oever zoo , dat hij overal
even veel bedraagt, dan verkrijgt men eene lengte, die aan-
wijst, hoe veel de kweldergrond gemiddeld jaarlijksch voor-
uitschrijdt, en men kan die uit de grootte van den jaarlijk-
schen aanwas gemakkelijk vinden , zoo men er de oever-
lengte in deelt.
Op die wijze is het volgende Tafeltje berekend:
Naam van den polder of
grond die bedoeld wordt.
Gemid-
delde
j aarlij k-
schc
aanwas.
Lengte
van
den
oever.
TT * *
Hoe-
veel de
kwel-
der-
grond
gemid-
deld
jaar-
lijks is
voort-
ge-
schre-
den.
In
hoe-
.r aal
veei
jaar de
grond
ge-
won-
nen
is.
Hoeveel
de
Kwciaer
in het
geheel
gemiddeld
is voort-
geschre-
den.
B.
R.
£.
Ellen.
Ellen.
Jaren.
Ellen.
Westelijk van het Zijldiep
21
38
46
12439
17.5
52
910.0
Oudland
39
29
40
14131
25.4
29
736.6
Oud Nieuwland
21
76
64
10293
21.1
39
822.9
Nieuwland
17
26
12
7730
22.3
36
802.8
Oostwolder polder
17
49
53
9814
17.8
68
1210.8
Finserwolder polder
23
06
50
10365
22.2
50
1110.0
Stadspolder
9
29
74
4433
21.0
46
964.6
Kweldergrond in het jaar 1845
28
80
25
14020
20.54
65
1335.1
Totaal
• • • •
385
7892.8 cl.
Of in 1 jaar gemiddeld 20.50 el.
Digitized by Googl
157
De getallen in de vierde kolom verschillen wel nog aan-
merkelijk van elkander. Als reden daarvoor gelooven wij
wel te mogen aannemen, dat nu eens hier, dan eens daar
de aanwas grooter is geweest, naar dat de oever daarvoor
meer of min gunstig gelegen was. Het zou ons niet ver-
wonderen, dat men bij eene volledige berekening van het
jaarlijksch voortschrijden van den kweldergrond ook voor
den oostelijken boezem op ons territoir en op Hannoversch
grondgebied, tot de uitkomst zou komen, dat men bij
de grootste getallen voor den westelijken boezem, kleinere
in den oostelijken zou vinden en omgekeerd.
Het is ons, door die overweging geleid, niet onaanne-
melijk voorgekomen, dat aan de gemiddelde waarde, die
aanwijst, hoeveel ellen de kwelder gemiddeld van 1545 tot
1845 is vooruitgeschreden , wel vertrouwen mag worden
geschonken.
Voor het juist berekenen daarvan dienen de vijfde en
zesde kolom, die zeker voor hen die weten, hoe men uit
verschillende gemiddelde waarden eene enkele algemeene
gemiddelde waarde moet opmaken, geene nadere toelich-
ting vereischt
Men vindt alzoo, dat op ons grondgebied van 1545 tot
1845, dus over een tijdvak van 300 jaar, de kweldergrond
of, met andere woorden, de kwelderplant zelve jaarlijks ge-
middeld 20.50 el is vooruit geschreden.
Opzigtelijk het jaarlijksch voortschrijden van den kwelder
in den Dollard, voor zoo ver die onder Oostfriesland is
gelegen, is met minder zekerheid een naauwkeurig cijfer
te verkrijgen, omdat wij de lengte van den oever van
iederen polder niet naauwkeurig hebben kunnen te weten
komen, en wij de kaarten van het Oostfriesche kadaster
niet ter onzer beschikking hadden; echter kunnen wij uit
de opgaven van Dr. rkinhold wel ten naastenbij zulks
uitvondig maken. ;
Volgens hem bedraagt de grootte van de polders achter
den dijk van 1605, die het Bunder Nieuland insloot, zoo
als wij zagen (bL 143) en hier voorkomen:
■
Digitized by Google
158
Jaar van Bedijking.
Naam van den polder.
Iuhouds-
grootte.
1682
1707
1707
1707
1752
1795
tot aan 1845
Charlottenpolder
Süder Christian Eberhardspolder
Bunrïpr TntfcrpRfiflntprmnlflpT
Norder Christian Eberhardspolder
Landschaftspolder
Heinitzpolder
de kwelder achter den laatsten polder
255.5
142.5
lui J.«J
173.2
1150.2
626.8
340.7 (173)
Totaal . . .
3764.2 bunder.
Rekent men nu, dat deze 3764.2 bunder van 1605 tot
1845, das in 240 jaren zijn aangewassen, dan vindt men
door eene eenvoudige deeling voor den jaarlykschen aan-
was van kweldergrond 15 B. 68 R. 42 E. Deze aanwas
heeft, volgens Dr. reinhold, plaats gehad langs eenen
oever, ter lengte van 7535 ellen. Deelt men deze oever-
lengte in den jaarlijkschen aanwas, dan vindt men, dat
de kwelder in Oostfriesland jaarlijks gemiddeld vooruit is
geschreden 20.81 el.
Wij hebben derhalve gevonden, dat de kweldergrond
langs den oever gemiddeld jaarlijks vooruit is gegaan:
Op ons grondgebied van 1545 tot 1845 .... 20.50 el.
Onder Oostfriesland van 1605 tot 1845 .... 20.81 el.
Dus gemiddeld .... 20.64 el.
Deze gelijkheid van jaarlijksche voortschrijding van kwel-
der in den oostelijken en westelijken boezem , op ons grond-
(173) In het werk van Dr. reinhold : Hislorisch-hydrographiiche
Nachrichten von den Haf en und andern Schiffahrts-Anstalten in O st/ri es-
land , komt op p. 105 voor, dat de kwelder achter den Heinitzpolder
in 1840 groot was 306.6 bunder. Daar mrvan 1795 tot 1840, dus in
45 jaar, deze kweldergrond is ontstaan, zal hij in 50 jaar, dus in 1S45.
voor % z y n vergroot , derhalve een inhoud van 340.7 bunder gehad heb-
ben. Eene kleine misgissing hierin zal wel geen invloed op de uitkomst
hebben.
Digitized by Go
159
gebied en in Oostfriesland, in beide boezems en oorden,
door een drietal eeuwen heen, is zeker cene verrassende
uitkomst; het leert ons, zoo als men dagelijks uit honderde
verschijnsels kan opmaken , dat alles , wat oppervlakkig be-
schouwt, zeer onregelmatig en ordeloos schijnt te zijn , doch
bij naauwkeurig inzien, aan den invloed van vaste wetten
onderworpen is. De aanwas op ons grondgebied is dus op
zich zelf wel veel aanzienlijker, dan die op Oostfriesch grond-
gebied, omdat wij veel grooter deel van den Dollard heb-
ben, maar naar evenredigheid niet; integendeel bedraagt
die van Oostfriesland zelfs iets meer en heeft het land dus in
dat opzigt wel zijn deel ontvangen. Aan de in vergelij-
king veel uitgebreidere oeverlengte in het eerst aan onze
zijde, toen nog de beide boezems zoo diep in ons gewest
binnendrongen, als oorspronkelijk het geval is geweest, zal
het dan ook voornamelijk toe te schrijven zijn , dat onze
Dollardkust zoo veel eerder en meerder is begonnen we-
der aan te groeijen, dan de Oostfriesche. De meer gun-
stige ligging van, onzen oever boven den ander, mag ook
het hare daartoe bijgedragen hebben; doch wel niet zoo
veel als bedïhold wil, die onzen meerderen aanwas ge-
heel daaraan toeschrijft (174). Onze Dollardoever is, vol-
gens hem , dus genoemde opper- of hoogerwal , welke de
weste- , noorde- en noordweste winden niet tegen zich over,
maar van het land afkomende heeft, waardoor hij bij stor-
men daartegen beschut en niet zoo zeer aan hunnen aan-
val blootgesteld is, als de tegen over gelegene Oost-
friesche oever, welke lagerwal is en aan die winden meer
blootstaat; terwijl bovendien de vloedstroom door de
staande gebleven landspits van Beide van deze kust af-
en naar gene kust toegekeerd wordt en is. Dat verschil
van ligging is echter niet zoo geheel van toepassing, ver-
mits een deel van onze kust in den oostelijken boezem
ook wel degelijk aan die winden is en was blootgesteld,
en het zal de vraag zijn , in hoe ver die verklaring aanne-
melijk is, als wij over den invloed van de ligging der
kust en van de rigting der winden op de nog plaats heb-
bende aanslijking in den Dollard hebben te spreken.
(174) Uydrographie von Ostfricsland , in Joum. von Dr. crelle , B.
XIII, H. 3, S. 307, en ïlistlor.'Uiidrogr. Nachrictitên , S. 3.1.
160
Hoe dit zij, daar nu bij iedere bedijking de oeverlengte
natuurlijk veranderd werd , volgt dit er onbetwistbaar ze-
ker uit, dat de aanwas, naar bunders gerekend, sedert
het ontstaan van den Dollard of van den beginne af even
zoo is veranderd, gelijk wij zagen, en de reden daarvan
nu ook blijkbaar genoeg is.
De beide boezems, die met den naam van oostelijke en
westelijke worden onderscheiden, zijn middelerwijl verdwe-
nen; de oever van den tegenwoordigen Dollard heeft een
cirkelvormig beloop gekregen en de oevers, waarlangs
aanwas plaats heeft, hebben zich daardoor noordelijk, zoo
wel op ons grondgebied, als onder Oostfriesland, verlengd.
Door dit verdwijnen van de beide boezems is de opslib-
bing veranderd. Achter den Heinitzpolder is tegenwoor-
dig de aanwas niet groot en bedraagt ongeveer 6.81.00
'sjaars. Achter den Stadspolder is de aanwas 'sjaars, na
de bedijking van den Finserwolder polder, iets vermeer-
derd en bedraagt ongeveer 4.67.00. De plaatsen, waar
de aanwas het sterkst en het meest was, hebben zich daar-
door veranderd , zoo als later zal worden opgegeven. Ach-
ter Finserwolde, onder Nieuwolde en Termunten schrijdt
nu de kwelder 'sjaars meer vooruit, dan vóór laatstgemelde
bedijking. Maar het tijdverloop sedert de bedijking in 1819,
die het laatste spoor van den westelijken boezem wegnam,
is nog te kort, om nu reeds met zekerheid op te maken,
hoeveel de kwelder 'sjaars in den geheelen Dollard zat
voorwaarts schrijden, daar de fouten, die men hierbij be-
gaat , over groote tijdruimten verdwijnen , maar over kleine
tijdperken niet anders dan eene uitkomst geven , aan welke
geen genoegzaam vertrouwen te schenken is. Het verder
onderzoek naar de wijze van aanslijking, hoe en van waar
ze geschied is en nog geschiedt, behoort ook meer tot
de beschouwing van den aard en oorsprong van het aan-
geslijkte land en dus tot de Tweede Afdeeling van ons
werk, waar wij dat een en ander op zijne plaats zullen
behandelen en waartoe wij nu overgaan.
Digitized by Goc
TWEEDE AFDEELING.
DE TEGENWOORDIGE STAAT EN NATUURLIJKE HISTORIE
VAN DEN DOLLARD.
EERSTE HOOFDSTUK.
*
Grootte van den Dollard.
Vóór de Kadastrale opmeting is de grootte van den
Dollard, naar ons weten, niet bepaald geworden, dan
eens en ook alleen , voor zoo ver hij op ons grondgebied
is gelegen, namelijk bij de opneming, ten jare 1733 in
het werk gesteld op last der Stadsregering van Gronin-
gen, welke, niet alleen als Heer van het Oldambt, maar
ook als grondeigenaar van een groot deel van dien boe-
zem», bijzonder belang daarbij had en in dit laatste opzigt
nog heeft (175). Zoodanige opmeting kon ook niet wel eer-
der geschieden , voordat de grensscheiding of het aandeel
in dezen boezem tusschen de wederzijdsche gewesten ,
(176) Deze opneming is geschied ten gevolge Raadsbesl 11 Junij 1733,
waarbij de Stads Bouwweester a. verburgii is authoriseert eene Oaarte
van een gedeelte van den Dollart voor het Kleij Oldambt langs te vervaar-
digen. Bij Raadsbesl. 19 Febr. 1734 is Denzelven voor het meeten van de
grootte van den Dollart, en op eene Kaerte brengen , toegelegt 200 zilveren
Ducalons. De oorspronkelijke , op linnen geplakte , maar door ouderdom
zeer onduidelgk geworden Kaart wordt in het Stadskantoor, met andere
Kaarten van den Dollard , bewaard. Eene kopij daarvan , door den Land-
meter a. J. Smit van der vegt gemaakt en den 20 Julij 1838 gewaar-
merkt , hangt op de provinciale Archivenkamer in het Raadhuis.
11
Digitized by Google
162
Groningen, of liever bepaaldelijk het Oldambt, en Oost-
friesland geregeld en vastgesteld was. Dit was een tiental
jaren vroeger geschied, te weten in 1723, tusschen de-
zelfde Stadsregering en den Vorst van Oostfriesland. Wij
willen kortelijk vermelden , wat de geschiedenis ons leert
omtrent deze grensscheiding , waarover later weder ver-
schil is ontstaan en heden nog bestaat , en welke daardoor
eenige vermaardheid heeft gekregen en alsnog de belang-
stelling wekt.
Nadat, gelijk gezegd is (bl. 95) , door de inbraak van den
Dollard, de oude landgrenzen waren verbroken, Keider-
land was vaneen gescheiden en verdeeld geworden tusschen
ons en dat gewest , is de Westerwoldsche Aa tot grens tus-
schen beiden aangenomen (176). Men heeft die rivier dan
ook als zoodanig gevolgd, zooals zij later door de aan
haar weder aangewonnen landen van den Dollard is ge-
loopen, van beneden de Nieuwe Schans af. Van hier
naar boven is de Moersloot de grenslijn geworden, toen
Bellingwolde met het land tusschen de Aa en die sloot tot
Westerwolde en alzoo tot ons gewest is gerekend gewor-
den , terwijl de lijn , bij die Schans , om deze is heengeleid.
Wegens den wisselvalligen loop echter der Aa ontstond er
in den aanvang der 18de eeuw geschil over hare grens-
scheiding tusschen voornoemde Regeringen van Groningen
en Oostfriesland , en wel met opzigt tot den wederzijdschen
aanwas. Die stroom namelijk begon toen daar, in plaats van
zijnen noordelijken loop te vervolgen , eene noordwestelijke
rigting aan te nemen. Van deze zijde trachtte men den
eersten ouden loop als grens te behouden , om niet bekort
(176) Zoo wordt reeds in een zoenbrief tusschen haijb addikga , Hoofd-
ling van Westerwolde , cenerzijds , en de stad Groningen en de Ommelanden
anderzijds, van den 12 Junij 1427 , by driksbex , Monum. Gron. TV, 838,
Reijderland op de weeitrsyd der Ee (de Westerwoldsche Aa), onder de
laatstgenoemde landen mede opgenomen. Die Aastroom wordt vervol-
gens onder de grenzen van Oostfriesland genoemd in den brief, waarbij
in het jaar 1454 de Keizer frederik III dat gewest tot een Graafschap
des Rijks heeft verheven. Wiarda , Ostfries. Gesch. II , 80. Westendorp »
Jaarb. II , 536. Beide verstaan echter , zeker te onregte , onder die Aa
het takje daarvan de Sijp of Moersloot , welke ook verder de grens uit-
maakte, en, aoo al, hier wel niet anders dan als zoodanig of als vervolg
der Aa zal bedoeld of te begrijpen zijn.
Digitized by Goc
163
te worden in den toekomstigen aanwas; van gene zijde
daarentegen wilde men den nieuwen loop als zoodanig ge-
volgd hebben (177). In plaats van het een of het ander,
werd besloten eene vaste grens te bepalen, en wel in de
oude noordelijke rigting der Aa, en dus in zoo verre aan
den eisch der stad toegegeven. Men kwam dan in 1723
overeen, die grens aldus te regelen en vast te stellen:
dat van zekere plaats in de Aa eene lijn zou getrokken en
met palen afgebakend worden , overeenkomstig met de mid-
delstreek tusschen het N. en het N. t. O. van het kom-
pas, welke lijn in 't vervolg steeds de scheiding, zoowel
van den eigendom van dm grond , als van het regtsgebied
tusschen de beide partijen zou uitmaken, al veranderde
de Aa ook van loop (178). Diensvolgens werden er vier
zoogenaamde Duc d' Al ven , zijnde sterke palen , onder-
steund door zijpalen, beneden de Statenzijl, op een af-
stand van 705 4 %oo Rijnlandsche roeden van eenen oost-
waarts van die zijl aan den buiten voet des dijks staande
paal, gemerkt A, in die rigting, op den aanwas in den
Dollard tot bakens opgeslagen.
De zuidelijkste dezer Duc d'Alven , zijnde de terminus a
quo, dat is het punt, van waar de grensscheiding voortaan
de bovengemelde rigting zoude volgen , welke was geplaatst
aan de oostzijde van een kronkel of bogt van de Aa ,
spoelde echter na verloop van eenige jaren bloot door de
werking van den stroom, welke dien kronkel meer en
meer oostwaarts drong. Deze Duc d'Alve kwam daardoor
(177) Deze verandering van rigting in den loop der Aa zal men echter
slechts als eene plaatselijke mogen aanmerken, daar immers de hoofd- of
algemecne rigting, althans verder in den Dollard , wel noord westwaarts zal
geweest zijn , gelijk nu nog , en omgekeerd eene noordoostelijke verplaat-
sing bij deze en andere noord en zuid loopende wateren in den Dollard
wordt bespeurd , zooals wij zullen zien , en waardoor dus de stad , was
men den vrijen loop der rivier blijven volgen , ten slotte mogelijk zoo
veel meer niet verloren zou hebben , als zij nu bij de hierop vastgestelde
grensbepaling gewonnen hoeft.
(178) Het Contract van deze grensscheiding, geteekend den 26 Jau.
1723, zooals het in het Hoogduitsch van de zijde van Oostfriesland is
overgegeven, berust op het Provinciaal Archief alhier; ook eene verta-
ling daarvan gemaakt door den beëedigden Translateur j. rütgerr in der
tijd. Zie ook over de onderhandelingen daaromtrent gevoerd de Stads-
resol. 18 April, 13 Aug. en 27 Nov. 1722 , alsmede 14 Mei 1723.
Digitized by Google
164
van lieverlede in de rivier te staan, hinderde de scheep-
vaart en werd voor dezelve gevaarlijk. Hij werd daarom
in het jaar 1738, onder het toezigt van wederzijdsche ge-
magtigden van Groningen en Oostfriesland, meer zuidelijk
verplaatst, en wel in de oude rigting van de drie meer
noordwaarts staande Duc d' Al ven. Bij die gelegenheid
werd nog een maatregel genomen, strekkende, om de vast-
gestelde ware rigting van de grenslijn ten allen tijde ook
op het vaste land te kunnen kennen, wanneer de bakens
te eeniger tijd weder door ijsgang of anders mogten zijn
vernietigd of van derzei ver oorspronkel ijken stand uitge-
weken , zooals dit kort na 1723 was geschied en 't welk
reeds in 1730 eene vernieuwing der bakens noodig had
gemaakt. Die maatregel bestond daarin, dat met weder-
zijdsch overleg vijf palen in dezelfde rigting der bakens
binnenlands werden gesteld, namelijk drie op Groningsen
en twee op Oostf'riesch grondgebied, van welke vijf palen
de zuidelijkste bleef de bovengemelde paal A en de overige
palen geteekend werden naar volgorde, de twee op stads-
grond met C, D 9 de twee anderen op Oostfriesch territoir ,
met B, E; terwijl er hier tegen de zuidelijkste Duc
d'Alve F, regthoekig op de grenslijn, in den aanwas nog
twee palen , G en H, op bepaalde afstanden zijn ge-
plaatst. Van een en ander werden toen , in 1838 , twee
gelijke kaarten gemaakt en wederzijds geteekend, geratifi-
ceerd en uitgewisseld (179). — De gemelde Duc d'Alven
leden echter weder later, door de inwerking van het water
en andere oorzaken, zoo zeer, dat zij voor het oog verlo-
ren raakten. De stad drong wel herhaaldelijk op derzelver
herstelling aan, maar vruchteloos; want het is ons niet
gebleken, dat daaraan van de zijde der Oostfriesche rege-
ring gevolg is gegeven (180).
(179) Zie de Stadsres. 4 Junij 1737 cn 22 Sept. 1738. Het aan de stad
Groningen uitgewisselde exemplaar dier Kaart, den 29 April 1743 door
het Oostfriesch Gouvernement geteekend , wordt in het Stads Archief In
een blikken bus in de Kist no. 1 bewaard, met onderscheidene Kopijen
daarvan genomen. Het werk , het zetten der palen en opmaken der
Kaart, is verrigt door de Ingenieurs horst, van de Oostfriesche, cn
THEYsiNGA van de Stadszijde.
(180) Stadsresol. 22 en Missive 29 Junij 1772; Secrete Rtsol 28 Oc
tob. 1774 en Missive 11 Nov. 1774.
Digitized by Goc
165
Dus bleef en was het hiermede gesteld, toen bij de
grensregeling tusschen ons Rijk en Hannover, in 1819 be-
gonnen, doch eerst in 1824 en later ten einde gebragt,
ook de grens door den Dollard op nieuw zou bepaald wor-
den, naar de overeenkomst van 1723. Hierbij kwam het
in de eerste plaats op aan , de oude boven den grond ver-
dwenen grenspalen terug te vinden , zijnde hiervan alleen
de paal A , staande aan den dijk bij de Statenzijl , als van
ouds toen meer overig. De Stadsregering van Groningen
liet in 1820 daarnaar onderzoek doen, door haren stad-
genoot, den Heer G. kuijper, alhier nog woonachtig.
Met behulp van de Kaart van 1738, vond deze de twee
op Groninger territoir in den grond nog zittende palen
C en D terug; wat de overigen betrof, meende men
geen regt te hebben op Oostfriesch territoir daarnaar on-
derzoek te doen. Het vermoeden echter, dat deze ook
nog onder den grond verborgen waren, is in zoo verre
bevestigd geworden , dat men in 1851 den paal B ook nog
heeft terug gevonden. Dat de terug gevonden palen de-
zelfde waren, als de in 1738 geplaatste, besloot kuijper
daaruit, dat zij op gelijke afstanden als deze in eene
regte rigting van 14° 40' ten O. van het N., naar het
toenmalige kompas gerekend, stonden. De afwijking daar-
van bedroeg toen 20° 35' westelijk, en aannemende die
voor het jaar 1722 op 11° 27' westelijk en de rigting der
palen, volgens de bepaling der grensscheiding in 1723,
op 5° 37' 30* ten O. van het N. , berekende hij de rigting
daarvan naar het kompas in 1820 op 14° 45' 30" ten O.
van het N., wat slechts een verschil van b l / 2 min. met
de door hem gemetene rigting der palen opleverde (181).
Niettegenstaande deze bewijzen en ondanks den sterken
aandrang der stad Groningen, om door middel van de
palen A, C, JD, op haren grond staande, ook al de
overige palen B, E, G en H op Oostfriesch territoir on-
der den grond terug te zoeken, en daarna ook de ver-
(181) Dit is vervat in zgne Memorie wegens de Grensscheiding tusschen
Oostfriesland en de provincie Groningen buiten de Statenzijl in den Dollart ,
overgegeven den 29 Febr. 1820, en nedergclegd in het Provinciaal Archief
van Groningen.
166
moedelijk in den grond zittende einden der Duc d'Alven ,
vond zulks van de Hannoversche zijde zulk een tegen-
stand en geene voldoende ondersteuning van de zijde der
Nederlandsche gemagtigden , dat men afzag van de her-
stelling der grenslijn naar de oude bakens — waartoe echter
de gevondene reeds voldoende waren geweest — en besloot
die op nieuw te regelen naar het kompas, volgens de be-
paling van 1723. Die regeling werd alzoo nu geheel af-
hankelijk gemaakt van de zoo onzekere bepaling van de
miswijzing van het kompas in dat jaar, dat daaromtrent
zeer uiteenloopende opgaven van weerszijden door des-
kundigen werden medegedeeld. Doch dit punt werd
ook geschikt, en zoo kwam dan eindelijk de grensbepa-
ling aldus tot stand , luidens de eigene woorden van
Art. 41 van het Grens-Tractaat in 1824 gesloten: „De
„nieuw bepaalde grenslijn in den Dollart begint van het
„ punt , hetwelk op eenen afstand van 2674 ellen en 6
„palmen of 710 Rijnlandsche voeten van den aan den voet
„en noordelijk van den dijk, bij de ötatenzijl, thans nog
„ voorhandene paal (A) , naar den Dollart heen , aan den
„westelijken of linker oever van de Aastroom, te vallen
„komt, en op de bij dit Tractaat behoorende nieuw opge-
„ meten grenskaart met de letter F is aangewezen. Van
„hier af, loopt de grenslijn door den Dollart tot aan de
„Eems, in eenen hoek van 8 gr. 9]/ 2 min. westelijk van
„de ware noordlijn, welke de middellijn is tusschen het
„Noorden en Noorden ten Oosten, naar het kompas ge-
trokken, overeenkomstig het Convenant van den jare
„ 1723, voor welk jaar de westelijke afwijking van het
„ware noorden tot 13 gr. 47 min. gemeenschappelijk is
„ aangenomen" (182). Op dat vaste punt werd daarop, den
11 Augustus 1825, even zoo gemeenschappelijk door de
Commissarissen van Nederland en Hannover in den kwel-
dergrond een grenssteen gelegd, geteekend met No. 203,
als de nieuwe terminus a quo.
(182) Dit Grens-Tractaat tusschen de Koningrijken Hannover en de Ne-
derlanden , gesloten en geteekend te Meppen den 2 July 1824 , is te vin-
den in het Bijvoegsel op het Staatsblad van het Koningrijk der Nederla*'
den, D. XIII, St. 3, bl. 90, te Gorinchem bij j. noorddyn uitgegeven.
Digitized by Goc
167
Daar nu de aldus bepaalde van dien grenssteen uitgaande
nieuwe grenslyn met die , welke door de oude palen A t B, C
en D naar de Eems wordt aangewezen , een verschil maakt
van 2° 14' 30" of zoodanigen hoek, dat het daar tusschen
liggend terrein van den Dollard tot aan de Eems gerekend
wordt een aantal van 257 bunders te bedragen, zoo is dit
terrein derhalve, door het Tractaat van 1824, van Neder-
landsen grondgebied, gelijk het was, Hannoversch grond-
gebied geworden. Voor zoo verre nu namelijk het regts-
gebied of Rijks territoir aangaat, was en is hieraan geen
twijfel , maar wel wat den grondeigendom betreft , omdat
daarvan in dat Tractaat geene sprake, integendeel in
Art 2 bepaald is: „dat de dusverre bestaande bij-
zondere regten der wederzijdsche grensbewoners op het
„grondgebied van een der beide Staten blijven voorbe-
houden;" derhalve ook het regt van eigendom, hetwelk
de stad Groningen op die 257 bunders bezat, krachtens
de scheiding van 1723, die ge volgelijk in dat opzigt nog
volkomen geldig is gebleven. Althans zoo bleef zij tegen
Hannover beweren, dat in tegendeel ook den grondeigen-
dom onder de scheiding begrepen achtte.
Doch het bleef niet bij dit geschil. Na het leggen van
den grenssteen en wel reeds op den volgenden dag, is
daarop van de zijde van Hannover terug gekomen en be-
weerd, dat die steen omstreeks 8 roeden en 3 voet, Rijnl.
maat, verder westwaarts moest worden geplaatst, als zijnde
zoo veel te oostelijk gelegd. Men maakte dit op uit het
zeggen van een paar landlieden , dat de oever daar ter
plaatse door aanslijking zich zoo veel oostelijker verlegd
had, dan op de grenskaart, reeds in 1819 opgemaakt, was
aangewezen. Hieraan is van de Nederlandsche zijde wel
geen gehoor gegeven, zoodat de baak in dien toestand is
gebleven , maar bedoelde steen ook tot heden van den kant
van Hannover niet als de terminus a quo is erkend. Wan-
neer nu van onze zijde aan dien nieuwen eisch van Han-
nover werd voldaan, zou daardoor nog eene uitgestrekt-
heid van ongeveer 34 bunders grondgebied tot aan de
Eems aan dat Rijk overgaan en dit met de bovengemelde
257 B. te zamen 291 B. bedragen, waarop het, en niet
alleen als zoodanig, maar ook als grondeigendom van het
Domein aanspraak maakt, ten koste der stad, welke echter
Digitized by Google
168
daarentegen haar regt staande houdt, op voormelden
grond. De onderhandelingen, daarover reeds sedert eeni-
gen tijd tusschen de partijen gevoerd, bij gelegenheid dat
er een plan van indijking in den Dollard is ter sprake
gebragt, waaronder ook de aangrenzende Stads gronden
zouden worden begrepen , hebben dan nog tot geene hier-
voor ook zoo wenschelijke uitkomst geleid. Wij onthou-
den ons verder van aanmerkingen in deze zaak, waarvan
wij alleen een getrouw verhaal hebben getracht te geven ,
maar kunnen niet nalaten den wensch te uiten, dat dit
geschil spoedig in der minne geschikt moge worden. In
afwachting hiervan bepalen wij ons bij de begrooting van
den tegenwoordigen omvang van den Dollard aan deze en
gene zijde, zooals die tot dus ver afgebakend is (183).
Volgens de opmeting van den Dollard op ons grondge-
bied, welke het Kadaster ter regeling der grondbelasting
heeft gedaan, tijdens de jaren 1823, 1824 en 1825, zou
die waterplas buiten de dijken , die haar omsluiten , een
inhoud hebben van 9032 B. 34 E. en 80 E. Onder deze
grootte is de landtong Reide begrepen, die eigenlijk niet
tot den Dollard behoort, omdat zij nog meer of min het
overblijfsel van het oude vaste land is. Voor die landtong
geeft ons het Kadaster 84 B. 52 R. 60 E. Trekt men
deze grootte van even genoemde oppervlakte van den Dol-
lard af, dan verkrijgt men voor den wezenlijken inhoud
van dien boezem op ons grondgebied 8947 B. 82 R. 20 E.
Het Kadaster heeft echter de Dollardgronden in zoo verre
te klein opgemeten , als de noordelijke Kadastrale grens de
Eems niet bereikt, welker zuidelijke oever de wezenlijke
scheiding uitmaakt van den Dollard (184). De Eems nu
(183) Men zie voorts nog het Verslag van hei Vierde Nederl. Land-
huish. Congres , gehoud. te Utrecht in 1849, bl. 148, over de grensschei-
ding in den Dollard en het geschil daarover ontstaan ; deze zaak is al-
daar te berde gebragt bij de beraadslaging over het uitgebragte Rapport
over de inpoldering van dien boezem , doch niet in allen deele juist
voorgedragen.
(184) Zoo wordt de Eems niet alleen in het Grens-Tractaat met Han-
nover, maar ook op do Kaart van vbrburgh aangewezen, als grens van
den Dollard en waar de grenslijn tusschen ons gewest en Oostfriesland
daarin getrokken ophoudt. Men vindt de rigting van die grenslyn voorts
Digitized by Google
169
zal 2910 Oostfriesche Rijnl. roeden of 10963 ellen van den
grenssteen, die in den kweldergrond is nedergelegd, ver-
wijderd zijn. Bij de voormelde nog aanhangige onderhan-
delingen over de scheiding in den Dollard, heeft het Oost-
friesch Domeinbestuur zich genegen betoond , om aan de
stad Groningen zoo verre toe te kennen de slijkgronden
langs die grenslijn. Het eischt nu wel, dat die steen iets
westelijker zal gelegd worden, maar dit maakt voor de
lengte dier grenslijn geen verschil. Hiernaar hebben wij
berekend, dat de slijkgronden onder de gemeente Beerta
inderdaad 519 B. 44 R. grooter zijn, dan zij bij het Ka-
daster voorkomen. De Dollardgronden buitendijks hebben
dus op ons grondgebied, met inbegrip van de landtong
Reide, eene grootte van 9551 B. 78 R. 30 E.
Wat de grootte van de buitendijksche gronden van den
Dollard onder Oostfriesland aanbelangt, wij hebben die op
3334 B. berekend naar de Kaart van de provincie Gronin-
gen, welke door het Departement van Oorlog is uitgege-
ven, nadat vooraf daarop is overgebragt de afstand van
10963 E., welken, zooals gezegd is, de oever der Eems
van den grenssteen in den kwelder heeft. Deze inhouds-
opgaaf verdient derhalve minder vertrouwen, dan die,
welke wij voor den Dollard op ons grondgebied hebben
berekend; maar toch schatten wij de fout in geen geval
hooger dan op een vijftigtal bunders, en als men geene
genoegzaam volkomene juistheid kan verkrijgen, is men
wel genoodzaakt, zich met eene meer onnaauwkeurige op-
gaaf te vrede te stellen. Wij kunnen daarbij de verzeke-
ring geven, dat de Kaart zelve op verschillende plaatsen
door ons is nagezien en vrij juist is bevonden.
Het volgende tafeltje zal een nader overzigt geven van
den inhoud van den Dollard, ook wat daarvan onder elke
gemeente is begrepen.
gewoonlijk opgegeven , als rooiende op den kerktoren van Nesserland , wolk
gebouw nu echter sedert den stormvloed van 1828 in puin ligt. Zie Teg.
Staat van Stad en Lande, I, 12, en de Kaarten dor provincie van beo
keringu en van jappé. — Wy laten daar, als niet tot ons onderwerp
behoorende, de anders niet minder belangrijke en nog onbesliste vraag,
in hoe verre ook de Eems de landscheiding uitmaakt.
170
w
p
d
o
"2"
O-
O
s
«0
B &
I -t
Jeragum.
Terraunten.
Nieuwolde.
Finserwolde.
Beerta.
0
2,03
>B i
1 es *
era a
r» —
S
0
Totaal
3334
2371
O)
O
6111
cc
•
in
Gemcon
■w
M
ex
o
O*
O
~j
o
Ml
^ 3 o
>°g.
«■
O
OO
O
CO
O
O
w
3 o
cr
**
•
12885 |
3334
9551
•
H
M |
OS* 0
2 3-
8. 8
S.H
r 1
oc
00
■
OO
O
**
^#
OO
O
•
Pi
©
au
g §
■ o
• «p:
O» W
Bk — •
M§
© P
»
o p*
0 ft
O *
P>BE
c: » o
2
O
o
re
3
gr
re
H
O
■
O
o S
o ~
5g
N
_ ft
P-i -
♦ Pi |—
B *•
fs
s p
i
ft M. Pi
ft P" » ft
" w
CD
P <| B ©
•21
^ 2
E
orq p.
I CD
00
(O
ft
Er-
ft
O
O
s
&
cd
O
o
p
■
p
co
w
©
CD
»■ -t
ft ft
O 1
^CD
Pi O
© O
1 se ft
|g>
Q g'
- c
©
2 e
O P<
0 ft
re <rj
1 5C
P.
e
b hi
wP
2
3 2
CD P.
i-l CD
ga
o &
• B
p
Kc?
I "
M
CD «
O
CD L-
• CO
O
ê
SC
i
3
•— »
O
o
3
re
p-
ft
■
i
3
—
e»
Q
O 2.
CR H
3§
Cl. »
CD 2
eS
© pr
3 -j .
o © .
u o » j
a •
■i °^ n.
5 2 w
ft 45 «"
D CD "*
3 p. ft
cc te P
c p
§ 2 O
a 2 o. .
N p ® ft
« ©
O . P n-
o
1
O
3
s
O
3
p c:: » 2.
& SJ» td o
CO CD
*" Cu p
< ^ p
» ©
»* o P
p r
< <t
re
td
O
I?
© I
K p*
g, O ft
ii
O O
s
F»
3 ft
* ©
p*
© *■»
3 p"
re p _
3 & g
<-» »p:
o
p p.
0Q re
M
» §
| c?
era
CP rr,
p !:
o
• ft
p*ora P-
« 2 «
<r* O <-t
e Cr
2 <n
co - o
rr O
CD P
ora _ cu
© Pi CD
ft ft
- — —
p o o:
Pi o pc
. "« i
—
- »p:
2. —
lp: co
|j
» era
p< o
© ^
3 p.
7 S
o
a
3
I
3
vo
A
9
Digitized by Google
171
De Dollardgronden bestaan hoofdzakelijk uit slijk- en
uit met gras begroeide gronden, die men in het Oldambt
kweldergronden noemt, en om met zekerheid op te geven,
hoedanig de inhoud van den Dollard tusschen deze twee
soorten van eigendom is verdeeld , moeten wy onze toevlugt
tot de Kadastrale stukken nemen.
Het Kadaster heeft in 1845 noodig geoordeeld, om de
kweldergronden bij hunne gedurige aanwinst sedert de pri-
mitieve meting, ter regeling van de grondbelasting, van
nieuws op te nemen ; daarbij is echter de primitieve meting
van den Dollard, voor zoo verre hij op ons grondgebied
ligt, behouden gebleven. Men heeft dus in 1845 alleen
de grootte van den kweldergrond behoeven te bepalen, en
deze heeft men van den inhoud van den geheelen Dol-
lard, zoo als de primitieve meting die had bevonden,
afgetrokken : het verschil toonde de hoegrootheid der slijk-
gronden voor het jaar 1845 aan.
Van de grootte der kweldergronden langs den Dollard
onder Oostfriesland hebben wij over het jaar 1845 nergens
aanteekening gevonden. Dr. reinhold geeft echter die
grootte voor 1840 op, en door aan te nemen, dat de
kweldergrond in denzelfden tijd met dezelfde grootte ver-
meerderd wordt, hebben wij de de grootte voor 1845 kun-
nen vinden.
De hierna volgende Staat toont de verdeeling van den
Dollard tusschen de vier Gemeenten in ons land en onder
het Ambt Jemgum in Hannover in de twee onderscheidene
soorten van eigendom voor het jaar 1845 aan.
Koningrijk.
Gemeente
of
Ambt.
Kweldergrond.
Slykgrond.
Totaal.
Beerta.
368
49
60
6742
51
80
6111
01
40
Fhwerwolde.
316
29
30
192
46
60
608
75
90
Nederland. <
Nieuwolde.
176
01
60
884
49
30
560
50
80
Termunten.
278
60
80
2092
89
90
2371
50
70
Hannover.
Jemgum.
334
76
30
2999
23
70
3334
»
»
Totaal.
1474
17
60
11411
61
30
12885
78
80
Digitized by Google
172
Uit deze Tafel kan gemakkelijk het gemiddeld jaarlijksch
vergrooten van den kweldergrond , in iedere Gemeente van
ons land, die in den Dollard oploopt, en onder het Ambt
Jemgum gelegen , worden opgemaakt , zoo men slechts
het tijdsverloop sedert de laatste binnendijking bekend
heeft, en dit tijdsverloop is op eene eenvoudige wijze te
vinden. De hier volgende Tafel toont het gemiddeld jaar-
lijksch vergrooten van den kweldergrond aan , opgemaakt
uit het tijdsverloop tusschen het jaar der laatste indijking
en het jaar 1845.
Gemeente
of
Ambt
Aantal jaren
tusschen het
leggen van
den laatsten
dijk en 1845
verloopen.
Gemiddelde jaarlijk-
sche vergrooting
van den kweldergrond.
B.
B.
B.
Beerta.
105
3
50
95
Finserwolde.
26
12
16
50
Nienwolde.
26
6
77
00
Termnnten.
26
6
35
80
Jemgum.
50
«
6
69
50
Totaal 'sjaars.
35
49
75
Aanmerkingen.
Onder de Beerta ver-
meerdert de kwelder
's jaars een weinig min-
der dan hier is opge-
geven , omdat de Egyp-
terdijk vroeger gelegd
is dan de dijk achter den
Stadspolder.
De kweldergrond is
onder Termnnten langs
den dijk van 1819 in
1845 groot geweest 165
B. 31 R. 10 E.
Wat den jaarlijkschen aanwas betreft , het is niet zeker,
dat men dien in alle jaren even groot vindt; de wind heeft
er eenen belangrijken invloed op , zoowel wat zijne sterkte
als rigting betreft. Wij gelooven echter niet, dat bij eene
altijd gelijke handelwijze van begraving, waarover wij in
een der volgende Hoofdstukken zullen spreken, de ver-
grooting van den kweldergrond jaarlijks zoo ver uiteen-
loopt, als men die uit de opgaven van de grootte van dien
grond achter den Heinitzpolder , onder het Ambt Jemgum ,
werkelijk vindt. Uit de opgaven van Dr. reinhold blijkt
Digitized by Go
173
het, dat de kweldergrond zich aldaar gemiddeld jaarlijks
heeft vergroot:
van 1795 tot 1814 .... 8.7 bunder.
n *> » 1824 .... 6.8 „
n ii »> 1833 .... 7.0 „
„ „ „ 1835 .... 6.9 „
„ „ „ 1840 6.7 „
Wij weten niet volkomen zeker, waaraan wij deze groote
onregelmatigheid, vooral opzigtelijk de gemiddelde aanwas-
sen van 1795 tot 1824, moeten toeschrijven; vermoedelijk
is het echter wel, dat men bij iedere meting slechts de
volle meetjes, waarin de kweldergrond is afgedeeld en
waarvan wij later eene beschrijving zullen geven, heeft
opgenomen en de gedeelten niet heeft gerekend, en het
is zeker, dat eene zoo belangrijke verwaarloozing eenen
grooten invloed op dergelijke berekeningen moet uitoefe-
nen. Deze gissing is niet geheel ongegrond; ook de stad
Groningen handelt op dezelfde wijze.
Wat overigens het verminderen van den jaarlijkschen
aanwas betreft , naarmate de uiterste rand van den kwelder-
grond meer afstand van den dijk heeft, dit is natuurlijk;
de vloed- en ebstroom hebben daar toch, zoo de vloeden
den aanwas onder water zetten, meer snelheid dan digter
aan den dijk, en het neerslaan van minder slib is er wel het
gevolg van.
Uit de opgave, in het voorgaand Tafeltje voorkomende,
dat de kweldergrond jaarlijks 35 B. 49 R. 75 E. aanwint,
volgt, dat zoo de gemiddelde jaarlijksche vergrooting van
den kweldergrond voor standvastig worden aangenomen,
de geheele Dollard in 363 jaar in kweldergrond zal zijn
overgegaan.
Om van de juistheid der getallen , in het laatste Tafeltje
voorkomende, niet in het onzekere te blijven, is het noo-
dig op te geven, waar de meting in 1845 op ons grond-
gebied de grens van den kweldergrond heeft aangenomen.
Bij deze meting is gerekend bij den kweldergrond te
behooren al zoodanige grond, die als kweldergrond rente
afwerpt. De grens van den kweldergrond is daar aange-
nomen te zijn, alwaar de groei van het Kweldergras (Poa
maritima) ophoudt Buiten deze grens , verder naar de zijde
der slijkgronden , treft men eerst de Suite (Aster Tripolium) aan ,
Digitized by Google
174
in welker schaduw het Kweldergras ten voorschijn komt, dan
de strook van Hanevoet {Salicomia herbacea) en vele alleen
staande Sulteplanten , en deze planten vormen buiten langs
den zoom van den kweldergrond eene strook van eene hier
grootere, daar kleinere breedte. Deze strook verplaatst
zich langzamerhand "verder naar buiten ; de Suite verdwijnt
voor^het Kweldergras, dat hare plaats inneemt, en de Hane-
voet wordt door de Suite verdrongen ; doch de grond , die
deze beide) laatste planten voortbrengt , geeft geene inkom-
sten; zij is daarom bij de meting in 1845 gebragt bij den
slijkgrond, die geene rente afwerpt.
De Staat, die den stand van den Dollard in de verdee-
ling van de twee soorten van eigendom , volgens de meting
van 1845, zoowel als het Tafeltje, dat de gemiddelde jaar-
lijksche vergrooting van den kweldergrond in ieder der
vier Gemeenten in ons land aanwijst, verdienen daarom
het volste vertrouwen. Opzigtelijk Oostfriesland, is het ons
onbekend, in hoe verre de meting aanspraak kan maken
op naauwkeurigheid. De naam van Dr. reinhold waar-
borgt echter wel de juistheid der opgaven (185).
Evenwel laat ons het laatste Tafeltje nog in sommige
opzigten in het onzekere. Zoo kan men er nog niet uit
opmaken, wa*dr de vermeerdering van den kweldergrond
het grootst of geringst is geweest, omdat de Gemeenten
niet voor dezelfde breedte in den Dollard aan elkander
sluiten, en toch zou een zoodanig overzigt van bet maxi-
mum en minimum en van het gemiddeld jaarlijksch voort-
schrijden van den kweldergrond niet onbelangrijk zijn. Om
dus hiervan een overzigt te kunnen geven, moeten wij
tot de Kaart van den Dollard de toevlugt nemen ; doch bij
de uitpassingen , die ten dien einde moeten plaats hebben,
zullen wij deze niet langs de naar buiten loopende zwet-
goten mogen bewerkstelligen, omdat deze dikwijls eenen
vrij scherpen hoek met den dijk vormen, zooals vooral
onder Ivnsenoolde het geval is. Wij zullen uit de lijn,
die den kwelder- van den slijkgrond afscheidt, lijnen moe-
ten meten, die loodregt op den dijk te staan komen; als-
(185) Te vinden in «ijne Biêtorisch-hydrograpbische Nachrickten von den
ffö/en w*tf andérn Schiffahrta-Amtaltm in OstfHesland , S. 31 , 32 en 105.
Digitized by Google
175
dan verkrijgen wij de lengte van den kweldergrond sedert
de laatste binnendijking , en hieruit laat zich gemakkelijk
de lengte van het gemiddeld jaarlijks voortschreden van
den kwelder voor dat punt vinden, zoo men er slechts
het aantal verloopen jaren sedert de laatste binnendijking
tot aan het jaar 1845 in deelt. Bewerkstelligt men deze
uitpassingen op de plaatsen, alwaar de meeste en minste
kweldergrond aanwezig is , dan verkrijgen wij , de voor-
gaande handelwijze volgende , het maximum en minimum
van het gemiddeld jaarlijks voortschrijden van den kwelder-
grond voor die plaatsen.
In het volgende Tafeltje vinden wij dat maximum en
minimum aangeduid. De kolom , die de gemiddelde jaar-
lijksche voortschrijding van den kweldergrond in iedere
Gemeente onder ons land en in het Ambt Jemgum onder
Hannover opgeeft, is op eene andere wijze verkregen.
Hier is de gemiddelde jaarlijksche vergrooting van den
kweldergrond uitgedrukt in bunders , zoo als die in het
voorgaande Tafeltje voorkomt, door de overeenkomende
breedte van den kweldergrond gedeeld.
Wat den kweldergrond onder het Ambt Jemgum be-
treft, wij kunnen er de plaatsen van maximum en mini-
mum evenmin met juistheid bepalen , als er de grootte van
opgeven. Wij weten alleen, dat de Heinitzpolderdijk eene
lengte heeft van 8672 E., en door deze lengte in den
gemiddelden jaarlijkschen aanwas te deelen , hebben wij het
gemiddeld jaarlijks voortschrijden van den kwelder onder
Oostfriesland gevonden.
Digitized by Google
176
!
8*
63
co
cc
I
F
s
OS
O
3 «> £
«.w ~ — •
P
co m
Ut M C_|
5r co
^ 2 H
CD O r
£© cS co
3 3 £L
2
I
2 2 2
cc
5°
oo
co
OO o
£ O
fc© CO *© tt>
I
B
5
O
P >T3 CD P-
I
QfQ
I e B ï s
p K
B |
CD *<* rT
N R S
co ^ 3
00
t— '
co
oo
co
a
00 -o
<
s
p
p
co
«<
O
O
3
O
CU
5 §
i «
„ g
B 8
i r
b i
3
CD
P
i
co
CD
3
«>.
Digitized by Goc
177
Zoo als men uit dit Tafeltje niet kan opmaken , had vóór
de bedijking van den Finserwolder polder in 1819 de grootste
voortschrijding van den kwelder plaats onder de gemeente
Beerta bij het Schanscher diep; bij den hoek van den
dijk van 1740, waar deze zich naar den Koedijk buigt,
was de vergrooting het geringst; maar na de binnendijking
in 1819 zijn deze plaatsen van maximum en minimum
veranderd , zoo als het Tafeltje doet zien. Thans vindt men
het maximum onder die Gemeente bij de Bellingwolder
moe, het minimum bij het Schanscher diep. Over het
geheel genomen, zijn sedert 1740 de plaatsen van maxi-
mum en minimum daar, waar het Tafeltje die onder
o en / aanwijst.
Wat de Gemeentescheidingen in den Dollard aanbe-
langt, zij behouden geene onveranderde ligging. Het Noor-
der riet , de Oude Geut, de BeerUter moe verzetten zich lang-
zaam; er verdwijnen kromten en andere komen er voor
in plaats. De Bellingwolder moe is zelfs verdwenen ge-
weest, maar hare vroegere ligging is in 1852 weder opge-
zocht en met al hare oude kromten is zij nog eens opge-
graven (bi. 137). De waterloopen maken tevens de schei-
ding tusschen de kwelder- en slijkgronden , die aan ver-
schillende bezitters toebehooren, uit, en de grootte van
die gronden, waar ze aan dergelijke gemeentescheidingen
sluiten , verandert onophoudelijk.
De bezitters van gronden onder Fin&encolde hebben
echter de BeerUter moe, die van de Bellingwolder moe tot
aan het Munnekeveen als scheiding met deze tusschen de Ge-
meente Beerta en Finserwolde is aangenomen, niet als de
scheiding tusschen hunne slijkgronden en die van de stad Gro-
ningen willen erkennen, en wij meenfcn wel te weten, dat
het geschil, 't welk hierover is ontstaan, bij minnelijke
schikking is uit den weg geruimd, door te bepalen, dat
de scheidingen , die dat gedeelte der Beertster moe door-
sneden , allen eene lengte , van de buitenbermsloot van
den dijk afgerekend, van 2000 el zouden hebben, en dat
de in die rigting verder naar buiten liggende slijkgrond
voor de eene helft aan de stad Groningen , voor de andere
helft aan die bezitters van gronden onder Finserwolde
zouden behooren.
Wat den aanwas betreft, hij behoort altijd aan den
12
Digitized by Google
178
eigenaar van den oever , dus van den aangrenzenden pol-
der, zoo bij akte niet is bedongen, dat hij aan den be-
klemden meijer toekomt, en waar de aanwas in opstrek-
kende heerten (waarover later) gescheiden is , wordt de aan-
was verdeeld door de zwetten in den polder tot in den aanwas
en de slijkgronden te verlengen (186). Langs de geheele
Wadkust van de provincie Groningen zoowel als in den Dol-
lard is, zoo ver men dit van de oudste bedijkingen af aan
kan nagaan en wij weten, deze regel altijd gevolgd, zon-
der er ooit van af te wijken. De geheele Dollard is hier-
naar dan ook verdeeld onder verschillende, zoo openbare,
als bijzondere eigenaars, zijnde een gedeelte van dezen,
waartoe het landbezit met het onderhoud der dijken oor-
spronkelijk geheel alleen behoorde , hiermede (ook nader te
vermelden, bl. 191) tot gene overgegaan. Zoo behoort het
geheele Oostfriesche aandeel tot het Hannoversch , vroeger
Oostfriesch Domein, en behoorde een groot deel op ons grond-
gebied aan de Provincie, later ook aan het Lands Domein,
sedert dit het Provinciaal Domein heeft vervangen , en van
het Domein is het aangekocht in 1845 door de Maatschappij
ter inpoldering van dit gedeelte van den Dollard, waarmede
door iiet leggen van een rijsdam wel een begin, maar
ongelukkig sedert 1847, wegens financiële bezwaren, geen
voortgang tot heden toe gemaakt is. Dit gedeelte strekt
zich uit van de punt van Reide tot het begin van den
dijk van den Finserwolder polder en het hier aan gele-
gen particulier grondgebied, dat ook mede zoude inge-
dijkt zijn geworden, en is overigens begrensd door het Noor-
der riet en de Beertster moe. Het beslaat het noordelijkst
gedeelte van den Dollard en eene oppervlakte van onge-
veer 2019 Bunder. Dat naaste particulier eigendom tot
aan het Noorder riet behoort aan de HH. CREMERS en
anderen en is groot omstreeks 268 B. Het Munneke-
veen, gelegen aan denzelfden dijk, tusschen het Noorder
riet ten N., de Beertster moe ten O., de Oude Geut ten
Z.W. , is ook particulier eigendom en groot 524 B., die
(186) Men kan over de methode, waarnaar men dit zeer naaaw-
kcurig kan verrigten, nazien het werkje, getiteld: Vekema, Over
het treklen van lange regte lijnen in het veld. Groningen, bij j. oom-
KBNS. J. ZOON, 1847.
Digitized by Goc
179
nog onverdeeld zijn , en 36.5 B. verdeeld , deze laatstcn ,
gelegen het naast aan meergemelden dijk, onder de be-
zitters van de hieraan grenzende landerijen. Vroeger was
de Provincie Groningen en vervolgens in deze eeuw het Rijks-
domein ook voor *% 5 aandeelen eigenaar van het onverdeelde
Munnekeveen , waarschijnlijk omdat het voor een deel Kloos-
tergoed is geweest (bi. 93), totdat het in Dec. 1841 ze heeft
verkocht aan den Raadsheer Mr. h. O. feitii te Groningen ,
zijnde diens erfgenamen alzoo de voornaamste bezitters van
dien aanwas. Zoo behoort de verdere aanwas tusschen de
Oude Geut en de Bellingwolder moe weder aan de gewone
bezitters van de naaste landen in den Finserwolder polder,
met een deel der slijkgronden buiten haar vervolg in de
Beertster moe , zoo als wij zoo even zagen , dat die tusschen
hen en de stad Groningen verdeeld zijn. Dit haar doel
met al het overig gedeelte van den Dollard of wat ver-
der van de Bellingwolder en Beertster moe tot de grens-
lijn tusschen Oostfriesland is gelegen , behoort aan die stad ,
als eigenares van de aanhoorige polders. Dit deel beslaat
alleen 5591 B. en heeft dus verre weg de grootste uitge-
strektheid van allen, zonder hierbij te rekenen de 257 B.,
die haar op Oostfnesch grondgebied nog zouden toe-
komen , volgens de eerste grensscheiding in 1723, maar
door dat Domeinbestuur betwist worden. Rijk inderdaad
mag in dit opzigt deze stad heeten , al is het ook nog
slechts meer in de toekomst!
Digitized by Google
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over de waterkopen in en de waterwerken langs ut»
Dollard.
Als men den Dollard van den dijk, die hem begrenst,
beschouwt, ziet men achter den aanwas, in de verte, eene
min of meer bruinachtige vlakte, en het ongeoefende oog,
zich door den indruk latende verleiden , meent een effen
waterspiegel te zien. De tint geeft veel aanleiding tot
die gezigtsbegoocheling, daar de kleur van het troebele
water, dat de vloed over de slijkgronden jaagt, weinig
van de kleur dier gronden verschilt En toch zijn de
slijkgronden alleen tijdens den vloed onder water; bij eb
liggen zij geheel droog. Het geoefend oog merkt echter
zonder eenige onzekerheid, wel bij een blik in de verte,
aan den tint der buitengronden, of zij door vloedwater
bedekt zijn, dan of het is ontweken. Het water geeft
een eenigzins donkerder aanzien aan de slijkgronden, en,
hoe feller het waait, hoe donkerder vertoont het zich.
Hierdoor is het zelfs mogelijk het opkomen van het vloed-
water op de slijkgronden te zien, daar het zich, door
eene donkere streep vrij scherp begrensd, van de meer
licht gekleurde slijkgronden afscheidt.
De groote vlakte der kwelder- en slijkgronden is bij eb
echter niet geheel van water ontdaan; zij wordt door zeer
vele kronkelende stroomen en stroompjes doorsneden. De
grootste van al die stroomen is ongetwijfeld de Aa of
Westerwoldsche Aa, die door de schippers vast algemeen
Digitized by Google
181
met den naam van Schamclier diep wordt onderscheiden.
Twee verdiepingen zijn er, die moeden of maden heeten ,
de Beertster- en BelMngwolder Moe, van welke de laatste
sedert eenigen tijd is digtgeslijkt geweest, maar in 1852
weder is opgegraven (bi. 177). De overige verdiepingen , in
welke het water opkomt en afgaat, worden in gaten, genten,
rieten , rillen , overloopen , aders en blainen onderscheiden ,
en wij weten niet, of men zich ten opzigte der drie eer-
ste benamingen wel aan eenige regelmaat heeft gehouden,
waaruit is op te maken , of men den naam van gat , geut ,
of riet aan de grootste of kleinste verdieping heeft gegeven.
Op de hierbij behoorende Kaart komen niet alle rieten
en gaten voor, die in den Dollard gevonden worden; al-
leen zijn die opgenomen en op de Kaart afgeteekend, die
de verschillende platen van elkander afscheiden. Wij ver-
wijzen omtrent deze zoowel als gene naar die Kaart en
noemen hier nog eenige der ontbrekende waterloopen op.
Onder anderen treft men, onder Finserwolde in de slijk-
gronden, buitendien aan, van de Oude Geut afgerekend,
het Bekriet, het Ganzeriet en de Rille, die zich in de
Beertster Moe ontlasten (187).
In het noorden van de Heringsplaat is het Blainriet.
Door diezelfde plaat kronkelt ook het Sparregat, dat uit
drie kleine rietjes ontspringt, waarvan een, dat het digtst
aan het Dwarsgat is, den naam van Schulpdalle voert, om-
dat er vele schelpen door en onder de zandige slib wor-
den aangetroffen. In dit Sparregat treft men de over-
blijfselen van een vergaan schip aan; dat gat ontlast zich
in het Schanscher diep, een weinig benoorden de Kop-
baak.
Op den Noordwal heeft men , van het Kerkeriet west-
waarts aangerekend , eerst het Dikke riet , dan de Veengeut.
Het Kerkeriet heeft zijn naam ontleend van de overblijfse-
len eener kerk, die men vroeger bij laag water in dat
riet meende aan te treffen, en de Veengeut is zeer eigen-
aardig zoo genoemd, omdat de darggrond tot eenige diepte
(187) Naar het daar ter plaatse gewone spraakgebruik schrijven wij
riet en nemen dit woord onzgdig, schoon het eigenlijk wel rijt, waarvan
nog rijten , gelijk omgekeerd nu hiervan reet , eu vrouwelijk zal zijn.
Digitized by Google
182
in dezelve wordt aangetroffen. Deze darg spoelt soms
buiten van de oevers der Eems, zoo als sommigen van
gevoelen zijn, en na het leggen van den rijsdam ook uit
de Veengeut los; het water, dat met die stukken speelt,
voert ze nu vooruit, dan terug, en verspreidt die soms
zeer ver naar den Noordwal en over de overige platen in
den Dollard. Deze groote stukken darg geven den Dol-
lard bij laag water, als de platen droog liggen, een zon-
derling aanzien; die kale vlakte gelijkt dan een woestijn,
met groote zwarte steenblokken als bezaaid , die zich ge-
heimzinnig schijnen te verplaatsen, daar zij heden hier, en
bij eene volgende eb daar worden aangetroffen.
Het tweede Oostfriesche gat, ook wel Zurentjeriet ge-
noemd , komt uit de Maanplaat en ontlast zich met een
stompen hoek in het Sckanscher diep , 6 of 700 ellen noor-
delijk van de Kopbaak (188).
In de Moeplaat treft men nog het Aalriet aan; dit riet
ontspringt uit den kwelder en loopt met een zeer scherpen
hoek ten naasten bij op de helft van den afstand tusschen
den kweldergrond en de Kopbaak in hetzelfde diep uit.
Als men den oorsprong der rieten en gaten opzoekt,
dan vindt men, dat zij zich eerst in takken verdeelen,
die ieder weer uit een of meer aders ontspringen. Deze
aders komen dikwijls uit meer of min groote laagten , die
men blainen noemt , voort. Deze blainen liggen meer naar
binnen in de platen en zijn soms slechts een paar duim,
soms meer, lager, dan de meer buitenwaartsche deelen
der plaat zelve. Dikwijls ontspringen ook de takken uit
de zwetgoten der kweldergronden , zooals met die van
het Leegtjer-, Uiker- en Oostergat, het Stoete- en Aalriet het
geval is.
Buitendat loopen in de rieten en gaten, moeden, geu-
ten en takken tallooze kleine aders uit, die van de pla-
ten niet zeer ver naar binnen ontspringen en bijna altijd
regthoekig in voormelde waterloopen vallen. Deze aders
zijn, wat hare ligging betreft, aan zeer veel verande-
(188) l)c beschrijving der waterloopen in den Dollard, en alles wat
op zijn tegciiwoordigeu toestand betrekking heeft, is reeds in 1846 ont-
worpen , on zij stelt alzoo den Dollard voor, zoo als hij in dat jaar
was.
Digitized by Google
183
ringen onderworpen; nu eens verloopen zij langzaam van
plaats , dan verdwijnen zij geheel , en op andere plaatsen
komen plotseling nieuwen te voorschijn. In het algemeen
hebben de hoogste platen de meeste aders , vooral zoo die
platen uit geen zand, maar uit klei bestaan; de Herings-
plaat heeft echter , daar waar zij uit klei bestaat , de
meeste aders van allen,
Eene andere soort van laagten treft men zeer veel in
den Dollard aan, ter plaatse, waar twee waterloopen zich
met elkander vereenigen , vooral zoo één dezer of zoo
beiden niet al te ver van het punt van zamenkomst eene
uitspringende bogt vormen. Deze laagten, die men over-
hopen noemt, en die altijd aan de noordzijde van de wa-
terloopen zijn gelegen en in welke overloopen het water
nog een zeer korten tijd langs vloeit, als het reeds van
de slijkgronden is afgestroomd, ontstaan door de wer-
king van het afloopende water. Wij zullen trachten aan
te toonen , met behulp van eene teekening (Fïg. 1 op de
plaat achter dit werk), waaraan die overloopen, die in
vergelijking van de rieten of goten, tot welke zij behooren,
eene zeer geringe diepte hebben, hunnen oorsprong ver-
schuldigd zijn.
Stellen wij ons ten dien einde voor, dat de slijkgronden
met water bedekt zijn en dat de afebbing begint. Laten
a b en c d twee gaten zijn , van welke wij kort- en duide-
lijkheidshalve a b juist met de rigting van den ebstroom,
die door het pijltje wordt aangeduid, doen overeenstemmen,
en laat het gat c d bij e eene uitspringende bogt hebben.
Zoodra nu de afebbing begint, vloeit het water op de slijk-
gronden voor het gat c d e in de rigting van het pijltje
weg; maar in het gat c e heeft ook een weinig beneden de
oppervlakte eene afstrooming in de rigting van c naar e plaats.
Bij e loopt het water uit het gat c e over den slijkgrond
naar ƒ, gedeeltelijk naar d. Deze dubbelde strooming is
zeer duidelijk op te merken ; boven een zoodanig gat of
riet veroorzaakt deze kruising der stroomen, zelfs bij het
stilste weder, kabbelende golfjes, die digt aan elkander staan
en die hunne plaats niet schijnen te verlaten. De stroom
van e naar ƒ wordt echter door den ebstroom al spoedig
opgeheven, maar is de afstand van e naar / niet zeer ver,
dan bereikt het water toch in eene gebogene rigting het
Digitized by Google
184
punt /, en er wordt door dien stroom eene laagte onder-
houden, die men overloop noemt. Is het water van de
slijkgronden verdwenen, dan loopt het nog een zeer kor-
ten tijd uit het gat c e langs den overloop naar het gat a
b af; daarna volgt het de rigting van e d , om het water
in a b te brengen. — De schuring van den stroom is
in den overloop in den regel niet vermogend genoeg om
hem te verdiepen, en de aanslibbing is niet belangrijk ge-
noeg om hem te doen verdwijnen. Soms verdiept de
overloop zich echter zoo aanzienlijk, dat hij de nieuwe
mond van het gat wordt, waarvan dan de oude mond
spoedig sporeloos verdwijnt. Dit is vooral het geval , als
het benedenste gedeelte van het gat bij e d door ijs , kwel-
dergras of hooi verstopt wordt, dat bij ebben, die op
hooge vloeden volgen, wel eens kan geschieden. Dan
baant het water zich langs den overloop een uitweg, om-
dat deze met de rigting van zijne afstrooming juist of ten
naasten bij overeenkomt. Meer dan een voorbeeld zou
men hiervan in den Dollard kunnen bijbrengen; wij zullen
ons echter vergenoegen, om ons in dezen alleen bij de
Beerster Moe te bepalen.
Vroeger liep het water, dat de Beertster zijl loosde , in
de Beerster Moe achter het Munnekeveen langs en daar
nam zij het Noorder riet in zich op, om het water, weder
oostelijk door de Heringsplaat voerende, in het Schan-
schcr diep te storten. Maar nadat de Beerster Moe zich
voor meer dan 20 jaren achter het Munnekeveen door
kwelderhooi had digt gezet, heeft men den Overloop van
de Beerster Moe naar het Dwar.-gat moeten uitdiepen , om
deze Moe met dat gat in verbinding te brengen en om
het water der Beertster-, Finserwolder-polder- en Belling-
wolder zijlen naar het Schanscher diep en alzoo in de
Eems te doen afstroomen. — Later heeft ook de Oude
Beertster Moe haren loop nog veranderd. Het oude gat
naar het Schanscher diep heeft zich digt gezet en het
water heeft zich langs een overloop een weg digt bij
Reide naar het Schanscher diep gebaand.
Deze stroomen of waterloopen hebben eene onstandvas-
tige ligging; zij veranderen niet alleen van plaats, maar
ook van rigting. Het is eene daadzaak, dat in het alge-
meen ieder oost en west liggende waterloop zich verder
Digitized by Go
185
noordop , ieder zuid en noord loopende waterloop zich ver-
der naar het oosten verplaatst.
Bij de zwetgoten, die aan den dijk ontspringen, wordt
er alleen eene verandering van rigting naar het oosten
waargenomen; zij verzetten zich aan den dijk niet, maar,
hoe verder naar buiten, hoe meer zij zich langzamerhand
oostwaarts aan verleggen. Dit verschijnsel, dat men over
het algemeen in den geheelen Dollard waarneemt, is niet
nieuw; men vindt het dikwijls terug in de vroegere in-
gedijkte Dollardpolders. In den Finserwolder en Oost-
wolder polder, in het Nieuwland en Oud Nieuwland,
wordt hier en daar nog die te oostelijke rigting der zwet-
slooten aangetroffen. Zelfs veranderen zij op de Uiterdij-
ken langs de wadkust, zoo als ons de Heer 6. beinders
van den Noordpolder heeft verzekerd, naar dezelfde zijde
van rigting.
Eene verklaring van deze in den eersten opslag wel
zonderlinge verschijnsels te geven achten wij niet noodig,
daar zij elders vrij volledig voorkomt (189). Verbindt men
hiermede , wat wij hiervoor over de gedurige verplaatsing
der waterloopen gezegd hebben, dan volgt er onmiddel-
lijk uit, dat van twee goten of rieten, die onder eenen
zekeren hoek in elkander vallen , het punt van zamenkomst
zich langzamerhand verder naar buiten moet verplaatsen.
Bevestigd wordt deze gevolgtrekking in den Dollard; de
punten van zamenkomst der rieten en gaten schrijden langza-
merhand verder naar de Eems en alhoewel er geene metin-
gen voorhanden zijn , om de hoegrootheid van verplaatsing
voor ieder der alzoo zamenloopende gaten te bepalen, kan
men toch uit de vergelijking van den stand , dien de Kop-
baak in dezen tijd bij de zamenkomst van het Dwarsgat en
Schanscher diep heeft, en van dien, welke zij bij de meting
voor het Kadaster had, met vrij veel zekerheid opmaken,
dat het punt van zamenkomst van het Schanscher diep en
het Dwarsgat jaarlijks ongeveer 30 ellen naar buiten wordt
verzet.
(189) Over de veranderingen , die de kusten van ons land langs de zee,
de wadden , de zeeboezems en groote stroomen ondergaan , door O. a. vb-
kema, Groningen bij j. oomkens , j. zoon, 1848.
186
De reden, waarom de zwetgoten, die aan den dijk ont-
staan en die in den Dollard oploopen, zich echter daar-
door niet in haar geheel, dat is niet bij den dijk,
maar aan de einden en dan, hoe verder van den dijk,
hoe meer oostwaarts, zich verplaatsen, is gemakkelijk te
vinden. Slechts enkele vloeden bereiken den dijk; maar
zij komen dikwijls een weinig buiten en soms in de
Sultestrook. Dagelijks werkt dus daar de wind op het
water in, om de zwetgoten oostaan te verzetten, en daar-
van is het gevolg , dat de zwetgoten eene oostelijker
rigting aannemen. Om deze verplaatsing tegen te gaan,
worden dikwijls bij de noord en zuid loopende zwetten
achter Finserwolde de oostelijke wallen met knijpen voor-
zien, die van rijswerk en aarde worden opgeworpen en
die regthoekig op den wal staan ; maar deze knijpen , die
het verplaatsen der goten wel tegengaan , kunnen het toch
niet altijd beletten, omdat de oorzaak te magtig en te
duurzaam is.
Ook in de kweldergronden zelve hebben de moeden en
rieten en wel met name het Schamcher diep, de Beertster
Moe, de Oude Geut en het Noorder riet, zich sedert de
meting voor het Kadaster aanmerkelijk verplaatst Deze
verplaatsing wordt niet alleen door den stroom veroor-
zaakt, die, als hij zwak is, de medegevoerde stoffen ne-
derzet, als hij sterk is, dikwijls den oever aantast en
daardoor de bedding verplaatst; ook de kweldergronden,
die ter wederzijden aan die gaten grenzen, brengen niet
zelden het hunne daartoe bij. Genoeg is het, om aan
de zijde van het gat den kweldergrond te vergrooten,
dat men eene zeer groote en breede hoofdgoot op het gat
in graaft, die bij afebbing haar water dwars door het gat
voert en zoodoende den hoofdstroom van het gat verder in
den anderen kweldergrond brengt, waardoor alzoo de
aanwas aan de zijde van den kweldergrond, waaruit de
goot ontspringt, moet plaats hebben. Ook op die wijze
wordt wel eens de verplaatsing der zwetten naar het oos-
ten tegengewerkt.
Wij hebben gezegd, dat van alle gaten in den Dollard
het Schanscher diep het voornaamste was en daarbij hadden
wij in de eerste plaats op het oog, dat in dat diep alle
rieten en gaten, óf zelve, óf door middel van weer ande-
Digitized by Google
187
ren uitstroomen; maar ook, dat dit diep het oenigst is,
dat voor de scheepvaart van eenig belang is, en eindelijk
dat alle zijlen die op den Dollard uitwateren het wa-
ter langs verschillende moeden en rieten in dit diep af-
voeren.
Ten einde dit diep voor de scheepvaart veilig te doen
zijn, heeft men de Kopbaak, eene lange spier, van boven
met twee pijpemanden voorzien , bij de zamenkomst van
het Dwarsgat en het Schanscher diep , en aan de westzijde
van laatstgenoemden stroom, verder naar binnen, tot digt
aan den aanwas, meer bakens geplaatst. De Kopbaak
wordt laat in den herfst weggenomen en vroeg in het
voorjaar weder op voormeld punt gebragt» Daarvoor en
voor het plaatsen der bakens zijn de schepen, die de
Statenzijl binnenloopen , verpligt, ton- en bakengeld te
betalen.
Nog bevindt zich eene baak bij de zamenkomst van de
Oude Geut en de Beertster Moe, die thans noodig is voor
de schepen , die van de Finserwolder zijl het zaad en graan
afhalen , dat op den Finserwolder polder wordt verbouwd
en dat thans langs den Dollard en de Eems naar Delfzijl
en van daar naar Groningen mag worden vervoerd.
De zijlen, die het binnenwater van Oostfriesland en van
ons grondgebied in het Schanscher diep afvoeren, zijn, van
Oostfriesland: de Heinitzpolder- en de Wijmeerster zijl, die
langs korte geuien haar water buiten de Statenzijl in even-
genoemd diep doen afstroomen, en van ons grondgebied:
de Statenzijl, de Stadspolder zijl, de Bellingwolder zijl,
de Beertster zijl en de Finsencolder zijl.
Vroeger voerde ook, even als nu, de Bellingwolder zijl
haar water langs de Moe van dien naam in den Dollard
naar het Schanscher diep af; maar, zooals reeds vroeger
aangestipt is (bl. 136), ten gevolge van herstellingen aan
de zijl, heeft men voor dezelve een dam moeten leg-
gen en men heeft de Moe niet kunnen open houden.
Toen bleef er eene kleine geul van een gedeelte der
Moe over en men had het aan de visschers te danken,
die daarin op en af voerden , dat ook dat geultje nog aan-
wezig bleef. Later hebben de ingelanden onder die zijl,
overtuigd van de onmogelijkheid , om hunne Moe we-
der open te krijgen en die voortdurend open te houden,
Digitized by Google
188
eene afvoergeul naar het Leegtjergat, dat in het CJiker-
gat uitstroomde, willen daarstellen, maar hiertegen heeft
zich de Stad Groningen, als eigenares der slijkgronden ,
waarin het Leegtjergat is gelegen, verzet Jaren lang heeft
Bellingwolde toen eene zijl gehad zonder afvoergeul,
zoo ongelukkig voor zijne landerijen , die buitendien reeds ,
door den dikwijls al te hoogen stand van het water in de
binnendijks gelegen Westerwoldsche Aa , haar binnenwater
zelfs door kostbare molens , uit nood gebouwd , niet altijd
kunnen ontlasten. In 1852 heeft Bellingwolde echter de
buiten Moe weder opgegraven, en de zijl kan het water
weder in den Dollard ontlasten. De tijd zal moeten lee-
ren of de Moe zoo lang voor digtslibbing bewaard blijft,
tot «dat men eene betere afwatering, gelijk velen wenschen,
naar het Fimel heeft verkregen.
Deze hiervoor genoemde gaten, die het water uit de
zijlen moeten afvoeren, slibben, zoo als wij later zullen
opgeven, zeer schielijk digt, vooral in de maanden Junij
en Julij, omdat er dan bij gebrek aan veel regen geen
bovenwater door de zijlen stroomt, om het slib voor de
zijldeuren en verder naar buiten weder weg en mede te
nemen. Maar zelfs dit binnenwater, dat door de zijlen
afstroomt, is, bij veel regen, nog niet eens voldoende,
om de geulen buiten de zijlen voor digtslibbing te behoe-
den. Men heeft reeds vroeger tot andere middelen zijne
toevlugt moeten nemen. Om het gebrek aan bovenwater,
dat de zijl ter openhouding der geul niet genoegzaam
loost , te verhelpen , heeft men buitendijks bij deze en
gene zijl spoel- of spuigaten gegraven, die door valdeu-
ren aan de einden kunnen worden gesloten, door welke
valdeuren de gemeenschap van het spuigat met de geul,
die het water uit de zijl afvoert, kan worden daargesteld
of afgebroken. Daar waar de spoelgaten doelmatig zijn
ingerigt, komt eene dezer valdeuren zeer digt aan de
zijl, hoe digter aan de zijl, hoe beter, te staan. Komt
nu de vloed op , dan worden de valdeuren geopend , en
het spoelgat stroomt vol; is de vloed op het hoogst, dan
sluit men de valdeuren , en zij worden niet weder geopend,
voor de eb komt. Dan trekt men de valdeur bij de zijl
op, en al het water uit het spoelgat stroomt met geweld
de geul binnen , woelt de slib voor de zijldeuren los en
Digitized by Google
189
neemt die in zijne vaart mede. In het algemeen echter
zijn deze spoelgaten veel te kleine waterbergingen, om de
geul duurzaam een genoegzaam profiel te doen behou-
den ; zij zijn nogtans zeer nuttig en werken de digtslibbing
der afvoergeul merkelijk tegen; doch ook deze spoelgaten
zelve slijken zeer schielijk digt.
Om dit digtslibben der geulen tegen te gaan, heeft men
zelfs, vóór dat men ten dien einde van spoelgaten gebruik
maakte, een middel gevonden, waarvan men zich bedient,
om zonder uitgraving, die te kostbaar zou zijn, de geul
open te houden ; later heeft men dit ook ten zelfden einde
bij de spoelgaten in gebruik gebragt; men heeft dit niet
zeer eigenaardig met den naam van ploegen bestempeld.
Dit ploegen wordt in den Dollard door middel van een
schipje verrigt, waaraan een opstaand raam, van onderen,
óf met een houten strijkbord, óf met ijzeren schoffels
voorzien , wordt bevestigd , en de breedte van dit raam is
de maat voor de grootte van het ploegwerktuig , zoo als
een aldus toegerust schipje genoemd wordt. Plaatst men
dit schipje, alzoo toegerust, buiten de zijl in de geul en
is de vloed hoog, dan valt het water snel weg en het
schipje wordt door het achter hetzelve zich bevindende
water uit de spoelgaten voortgedreven. De slib wordt
van onderen van den bodem losgewoeld en zelfs de
min of meer vaste grond ondervindt de werking van het
strijkbord of van de ijzeren werktuigen ; het water neemt
die alzoo in zich opgenomen slib weder mede naar
buiten.
Nog van eene nuttiger uitwerking is dit ploegen , als er
zoo veel binnenwater voor de zijldeuren aanwezig is, dat
deze zich bij eb kunnen openen, en hoe hoog er dit bin-
nenwater is, des te volkomener worden de geulen schoon
gemaakt. Dan is de stroom zoo snel, dat er minder
aan een bezinken van de door het ploegwerktuig losge-
woelde slib te denken valt; en zoo noodig is dit ploegen
voor het openhouden der geul , dat dit , zoo de omstan-
digheden slechts eene goede uitwerking voorspellen, nim-
mer achterwege wordt gelaten, en evenwel laten deze
afwateringen, wat derzelver profielen betreft, veel te
wenschen over.
Ook de spoelgaten worden hier en daar op dezelfde
Digitized by Google
190
wijze door ploegen met een klein schipje en met een
klein ploegwerktuig opengehouden , en dit is veel gemak-
kelijker en minder kostbaar, dan het uitgraven, dat te
dikwijls herhaald zou moeten worden.
Men heeft wel eens ten onregte aan de nuttige wer-
king van het ploegen getwijfeld , vooral door dat men ver-
onderstelde, dat de los gemaakte slib niet eens de Eems
bereikt, voor dat de vloed weder opkomt; men meende
dus , daar de slib niet weer werd terug gevoerd , dat het
ploegen nutteloos was. Deze twijfel aan het nut van het
ploegen, die alleen door eene ongenoegzame kennis van
het ploegen zelve kan ontstaan, is zeer ongegrond. Laat
ons zelfs aannemen, wat echter in geene deele met de
waarheid overeenkomt, dat de slib, die eens op de Dol-
lardgronden is, niet weder tot de Eems kan terugkee-
ren , dan is het toch zeker , dat het vloedwater de door
het ploegen losgemaakte slib in zich opneemt, en dat zij
alzoo voor een gedeelte op de 6lijkgronden bezinkt , voor
een ander gedeelte in de rieten en gaten, die in de geul,
waaruit de slib is losgeploegd, uitloopen, en voor een
klein gedeelte in de laatste geul zelve. Overal waar gron-
den, die de vloed onder water zet, langs een stroom,
die eene neiging tot digtslibben heeft, gelegen zijn, zal,
door een ijverig gebruik van het ploegwerktuig te ma-
ken , die stroom veel langer eene zekere diepte kunnen
behouden, dan wanneer men zorgeloos dien stroom aan
zich zeiven overlaat
Uit het volgende Tafeltje, dat wij hier nog bijvoegen,
kan men het afvoeringsvermogen der onderscheidene
zijlen nader leeren kennen.
Digitized by Goc
191
Namen der Zijlen.
Liggingder
slagbalken
beneden
volzee.
Wijdte der
zijlen in den
dag.
Ellen
2.03
2.80
3.15
2.40
2.50
2.66
1.65
2.10
3.86
Ellen
2.40
4.90
6.50
2.35
4.30
5.25
2.25
3.14
6.00
Meer bijzonders valt er niet over deze zijlen noch de
dijken, welke den Dollard omzoomen en bedwingen,
te zeggen, dan reeds bij de geschiedenis van derzelver
aanleg is vermeld. Even als elders behooren die zijlen
met haar onderhoud van ouds tot de verschillende Zijl-
vestenijen of de onderhoorige ingelanden gezamenlijk, ter-
wijl de dijken zijn ten laste der bijzondere eigenaren , wier
landen daaraan en aan het water liggen en den aanwas
genieten, en aldus naar mate hiervan onder hen verdeeld.
Waar de eigenaars echter zelve niet het land gebruiken,
moeten de meijers , de losse zoowel als vaste of beklem-
de meijers , de dijken onderhouden ; zoo is althans de ge-
wone of algemeene regel. Hiervan wijkt ook eigenlijk
niet af het onderhoud , dat op geene particulieren , maar
op het Domein rust, zooals met de geheele dijklinie in
Oostfriesland het geval is , en voor een deel ook met de
onze, en wel met de oeverdefensie van de landpunt Reide
en den Dollarddijk , van daar tot den dijk van den Finser-
wolder polder. Wij hebben immers gezien, hoe de inwoners
aldaar van tijd tot tijd door den nood gedrongen zijn ge-
worden hunne landerijen met het onderhoud der zeewerin-
gen daarvan aan de Provincie af te staan (bl. 58 , 88) ,
192
van waar het aan dat Rijks Domein is gekomen. Beide
hebben daarover langdurige onderhandelingen gevoerd ,
zijnde het eindelijk bij een Koninklijk Besluit in 1830 be-
paald, dat de Provincie dien hoek van Reide en Dollard-
dijk zal onderhouden, en het Lands Domein daartoe jaar-
lijks zal betalen de som van / 15,000 (190). Zoo onder-
houdt de stad Groningen of hare meijers, niet anders dan
de andere bijzondere eigenaars, de dijken van hare pol-
derlanden.
(190) Zie feith Gron, Beklemr. I, 497—504 en II, 514, en het Ko-
ninklijk Besluit van den 15 Mei 1830 , no. 142 , vermeld in het jaar-
lijksch Verslag der Gedeputeerde Staten van Groningen , van den 6 Julij
1830 , bl. 19.
Digitized by Google
DERDE HOOFDSTUK.
Grondsgesteldheid van den DoUard.
De gronden in den Dollard zijn van zeer verschillenden
aard; men vindt er uiterst vette kleigronden, gemengde
gronden, hoedanige men in de polders langs de wadden
zavelgronden noemt, waarin op het oog óf de klei, óf
het zand de overhand heeft, en ook de dorste zandgron-
den , die hier bijna uit zuiver welzand , daar uit grof en
scherp zeezand bestaan.
Om de klei- en zandgronden, zoo ten naasten bij, op
de Kaart van elkander af te scheiden, zou men eene ge-
bogene lijn moeten trekken, die onder de gemeente Ter-
munten ongeveer 300 el van de zuidzijde van den Dal-
lingweerster Uiterdijk uit den ouden Dollarddijk ontspringt ,
door het punt loopt , alwaar zich vroeger de Beertster Moe
met het Noorder riet vereenigde, van daar eenigzins bin-
nen waarts gebogen , op de Kopbaak , en van dit punt
evenwijdig aan den dijk van 1740 voortgaat, om zich on-
der Oostfriesland weder naar de Eems te buigen. Op deze
wijze voorgesteld, komt die afscheidingslijn op de hierbij
behoorende Kaart voor. Noordwaarts van die lijn, wordt
de kleigrond al spoedig met veel zand vermengd, ver-
andert hier en daar in welzand, terwijl men soms zelfs
grof, scherp zeezand aantreft. De Reiderplaat, het groot-
ste gedeelte der Heringsplaat en der Maanplaat bestaan
hoofdzakelijk uit onvruchtbaar dor zand , op de beide
laatste platen hier en daar met weinig, enkel met veel
13
Digitized by Google
194
klei vermengd. Het grootste gedeelte dier gronden zal
wei altijd onvruchtbaar blijven , omdat zij thans reeds zeer
hoog zijn en al te digt aan de Eems zijn gelegen. De
kleigronden gaan zoo niet in eens in zandgronden over:
langzamerhand vermeerdert het gehalte van zand, dat dik-
wijls een gemengden en blaauw gekleurden grond oplevert.
Een groot gedeelte van den Noordwal, een gedeelte der
Herings- en Maanplaat, ten zuiden van de zandgronden
gelegen, zijn van zoodanigen zamengestelden aard. De
kleigrond, binnen voornoemde lijn gelegen, is ook nog
niet overal van dezelfde hoedanigheid; naar den dijk toe
wordt hij in het algemeen zuiverder en dan nog is hij,
naar veler gevoelen, onder Nieuwolde en Finserwolde van
ligtere hoedanigheid , dan onder de Beerta en langs den
dijk van 1819 onder Termunten.
Daar waar in den Dollard klei aanwezig is — en die
treft men vast overal zuidwaarts van de hiervoor aange-
wezen lijn aan — heeft deze laag klei, van den dijk afgere-
kend, eene afnemende dikte, en daaronder ontmoet men
eerst nog eene met meer zand vermengde kleilaag, eer
men op den zand- of darggrond zeiven komt Daar waar
de kleilaag ophoudt, komt de met meer zand vermengde
klei aan de oppervlakte. Deze beide kleilagen zijn allu-
viale vormingen, die bij aanspoeling daar zijn ontstaan
en nog ontstaan; zij rusten op den ouderen zand- of op
darggrond, welk laatste vooral het geval is ten westen
van de Beertster Moe en het Noorder riet. Langs
den geheelen dijk van 1740, den Egypterdijk en den
dijk van 1819 heeft de kleilaag van den kweldergrond
eene aanmerkelijke dikte. Van het Noorder riet tot aan de
Westerwoldsche Aa of het Schanscher diep heeft , in den
kweldergrond digt aan den dijk, die laag gemiddeld eene
dikte van 3.67 el, terwijl de daaronder aanwezige ge-
mengde kleilaag gemiddeld slechts 0.40 el zwaar is. De
dikte van de eerste kleilaag neemt, als gezegd is , naar bui-
ten toe af; rekent men ook hier weder tusschen het Noor-
der riet en de Westerwoldsche Aa langs lijnen die loodregt
uit den dijk ontspringen, dan bedraagt de vermindering
van de dikte der kleilaag, van den dijk af naar buiten ge-
rekend, 0.81 el op ieder 1000 el afstand. De met veel zand
Digitized by Google
195
gemengde kleilaag neemt integendeel, van den dijk af naar
buiten gerekend, in dikte toe, en deze toeneming bedraagt
ongeveer 0.05 el op ieder 1000 el afstand van den dijk.
Dit getal, zoo wel als dat wat de afneming der kleilaag
in den Dollard bepaalt, kan men op eenen afstand van
3000 el van den dijk als geldig aanmerken. Meer bijzon-
dere opgaven ten opzigte van de kleilagen zullen wij hier
echter van de verschillende gedeelten van den aanwas en
de daaraan gelegene slijkgronden geven , en wel van die
gedeelten, die tegen den dijk van 1740, tegen den Egyp-
terdijk, tusschen de Bellingwolder Moe en de Oude Geut,
en tusschen deze laatste en het Noorder riet zijn gelegen,
en tot een gemakkelijker overzigt zullen wij deze opgaven
in een Tafeltje te zamen vatten.
Gemiddelde dikte van
Toene-
de kleilaag in den
Afneming
ming van
Welk gedeelte van den aau-
kweldcrgrond digt aan
in dikte
do dikte
den
dijk.
van de
der met
vraa in de slijkgronden bedoeld
kleilaag op
zand ge-
ieder 1000
mengde
wordt.
Klei met
cl afstand
kleilaag op
Klei.
veel zand
van den
denzclfdcn
gemengd.
dijk.
afstand.
Ellen""
Ellen
Ellen
Ellen
Onder Beerta, tegen
den dijk van 1740.
3.73
0.50
0.98
0.00
Onder Beerta, tegen
den Egypterdijk.
4.10
0.33
0.88
0.05
Onder Finserwolde
tusschen de Oude Geut
en de Bellingwolder Moe.
3.39
0.36
0.69
0.13
Onder Nieuwolde in
het Munnekeveen tus-
schen de Oude Geut en
het Noorder riet
3.47
0.40
0.68
0.03
Gemiddeld
3.67
0.40
0.81
050.
Uit dezen Staat kunnen wij opmerken, dat, zoo de voort-
schrijding van den kweldergrond jaarlijks niet zeer aanzien-
Digitized by Google
196
Jijk is , de begroeide grond toch jaarlijks door slib wordt
opgehoogd. De kweldergrond achter den Egypter dijk
is de oudste aan de zuidelijke grens van den Dollard,
en ook daar is de kleilaag het aanzienlijkst , en echter is
de aanwas aldaar voor 1819 altijd uiterst gering ge-
weest Ook langs den dijk van 1740 schrijdt het kwel-
dergras jaarlijks langzaam voorwaarts , zoo als men uit
een vroeger Tafeltje (bl. 172) kan opmaken. Deze kwel-
dergrond is echter zoo oud niet als die , welke tegen
den Egypter dijk is gelegen, en ook de kleilaag is er
minder dik. Langs den dijk van 1819 is de kleilaag min-
der aanzienlijk, maar ook de kweldergrond is er jonger.
Hij is nog door een minder aantal vloeden, tijdens hij
met planten begroeid was, overstroomd geweest, en men
weet, dat de grond de meeste slib uit ieder vloed terug-
houdt, als hij begroeid is.
Belangrijk zou het voorzeker zijn , zoo de soort en de
hoedanigheid van den grond in den geheelen Dollard
naauwkeurig werd onderzocht, door boringen tot op eene
diepte van 3 of 4 el , in allen gevalle tot aan het düu-
vium of den ouden oorspronkelijken bodem ; dit kon mo-
gelijk tot beduidende uitkomsten leiden ten opzigte van
de veranderingen, die er in de aanslijking of opspoeling
in den loop van eenige eeuwen zijn voorgevallen.
Eene in het oog vallende overeenkomst, die zich van te
voren reeds deed vermoeden, is er tusschen de afneming
van de dikte der kleilaag en het jaarlijksch voortschrijden van
den kweldergrond , en al dadelijk op te merken , zoo men
vorenstaand Tafeltje met dat evengenoemd Tafeltje na-
der vergelijkt. Tegen den dijk van 1740 onder de
gemeente Beerta schrijdt sedert 1819 de kwelder jaar-
lijks weinig vooruit en daar neemt de kleilaag ook
het aanzienlijkst op iedere 1000 el afstand van den dijk
af. Tegen den Egypter dijk is onder de Beerta de af-
neming geringer en ook aldaar is sedert 1819 de kwel-
der jaarlijks meer toegenomen dan bij den dijk van 1740.
Tusschen de Bellingwolder Moe en de Oude Geut on-
der Finserwolde schrijdt de kwelder jaarlijks belangrijk
vooruit. De afneming der kleilaag is er insgelijks op de
1000 el afstand van den dijk veel geringer dan onder de
gemeente Beerta, en in het Munnekeveen, alwaar de
r
Digitized by Google
197
kweldergrond jaarlijks het aanzienlijkst van allen toeneemt,
neemt de kleilaag ook op ieder 1000 el afstand van den
dijk het minst van allen af.
Geheel verkeerd is dikwijls het gevoelen van hen, die
nimmer den Dollard hebben bezocht, over de hoogte der
slijkgronden boven gewone eb, waartoe de zeer onjuiste
kaarten, die men dikwijls aantreft, gereede aanleiding ge-
ven. Algemeen meent men, dat er in den Dollard een
paar platen voorkomen de Beider- en de Zandplaat, zoo
als het Kadaster die platen heeft genoemd en op zijne
plans heeft aangewezen, en dan nog wel de Reiderplaat
op de verkeerde zijde van de Oude Beertster Moe — en
deze platen houdt men soms voor hoogten, die bij eb
of bij eb en vloed alléén boven het water zijn verheven.
Evenwel ligt de Dollard bij eb geheel droog, en in de
rieten en gaten blijft niet veel water over. Hoog zijn de
wallen dier waterloopen boven den waterspiegel verheven,
en de geheele Dollard heeft dan het aanzien van hetgeen
hij werkelijk is: een levenlooze door het water verlatene
grond, dien het honderden van jaren rusteloos bespoeld
en geteisterd heeft.
Om in het algemeen eenig overzigt van de hoogten der
Dollardgronden te geven , zij vooraf aangemerkt , dat de
slijkgronden achter de Beerta , Finserwolde en Nieuwolde
langs de Bol- en Heringsplaat en langs de platen tus-
schen het Dwarsgat , den Overloop en het Schanscher
diep eenen rug in den Dollard vormen ; oostelijk van dien
rug naar de Oostfriesche slijkgronden en westelijk naar
den Noordwal onder Termunten daalt de grond langza-
merhand een weinig af. Ook overdwars in den Dollard,
waar de kleigronden ophouden en het zand begint, is hij
Jager, dan verder noord- of zuidwaarts, en deze laagte is
derhalve gelegen ten naasten bij ter plaatse van de lijn ,
welker ligging wij in het begin van dit Hoofdstuk hebben
beschreven. Op deze algemeene bepalingen zijn echter uit-
zonderingen te maken; de eene plaat verheft zich altijd
een weinig boven de andere. Zoo is , als men zuidwaarts
van de meer besprokene lijn rekent, die de Kopbaak door-
snijdt , de hoogste plaat de Moeplaat , daarop volgt de
Uikerplaat , dan de Heringsplaat , voor zoo verre deze
plaat digt aan den Overloop en het Dwarsgat is liggende,
Digitized by Google
198
daarna komt de Koelderplaat , dan de Diepeplaat en ein-
delijk de Leegtjerplaat (191).
Overschrijden wij de lijn, die het zand en de klei schei-
den en waarvan wij zoo even de ligging hebben beschre-
ven, dan wordt de grond zandiger en veelal hooger; zoo
is de Reiderplaat veel hooger dan de Noordwal, de Maan-
plaat hooger dan de Oostfriesche plaat. Ook is de He-
ringsplaat naar buiten hooger dan verder naar binnen.
In het algemeen zijn de platen aan de oost- en noord-
zijde het laagst; uitzonderingen op dezen regel maken de
Reider- en Heringsplaat, die aan de westzijde minder hoog
dan aan den oostkant zijn. Tevens is de Heringsplaat
noordelijk van het Dwarsgat hooger, dan aan de zuidzijde
van genoemd gat.
Van meer wezenlijk belang is het evenwel , dat wij ons
bezig houden met het opgeven van de hoogte der kwel-
dergronden zelve en deze vergelijken met het punt van
volzee. Een naauwkeurig onderzoek, ten dien einde door
anderen en door ons bewerkstelligd, heeft deze uitkomst
opgeleverd, dat de kweldergronden allen hooger zijn ge-
legen dan de ingedijkte gronden digt aan den dijk , in den
Stadspolder, in het Achter Hamrik en in den Finserwol-
der polder, en wel gemiddeld 1.15 el boven de langs de-
zelve gelegene binnengedijkte gronden.
Deze kweldergronden hellen naar buiten toe bijna re-
gelmatig af ; aldaar waar de Sultestrook aan de slijkgronden
- grenst, is die helling grooter, dan verder naar binnen of
naar buiten. Over het geheel genomen is de helling nog
al aanmerkelijk; zij bedraagt gemiddeld 54 ned. duim op
ieder 1000 el afstand van den dijk, wanneer men langs
lijnen naar buiten meet, die loodregt uit den dijk ont-
springen , en deze helling kan men tot eenen afstand van
ongeveer 3000 el van den dijk af als standvastig aan-
nemen.
(191) Natuurlijk uiuet raeu alhier, ter vergelijking van de hoogte der
platen, de punten op die platen even ver van den dijk af nemen. In
1846 en in 1852 heeft een onzer de betrekkelijke hoogte der platen on-
derling of opzigtelijk elkander onderzocht en in beide jaren de boven-
staande uitkomsten kunnen opmaken.
Digitized by Google
199
De helling der kwelders in den Dollard is evenwel niet
overal dezelfde, even min als de hoogte der kweldergron-
den; meer bijzondere opgaven hiervan vindt men in het
volgende Tafeltje.
Omschrijving , waar do kweldergronden zijn
gelegen.
Onder Beerta tegen den dijk van
1740.
Onder Beerta tegen den Egypter
dijk
Onder Finserwolde tusschen de Bel-
lingwolder Moe en de Oude Geut.
Onder Nieuwolde tusschen de Oude
Geut en het Noorder riet.
Gemiddeld.
Gemiddelde
hoogte van
den kwelder-
grond digt aan
den dijk boven
volzce.
0.71
Gemiddelde
helling van
den kwelder-
en slijkgrond
op ieder 1000
el afstand van
den dijk.
Ellen
0.68
0.51
0.49
0.48
0.54
Vrij opmerkelijk is het, zoo als zich van te voren reeds
eenigzins deed vermoeden , dat tusschen de helling der
gronden en het jaarlijksch voortschrijden van den kwelder-
grond eene in het oog loopende overeenkomst plaats vindt.
Daar waar die helling het grootst is, schrijdt het kwel-
dergras jaarlijks het geringst vooruit, zoo als eene ver-
gelijking van de derde kolom van dit Tafeltje met het
meergenoemd vorig Tafeltje (bl. 176) overtuigend aantoont.
V1EJRDE HOOFDSTUK.
Aanwas en ophooging der dijhgronden.
Gedurig wordt de slijkgrond door het achterblijven van
slib opgehoogd, en is hij zoo hoog geworden, dat hij met
den dagelijkschen vloed ruim dezelfde hoogte heeft verkre-
gen , dan wordt hij drooger en vaster; er ontspruit Hane-
voet en daartusschen komen eenige alleen staande en eenige
schreden ver van elkander verwijderde SuUeplanten op,
om hier en daar de ruimten tusschen de Hanevoetplant aan
te vullen. Deze Hanevoet houdt het Sultezaad terug, dat
in den naherfst afvalt; dat zaad komt des voorjaars welig
op en de jonge SuUeplanten dooden, ondankbaar genoeg,
de Hanevoet, die zoo veel tot hare wording heeft bijge-
dragen , en als de tweede herfst na haar ontspruiten is
gekomen, vormen zij reeds een digt groen bos met
heerlijke bloemen. Deze beide planten zijn de eersten,
die den ruwen slijkgrond bezetten, om hem aan het ge-
bied van het water te ontrukken en voor den verderen
plantengroei geschikt te maken. Later komt het kwelder-
gras te voorschijn, dat doodelijk voor de Suite is, en al
die grond, waarop deze grassoort en evengenoemde plan-
ten groeijen, wordt aamoas genaamd, terwijl men, zoo als
wij reeds vroeger hebben opgegeven, alleen met den naam
van kweldergrond bestempelt die strook grond, die tusschen
de Suite en den dijk is gelegen.
Digt aan den aanwas, daar waar de Hanevoet en Suite
nog niet zijn te voorschijn gekomen , is insgelijks de
slijkgrond bij lage eb vrij droog en taai, en hij wordt
Digitized by Go
201
hoe langer hoe weeker , hoe meer men den aanwas verlaat
en hoe meer men de lijn nadert, die de slijk- en zand-
gronden afscheidt. Zelfs niet zeer ver buiten den aanwas
is de slijkgrond van boven met eene geel-graauwe brij-
achtige massa , soms wel ter dikte van 2 of 3 palm be-
dekt, die men biets of blei, ook wel slib of slijk, noemt
De dikte dier laag neemt meestal ver naar buiten af en
verdwijnt meestal, zoo men de evengenoemde lijn noord-
waarts heeft overschreden. Deze biets is zeer fijn, met
veel water vermengd en te zamenhangend met den grond
om in massa weg te vloeijen. Kort echter nadat het
vloedwater is weggestroomd, bezakt deze biets en boven
op dezelve staat dan 2 of 3 streep water, dat men zog-
toater noemt. Niet bij alle winden is die hoeveelheid wa-
ter even groot, bij noordelijke winden, dus bij winden, die
tegen den ebstroom zijn gerigt, blijft er het meeste wa-
ter in de biets achter, en daarvan is het ook alleen, dat
zich dan het meeste water uit de biets afscheidt; bij
zuidelijke winden vindt het tegendeel plaats. Is het we-
der droog en de lucht helder, dan verdwijnt dit water
spoedig; het verdampt, en in dien luchtvormigen toestand
veroorzaakt het in de onderste lagen der lucht, door de
steeds afwisselende breking der lichtstralen, die zoo ei-
genaardige trilling, welke schijnbaar aan de voorwerpen,
op eenigen afstand gezien , eene zonderlinge bewegelijk-
heid geeft.
Onder die biets is een meer of min weeke kleigrond ,
die volgens het gevoelen van sommige schrijvers door het
gehalte aan blaauwzuur- of phosphorzuur ijzer hier en daar
eene blaauwe kleur heeft aangenomen (192). Is deze
grond onder de biets klei en is hij korrelig, dat naar
veler gevoelen door den vorst veroorzaakt werdt , dan heet
hij pulver; is hij echter in zijn geheel zamenhangend, dan
noemt men hem sminke.
Deze biets behoort echter niet standvastig tot den
grond, waarop zij voorkomt; soms is zij daarop in eene
groote hoeveelheid aanwezig, en even schielijk verdwenen ,
(192) Nat. Historie van de provincie Groningen door nylstbuiiof* en
STRATJKGH, 1 D., 1 St. , p. 153.
202
en de ophooging van den grond geschiedt alleen daar-
door, dat die bletslaag zich, zoo zij zeer dun is, geheel,
of anders voor haar onderste gedeelte met den bodem
verbindt, dat altijd plaats heeft, zoo zij er eenigen tijd op
blijft liggen.
Niet overal komt in den Dollard evenveel biets op de
slijkgronden. In het algemeen vermindert de hoeveel-
heid, hoe verder men zich buiten de Sultestrook be-
geeft , en is men het gebied genaderd , waar de onder-
grond meer zandig is , dan ook vermindert de biets en
wordt deze tevens zandiger. Op het wel- of zeezand
wordt bijna nimmer biets aangetroffen. De Oost-Dollard
ontvangt meer biets, dan de westelijk van de Oude
Beertster Moe gelegene slijkgronden. De meeste biets
heeft men gewoonlijk in den Oost-Dollard op de Moe-
plaat, daarna op de Uikerplaat, dan op de Leegtjer-
plaat, vervolgens op de Koelderplaat , op de Hoogeplaat,
op de Oostfriesche plaat en eindelijk op het zuidelijkst
deel der Heringsplaat. Westelijk van de Oude Beertster
Moe wordt de meeste biets gevonden op de Bolplaat,
daarna op den Noordwal en eindelijk op het zuidelijkst
deel der Eeiderplaat.
Wij hebben hiervoor vele daadzaken ten opzigte Yan de
ophooging der slijkgronden vermeld, zonder op te geven,
wanneer die biets wordt aangevoerd; thans zullen wij dat
en de oorzaken daarvoor zoeken aan te wijzen en een be-
gin maken met eene beschrijving van de opkomst van het
vloedwater op den Dollard.
Langs onze Noordelijke zeekusten komt de vloedstroom
van de N. W. zijde op; binnen de lijn der eilanden heeft
hij geene standvastige rigting meer , en dit is overal het
geval , waar men hooge zandbanken aantreft , die om kom-
men of bekkens liggen, of overal, waar de kust sterk
naar binnen springt en boezems vormt. In het alge-
meen genomen, zal de rigting van de opkomst van het
vloedwater, zoo als dit noordelijk van de Kopbaak stroomt,
terwijl de buitenste platen reeds onder water staan, vrij
juist in het beloop der groote rieten zijn afgeteekend.
Binnen de Kopbaak heeft de vloedstroom , zoodra de
slijkgronden onderloopen , geene standvastige rigting.
Dan stroomt eerst het water, althans bij het Dwarsgat,
Digitized by Google
203
op den toren van Woldendorp aan , en deze stroomrigting
houdt niet eer op, dan als het vloedwater ongeveer 5
palm boven den slijkgrond is verheven; dan buigt de
stroom bij het Dwarsgat zich meer zuid aan , tot dat hij
ten langen laatste eene bijna Z. W. rigting heeft aange-
nomen; daarna loopt de stroom het Dwarsgat dwars over,
en daarvan heeft dat gat zijn naam ontleend. — Hieruit
schijnt te blijken, dat het water eerst een loop heeft, om
de kom , die het westelijkst gedeelte van den Dollard uit-
maakt, te vullen, en dat het van daar zelfs boogsgewijze
naar den kweldergrond achter Finserwolde stroomt en te-
vens dan langzamerhand eene meer uit het noorden ko-
mende rigting aanneemt, zoo als ook uit het aandrijven
van paal- en rijswerk van den Rijsdam , tijdens deze voor de
voorgenomene , maar steken geblevene inpoldering gelegd
werd , schijnt te blijken. — Onder de Beerta komt de
vloedstroom van de noordzijde een weinig oostelijk op den
kweldergrond. Wordt het vloedwater hoog opgejaagd ,
zoo als niet zelden in den laten herfst of in het vroege
voorjaar het geval is, dan wordt het water door den dijk
gekeerd, die het geweld daarvan moet verduren; bij lage
zomervloeden bereikt het water echter nog niet eens de
strook, waar de Hanevoet groeit. In beide gevallen heeft
evenwel de vloedstroom te veel snelheid , om de fijne biets
of slibdeelen te laten vallen, waarmede het water bezwan-
gerd is. Maar toch is door de schuring, die het water
bij zijne opkomst op de buitenste platen in den Dollard
ondervindt, de snelheid reeds zooveel verminderd, dat het
het zand niet meer kan medevoeren, welk het, toen de
vloedstroom de ondiepten der kust naderde , van den bo-
dem medenam. Het grove zeezand laat reeds de vloed-
stroom op sommige noordelijke deelen der Reider-, He-
rings- en Maanplaat los ; het welzand , dat fijner is , slaat
uit den vloedstroom , als nog de snelheid minder is , op
enkele plaatsen van den Noordwal , op andere gedeelten
der Reider-, Herings- en Maanplaat neder; maar de slib
zelve laat het water bij den zacht opkomenden vloed niet
los , dan alleen langs de lijn , waar langs het water staat ,
als het voor dien vloed bijna op zijn hoogst is gekomen.
Zeer dikwijls neemt het vloedwater nog de biets of slib
van de slijkgronden weder in zich op, vooral als de vloed-
Digitized by Google
204
stroom het water door eenen N. W. wind met veel kracht
en snelheid tegen de slijkgronden opjaagt (193).
De neerslag van slib, zoo als wij de biets ook verder
zullen noemen , heeft hoofdzakelijk tijdens de afebbing
plaats. Tot neerzetting van slib wordt er rust in het wa-
ter, althans eene geringe snelheid van den stroom ge-
vorderd, en hoe langer het water in rust is, des te vol-
komener bezinken alle vreemde stoffen, waarmede het
water bezwangerd is. Dit is eene daadzaak, die de on-
dervinding zelve dagelijks , ook bij het huishoudelijk ge-
bruik, dat wij van het versche water maken, bevestigt.
Bij vloed nu is er veel meer snelheid in het water, dan
bij afebbing, en van daar dat de fijnste stoffen, die het
water mede voert . , beter bij eb dan bij vloed op den bodem
zakken (194). Voor dat echter de afebbing begint , is het
water een oogenblik in rust, en zelfs dan reeds begint
zich de slib wolkvormig in het water af te scheiden. Van
boven wordt het water meer helder; hoe verder naar be-
neden , hoe meer slib het water bevat. Is het weder stil
en er alzoo geen wind, dan is het voor den neerslag van
slib niet onverschillig, of het regent dan of het droog
weder is; in het eerste geval, is de neerslag van slib
aanzienlijker, dan in het tweede. De regendroppels toch,
die alsdan tusschen vloed en eb of tijdens eb nedervallen,
drijven, daar zij soortelijk ligter dan het zoute water en
de slib zijn, door den stoot, dien zij veroorzaken, de slib
naar beneden (195).
De winden hebben ook eenen belangrijken invloed op
den neerslag van slib. Een Z. W. wind brengt slib op
de slijkgronden; een N. W. wind, die zoo hevig is, dat hij
(193) Men ziet hieruit, dat bet verschijnsel, op sommige plaatsen aan
onze noordelijke wadkusten waargenomen, dat de zandbanken ophoogen
en de aanwassen afnemen , zeer goed kan worden verklaard.
(194.) Daar waar de kleigrond met veel zand vermengd is, zoo als het
geval is met de polders en aanwassen aan de wadden en met sommige
gronden in den Dollard , zijn wij overtuigd , dat het zand uit den vloed-
stroom neerslaat en dat de klei uit den ebstroom bezinkt, en dat op
die wtfze de met veel zand vermengde kleigronden ontstaan.
(195) Dat een regenachtige tijd de slijkgronden door veel slib ver-
hoogt, heeft het jaar 1845 bewezen; in dat jaar is er bij uitstek veel
regen gevallen en ook de slykgronden zyn toen belangrijk opgehoogd.
Digitized by Goc
205
den aanwas bij vloed onder water zet, voert de slib in den
aanwas tot naar den dijk , en oostelijke winden , die lage
vloeden hebben, zijn juist geëigend, om aan de slib digt
langs en buiten den aanwas de gelegenheid te geven , zich
door opdrooging aan den bodem te verbinden. Is de wind
oostelijk of noordoostelijk , dus op de slijkgronden , waar
biets aanwezig is, ongeveer tegen den ebstroom gerigt, dan
verlaat het ebwater meestal de slijkgronden meer troebel ,
dan het bij het opkomen van den vloed was. De slijk-
grond heeft dan na de afebbing een zonderling aanzien.
Hij heeft dan niet meer die effene , spiegelende , licht-
graauwe oppervlakte, zoo als hij vertoont, als er veel
biets op aanwezig is ; maar hij heeft een dof, bruin aan-
zien, vol van oneffenheden en gaten, die de golven hebben
veroorzaakt. Dan schuwt de visscher de slijkgronden ,
waarover hij anders met zijne boot zoo schielijk henen
vliegt, en hij houdt zich zoo veel mogelijk in de rieten
en gaten op, want op dat stroeve slib, dat nu grooten-
deels zand is, kost het reuzenkrachten, om zijne boot
voort te bewegen. Elders redenen gegeven hebbende van
den invloed , dien de windrigting op de aanslibbing heeft ,
verwijzen wij den leier daarnaar, om ons hier te bekor-
ten (195).
In alle maanden des jaars hoogen de slijkgronden niet
evenveel op, en daarvoor is eene natuurlijke oorzaak te
zoeken in de heerschende windrigting. Het is ons, bij
een opzettelijk onderzoek daarvan, gebleken, dat in de
eerste helft van het jaar het getal Z. W. tot N. O. win-
den in verhouding staat, als 1.2 tot 1; in de laatste helft
van het jaar wordt die verhouding uitgedrukt door 2.2
tot 1. In het laatste half jaar is dus die verhouding
bijna tweemaal grooter dan in het eerste half jaar, als
wanneer de Z. W. en N. O. winden bijna tegen elkan-
der opwegen, en daar de Z. W. winden, zoo als wij
vroeger gezegd hebben, slib aanvoeren, moet men ook
daarin de oorzaak zoeken, waarom de slijkgronden in de
(196) Zie het a. w.: Over de veranderingen, die de kusten van ons
land langs de zee , de wadden , de zeeboezems en groote stroomen onder-
gaan, van o. A. VENEMA.
206
laatste helft van het jaar meer slib ontvangen , dan in de
zes eerste maanden. Deze winden, die in den nazomer en
de herfstmaanden de biets op de slijkgronden voeren, zijn
niet vermogend, om de kweldergronden zelve op te hoo-
gen; want de Z. W. winden brengen geene hooge vloeden
aan; die vloeden reiken gewoonlijk tot aan de Hanevoet-
strook. De verhooging van den kweldergrond geschiedt
bijna altijd in den naherfet, den winter en het voorjaar,
bij N. W. wind, die vooral dikwijls waait, zoo de winter
zacht is en het niet of weinig vriest. De ophooging is
dan soms nog al aanzienlijk. Eene opzettelijke meting in
het begin van den zomer van 1846 heeft aangetoond, dat
sedert den herfst van 1845 de kweldergrond achter Fin-
serwolde op ongeveer 100 ellen afstand van den dijk op
sommige plaatsen 5, op andere 7 ned. duimen was opge-
hoogd. Niet overal was de ophooging zoo aanzienlijk en
in de meeste jaren bedraagt zij veel minder; het najaar
van 1845, de winter en het voorjaar van 1846 hebben
zich bijzonder door regen gekenmerkt Niet bij alle win-
den , die den N. W. wind voorafgaan, hoogen de kwel-
dergronden zich evenveel op; het belangrijkst heeft dit wel
plaats, zoo er voor een N. W. wind#een Z. W. wind heeft
gewaaid. Dan wordt niet alleen het vloedwater hoog op-
gejaagd , maar het troebele water , dat de vloed aanvoert ,
neemt nog in zich op de groote hoeveelheid slib of biets,
die de Z. W. winden op de slijkgronden hebben gebragt,
en in den aanwas en de kweldergronden zet de eb die
slib grootendeels weder af. Deze neerslag zal nog aan-
zienlijker zijn, zoo tnsschen vloed en eb de wind plot-
seling eene Z. W. rigting kiest, als de wind zich dan
neerlegt, of als het, bij eene op dat oogenblik in vallen-
de windstilte, fel regent.
Ook ten gevolge van vorst wordt meestal de aanwas
zelf met slib opgehoogd. Het ijs, dat zich op het groote
veld der slijkgronden heeft gevormd , bestaat aan de on-
derzijde uit eene laag bevrozen slib; zoo nu de opdooi
met een N. W. wind invalt, dan scheurt dit ijs zich los,
het wordt den aanwas opgevoerd en, als het is gesmol-
ten, valt de slib op den aanwas neder.
Overal waar eene met planten bedekte grond door het
vloedwater overstroomd wordt, daar is de ophooging van
Digitized by Goog
207
den grond in een bepaalden tijd veel aanzienlijker, dan
dit in denzelfden tijd bij onbegroeiden grond het geval is.
Deze stelling wordt in den Dollard bewaarheid. De meeste
helling van den grond vindt men daar, waar de planten-
groei ophoudt en waar de ruwe slijk begint, en deze meer-
dere helling is een afdoend bewijs , dat de aanwas door
de veel minder talrijke vloeden, die hem overstroomen ,
evenwel nog meer wordt opgehoogd, dan de slijkgronden ,
die bij iederen vloed met water bedekt worden en bij
iedere eb droog loopen. Bij deze ophooging der aanwas-
sen is de Sultestrook van het uiterste gewigt. Deze Suite-
planten, die bij 1.5 of 2 el hoogte een digt bosch vormen
en haren grootsten wasdom hebben bereikt, als de neer-
slag van slib in het najaar het aanzienlijkst is, zijn er
juist voor geschikt , om meer slib op te nemen , dan ver-
der naar den dijk door het lagere kweldergras kan wor-
den terug gehouden. Daaruit blijkt het nut dier planten,
ook uit het oogpunt der aanslijking overtuigend; immers
nemen zij, bij het jaarlijksch voortschrijden, de groote
helling , die tusschen haar en het ruwe slijk altijd aanwezig
is en die zij ook zelve veroorzaken, telkens wederom
weg. Bleef die Sultestrook dezelfde plaats bewaren, dan
zou de helling naar buiten toenemen , en die strook zou
ten opzigte van den kweldergrond te veel worden opge-
hoogd; maar zij schrijdt steeds naar voren , terwijl hare
plaats door het kweldergras wordt ingenomen. Met dat
al behoudt toch de kweldergrond zelf insgelijks eenige
helling, zoo als uit het tafeltje, dat op bl. 178 voorkomt,
kan opgemaakt worden.
Deze voorwaarden, hiervoor in het breede omschreven,
die, zoo zij vervuld worden, den aanwas en de ophooging
der slijkgronden, waarvan het eerste een gevolg is, wer-
kelijk bevorderen , zijn evenwel alleen niet voldoende , om
overal gronden, die begroeid zijn, voort te brengen. Die
winden , die jaargetijden en troebel met slib bezwangerd wa-
ter vindt men op alle plaatsen en inhammen onzer kusten ,
zonder dat er juist overal aanwas plaats heeft. Zelfs in
den Dollard is de aanwas overal bij lang niet even groot;
de Tafeltjes, die wij op bl. 172 en 176 hebben opgegeven,
toonen dit overtuigend aan. Langs den Ouden Dollarddijk
is de aanwas zoo onbeduidend geweest, dat aldaar in den
Digitized by Google
208
loop van eenige eeuwen slechts eenige ellen begroeide
grond zijn te voorschijn gekomen, en toch is daar het-
zelfde troebele water, dezelfde wind, hetzelfde jaargetijde,
als achter Nieuwolde en Finserwolde. Er moet dus eene
grootere en algemeenere oorzaak zijn , die den aanwas be-
heerscht; die teweegbrengt, dat hier de aanwas met reu-
zenschreden vooruit gaat, terwijl zij daar de gronden niet
alleen niet ophoogt, maar integendeel zelfs verlaagt en
werkzaam is om de dijken aan te tasten. Deze oorzaak
moet men , naar het ons voorkomt , in de rigting van den
vloedstroom ten opzigte van de kust zoeken.
Is het water met slibdeelen vervuld en loopt de vloed-
stroom onder eenen zekeren hoek op de kust in , dan heeft
er aanwas plaats, en die aanwas zal des te aanzienlijker
zijn, hoe meer die hoek den regten hoek nadert; maar
schuurt de vloedstroom langs de kust, of, met anderewoor-
den, is de rigting van den vloedstroom evenwijdig aan
de kust, dan zal er, zoo men den invloed van den wind
buiten beschouwing laat , geen aanwas plaats hebben , zelfs
zal de stroom eene neiging hebben, om de kust af te
knagen, en deze afnemen. Laat ons zien of wij voor die
stellingen bevredigende gronden kunnen vinden. Ten dien
einde moeten wij eerst over de strooming van het water
handelen. — Zoo de vloedstroom op eene steilstaande kust
of een dijk instroomt, dan hebben er digt bij die kust of
dien dijk twee stroomingen plaats ; onder in het water jaagt
de vloed het water naar die kust of op dien dijk in, van
boven stroomt het terug. Deze stroomrigtingen zijn juist
tegengesteld aan die, welke alleen de wind veroorzaakt;
wordt door die kracht alleen het water op eene kust inge-
jaagd , dan stroomt het bovenste water op die kust in ,
maar van onderen vloeit het weder terug. Verder van
den dijk is de stroom dan ook zeer gering ; het water wast ,
om zoo te spreken, met betrekkelijk veel minder snelheid,
dan wanneer het niet door de kust gekeerd werd.
Deze dubbelde vloedstroom nu en die mindere snelheid
hebben eenen beduidenden invloed op de ophooging der
slijkgronden en van den aanwas. Immers als het water,
dat alzoo , tijdens het opkomen van den vloed , van onderen
den dijk nadert , van boven terug stroomt , heeft het een
tijd van rust, en dan bezinkt de slib zelfs tijdens den vloed.
Digitized by Goc
209
Merkbaar is de waarheid hiervan, als men slechts het
slijkgehalte van het bovenste en onderste water onder-
zoekt; men komt dan tot de overtuiging, dat het opko-
mende water van onderen veel meer met slibdeelen is op-
gevuld dan het afstroom ende water van boven. Zoo deze
dubbele strooming niet bestond, dan zou alleen de slib uit
de watermassa, die den kweldergrond onmiddellijk aan den
dijk bedekt, kunnen bezakken; doch nu moet de neerslag
grooter zijn, daar het water tijdens het opkomen van den
vloed, niet ver van den dijk telkens vernieuwd wordt. —
Deze oorzaak werkt echter zeer nadeelig op de verstop-
ping der muden en geuten digt aan den dijk, en op de
digtslibbing der zwetgoten. Daardoor worden eerstge-
noemde afwateringen niet alleen buiten, maar zelfs, door
de niet al te juiste sluiting der zijldeuren , binnen de zij-
len met slib opgevuld , en men moet zijne toevlugt tot
kunstmiddelen nemen, ten einde die waterloopen voor den
afvoer van het binnenwater eene genoegzamen wijdte te
doen behouden. Aan den anderen kant geeft, naar het
ons voorkomt , deze oorzaak den kweldergrond zeiven bij
en niet ver van den dijk de meerdere hoogte en dus
eene grootere helling, dan verder naar buiten. — Daar
waar dus de bovenstroom eindigt , is tijdens den vloed
de neerslag van slib zeer gering, maar bij den dijk, waar
de bovenstroom begint en waar de benedenstroom op-
houdt, daar is, als er geene al te sterke golfslag is,
tijdens den vloed het water in rust en bezakt de slib
tijdens den vloed op het aanzienlijkst. Tusschen beide
grenzen in, neemt de neerslag van slib naar buiten toe
af, en daarvan is het gevolg, dat de kweldergrond op
eenigen afstand van den dijk altijd eene meerdere hel-
ling dan elders moet behouden, zoo men de helling bij
die grens van den plantengroei uitzondert. De dagelijk-
sche vloeden reiken echter niet aan den dijk; zijn zij laag,
dan komen zij nog niet eens tot aan de Hanevoetplant ;
maar zoo de vloedstroom onder den hoek , die niet veel
van den regten hoek afwijkt, op de lijn inloopt, die de
grens van het vloedwater op de slijkgronden afteekent,
dan toch zal aldaar, tijdens den vloed, neerslag van slib
plaats hebben, zoodra de vloed bijna op het hoogst is
gekomen ; want dan is daar bijna stilstand in het water ,
14
Digitized by Google
210
zelfs terwijl het nog klimmende is , en daarvan is liet ge-
volg, dat de slib dan reeds naar beneden slaat.
Door deze oorzaken is het, dat de slijkgronden onder
Termunten langs den dijk van 1819, achter Nieuwolde,
Finserwolde en de Beerta, die voor den aanslag van het
vloedwater bloot liggen, hetwelk aldaar onder een hoek,
die niet veel van den regten hoek verschilt, op den dijk
in loopt, aanmerkelijk bij den dijk zijn opgehoogd en dat
de aanwas er in de laatste jaren zeer aanzienlijk is ge-
weest, terwijl, doordien de vloedstroom aan de oostzijde
van Finserwolde een weinig meer oostelijk opkomt, dan
aan de andere zijde, alwaar hij, vooral bij hevige N. W.
winden , een weinig meer westelijk gerigt is , de aanwas
achter Finserwolde en in het Munnekeveen nog vermeer-
derd wordt.
Loopt integendeel de vloedstroom langs de kust, dan is
daar geen stilstand in het water, tijdens den vloed nog
klimt, en er is ook geene terugstrooming ; het water langs
de kust wordt dus niet zacht en langzaam vernieuwd;
maar het wordt door ander water met veel snelheid voort-
gedreven, en daarom kan aldaar geen aanslag plaats heb-
ben. Van daar, dat beschermende punten, als zij groote
kommen achter zich hebben , geen aanwas achter zich op-
nemen, zoo als zelfs met die van Reide het geval is.
Om de oorzaak hiervoor aan te wijzen , zoo laat ons
de rigting van het vloedwater volgen. Zoodra het om de
Reider landtong op de slijkgronden komt en zich alzoo
boven de Oude Beertster Moe heeft verheven , schuurt
het langs de zuidzijde van Reide, loopt naar den Dal-
lingweerster Uiterdijk , dan bijna evenwijdig aan den
Ouden Dollarddijk, en hier buigt het zich oost om naar
den dijk van 1819. Komt de vloed niet tot die hoogte,
dat hij den dijk bereikt, dan volgt toch de vloedstroom
de opgegevene rigting over den slijkgrond. In beide ge-
vallen is het duidelijk, als men slechts de Kaart raad-
pleegt, dat er, tijdens het opkomen van den vloed, aldaar
aan geen stilstand noch terugstrooming van het bovenste
water, maar wel aan eene schuring van het water langs
de kust te denken valt , en daaruit volgt , dat er dan ook
geen neerslag van slib , maar wel van zand kan plaats
hebben. Zelfs is daar de vloedstroom zoo snel , dat de
Digitized by Google
211
slib, die nu en dan bij uiterst lage vloeden, die altijd door
trage ebben worden opgevolgd, uit dat ebwater nedervalt,
door de sterk opkomende vloeden weder wordt losgewoeld
en medegenomen. De slijkgronden zijn dus daar, even
zoo wel als langs de Oostfriesche kust, lager dan op an-
dere plaatsen , even ver van den dijk gelegen , en deze
mindere hoogte moet men alleen in voormelde oorzaak
zoeken.
Wij weten , dat de aanwas en de slijkgronden , eer deze
laatste in zand overgaan, eenige helling hebben, en deze
helling is een gevolg van de afstrooming van het ebwater.
Wij weten, dat er tot den neerslag van slib stilstand of
althans weinig beweging in het water gevorderd wordt.
Is de vloed op het hoogst , dan is er , hoe digter men een
zeker punt bij den dijk neemt, des te minder water aan-
wezig, dat terug moet stroomen; hoe verder men zich van
den dijk verwijdert, hoe grooter is de achterliggende wa-
termassa , die daarover terug moet vloeijen, en hier houdt
de ebstroom langer aan en is ook sneller dan daar. Daar-
om zal do neerslag van slib in het algemeen met den af-
stand van de lijn , die de uiterste grens van de gewone
dagelijksche vloeden op de slijkgronden afbakent, afne-
men, en het is hierdoor ook alleen, dat de slijkgronden
eenige helling naar buiten behouden.
Digitized by Google
VIJFDE HOOFDSTUK.
Het bevorderen van den aanwas.
De mensch is niet altijd te vreden met hetgeen de natuur
hem zoo gewillig schenkt. De wijze Voorzienigheid heeft
dat ook niet alzoo gewild. Zij heeft den mensch het
verstand gegeven , om de krachten der natuur in zijn
voordeel en tot zijn nut aantewenden , om ze tot eene
zekere grens, die door de wetenschap nog dagelijks wordt
verruimd, te beheeren en er meester over te zijn.
Ook bij den aanwas woekert de mensch met zijn ver-
stand; hij verpligt de natuur meer grond voort te bren-
gen, dan zij , aan zich zelve overgelaten, wel geneigd is af
te staan.
De middelen, die hij daartoe in het werk stelt, zijn
zeer verschillend: zij schikken zich naar den aard der
aanwassen, en ook de bijzondere inzigten van hen, die ze
toepassen, hebben onderscheiden middelen ten voorschijn
geroepen , die niet allen even doelmatig zijn ; en wel
zou het der moeite beloonen, door het nut dat dit ge-
deelte der landhuishouding daaruit zou kunnen trekken,
zoo iemand het ondernam , dit onderwerp in zijnen ge-
heelen omvang te behandelen , waartoe de grenzen van
ons bestek , zoo al niet de krachten , te kort zouden
schieten.
Wij zullen ons vergenoegen de eenvoudige en toch
zeer doelmatige middelen mede te deelen , die men in den
Dollard met zulk een goed gevolg aanwendt, om den
grond aan het gebied van het water te ontrukken, omdat
Digitized by Google
213
die middelen nog niet zoo algemeen bekend zijn , als on-
zes inziens wel wenschelijk is, en vooral ook omdat eene
beschrijving daarvan bij het onderwerp behoort.
De middelen die in den Dollard ten dien einde in
het werk worden gesteld, rusten op twee algemeene
grondslagen.
Vooreerst zorgt men , dat er geene beletselen worden
daargesteld , die zouden kunnen verhinderen , dat het
vloedwater vrij op de slijk- en kweldergronden kan op-
loopen , maar bij eb wordt de afstrooming belemmerd ,
ten einde het water zoo lang mogelijk in stilstand te hou-
den. Dit een en ander is voor den neerslag van slib
uiterst dienstig. Het vloedwater toch, met slib bezwan-
gerd, moet op den aanwas kunnen komen; iedere belem-
mering in dezen, die vermogend genoeg was, om het
vloedwater te beletten den aanwas geregeld te bezoeken,
zou ook van den aanwas die slib terug houden , die het
anders zoo geregeld afzet. Maar heeft het vloedwater
eenmaal den aanwas bedekt, dan is iedere belemmering,
die het tegenhoudt, zeer doelmatig, als strekkende, om
het water lang in rust te houden, daar de slib des te
meer uit het water neerslaat, naarmate het des te volko-
mener en langer in rust is.
Ten anderen draagt men zorg , dat alle begravingen en
andere werken zoodanig worden aangelegd , dat evenwel al
het ebwater geheel kan wegvloeijen; omdat de ophooging
van den aanwas in het tegenovergestelde "geval uiterst
langzaam stand grijpt. De redenen daarvoor zijn duidelijk;
wij zullen ze opgeven. Gesteld ten dien einde, dat in eene
kuil of laagte het water, tijdens de eb, is verbleven en dat
er neerslag van slib heeft plaats gehad, zoo als altijd het
geval is, dan blijft deze slib in de onderste lagen van het
water hangen, of anders gezegd, die slib is met water
vermengd en het geheel heeft weinig meer soortelijk ge-
wigt dan het water zelf ; die slib hecht zich niet op den
bodem vast, maar zij blijft er als het ware op drijven,
alhoewel het water van boven helder wordt. Komt het
vloedwater weder op , dan roert het , door de snelheid die
het heeft, al het water in de kuil of laagte weder door
elkander; de neergezakte slib vereenigt zich nu weder
met het vloedwater, en als de eb is gekomen, dan is de
Digitized by Google
214
neerslag van slib in die kuil of laagte niet of althans zeer
weinig grooter dan vroeger. Met iederen vloed wordt de
slib weder met het water vereenigd, en de ophooging in
die kuil of laagte is na lang tijdverloop bijna onmerkbaar.
Stroomt het water echter uit die kuil of laagte geheel
weg, dan droogt de lucht de slib, bij de eb achter ge-
laten, uit, waardoor die nu steviger wordt en zich laags-
gewijze met den bodem verbindt , zoodat , als de vloed op
nieuw over die gronden rolt, de slib reeds geheel met
den bodem vereenigd is. Ieder eb laat een laagje slib
achter, die zich alzoo door opdrooging met den bodem
verbindt; de vloed neemt er niets weder van mede, en
aldra is de plaats niet meer aan te wijzen , waar voorheen
eene kuil of laagte is geweest.
Om het ebwater tegen te houden en om het tevens
volkomen te doen wegvloeijen, heeft men den aanwas be-
graven. Men heeft van de buitenbermsloot van den dijk
slooten gegraven, die men zwetten noemt, en deze in het
slijk opgebragt, alwaar zij in rieten of gaten vallen, die
zich, zoo zij niet aanwezig zijn, toch spoedig op de ein-
den der zwetten vormen. Langs deze zwetten legt men,
waar dit noodig is, lanen aan, die soms daar eindigen,
waar de aanwas ophoudt, maar die dikwijls nog in den
slijkgrond worden opgegraven. Van zwet tot zwet of van
laan tot zwet , graaft men kleine slooten , die men meet-,
meed- , met- , meyntgoten of groene goten of ook dwarsgruppek
noemt, en als men deze in den slijkgrond aanlegt, ont-
vangen zij den naam van slijkgoten. Is de afstand tusschen
de zwetten en lanen, naar het inzigt van den eigenaar
of bezitter van gronden , te groot , dan worden buiten de
voorgaanden nog kleine slootjes op den aanwas gegraven,
die evenwijdig met de zwetten of lanen loopen, en dan
heeten deze altijd meetgoten, en de slootjes, die van de
lanen naar de zwetten loopen , in dit geval dwarsgruppeh.
De zwetten , lanen , meetgoten en dwarsgruppels verdee-
len den aanwas in vierhoekige stukken grond, die niet
overal in den Dollard even groot zijn, en ieder zoodanig
stuk heeft een meetje.
Deze meetjes hebben een inhoud :
In de Stads aanwassen onder de gemeente
Beerta en in het Munnekeveen , . . . . van 75 Koeden
Digitized by Goc
215
In den aanwas onder Finserwolde meest van 50 Roed.
Maar hier ook , even als onder Termunten, „ 37 % „
Bij het graven der zwetten , meynt- en slijkgoten en dwars-
gruppeh wordt uit de eerste de slijk, óf gelijkelijk op
beide wallen geworpen en geëffend, óf men werpt de
slijk daarheen , waar laagten zijn , om die laagten daar-
mede te vullen. Zoo oostelijk van de zwet eene laan ligt,
wordt ook dikwijls, aan de andere of westelijke zijde der
zwet, de helft van den grond, die uit de zwet komt, tot
een dijkje of wal verwerkt. Uit de meet- en slijkgoten en
uit de dwarsgruppels wordt de slijk ter vorming van een
dijkje af wal noord of zuid, oost of west aangeworpen;
want men verschilt nog in gevoelen , welke zijde men in
dezen moet kiezen, om den aanwas en de slijkgronden
het meest te doen ophoogen.
Bij het groot aantal vierhoeken of meetjes , waarin , door
dien aanleg van zwetten en goten , de aanwas en een ge-
deelte van de slijkgronden verdeeld is , heeft toch ieder
meetje alsnu aan eene of aan beide zijden een wal of
dijkje, en deze watten of dijkjes zijn voor de ophooging
van den aanwas en de voorliggende slijkgronden van het
hoogste gewigt.
Om dit te doen zien , zoo laat ons de afebbing nagaan
voor het geval, als de vloed de slijk- en kweldergrondcn
onder water heeft gezet. Is de vloed juist of bijna op,
het hoogst , dan is er eerst eenige stilstand in het water ,
eer de afebbing begint; de slibdeelen zinken gedeeltelijk
in de onderste lagen van het water, gedeeltelijk op den
bodem. Het laagste water houdt dus meer slib op dan
het hoogere. Deze stilstand duurt niet lang; het water
begint spoedig af te ebben ; maar hoe bruisend de vloed
ook is opgekomen , de eb laat het water meer kalm. De
afstrooming, die over den aanwas en de slijkgronden meest
noordoostwaarts of noord aangaat, geeft toch aan het on-
derste water op den aanwas weinig of geene strooming,
omdat de wallen en de meetjes hier verhinderend tusschen
beide treden, en zoo het water tot aan het bovenste der
wallen is afgeëbt, houdt de noordoostelijke of noordelijke
afstrooming op den aanwas geheel op. Het water,
dat nu nog vrij hoog op de meetjes staat, moet eerst
ongeveer westelijk of oostelijk aan , al naar dat de wallen
Digitized by Google
216
zijn gelegen , clan langs de zwetten naar de takken , ga-
ten, rieten of muden , om van daar naar de Eems te
worden afgevoerd. Dit water is, zoo als wij even reeds
hebben aangetoond , veel meer met slibdeelen bezwan-
gerd , dan het bovenste water, dat noord- of noordoost-
waarts is weggestroomd , en het is dit water dat de meeste
slibdeelen nederzet. Het is toch gemakkelijk te zien , dat
er nu , daar het water op ieder meetje tnsschen deszelfs
wallen begrepen is, slechts weinig afstrooming kan plaats
hebben, omdat dit water alleen langs de zwetten moet af-
vloeijen , die , zoo als wij later zien zullen , geen grooten
inhoud bezitten en ook niet bezitten mogen, opdat het
water niet te schielijk wegvloeije. Het is dus langen tijd
bijna geheel in rust en nu slaat de slib rijkelijk op den
aanwas en op de alzoo begravene slijkgronden neder, die
er door worden opgehoogd. — Vraagt men waarom men de
meetjes zoo klein aanlegt, dan is het antwoord hierop
gemakkelijk te vinden. Gesteld toch dat een meetje zeer
groot werd genomen , om een voorbeeld te nemen , vijf
of meermalen grooter, dan nu, dan zou eene even zoo
veel malen grootere oppervlakte van water met elkander
in gemeenschap zijn , en eene zachte koelte zou zelfs in
staat zijn eene beweging in het water te onderhouden,
sterk genoeg , om den neerslag van slib merkelijk te be-
lemmeren ; en daar de aanwas nog al veel naar buiten af-
helt, zou er zelfs het gevolg van zijn, dat het water uit
dat groote meetje , voor dat gedeelte dat liet digtst aan
den dijk was gelegen, geheel over 'den wal van het meetje
wegstroomde en dit dus aldaar droog kwam te liggen , voor
dat de meer langzame afstrooming alleen langs de zwetten
een aanvang nam. Maar in kleine meetjes is de gemeen-
schap van het water door vele wallen afgebroken, en de
kleine krullingen , die eene koelte in het water veroor-
zaakt, planten zich niet verder dan tot aan de digt aan
elkander gelegene grenzen over; de beweging in het water
wordt dus door het verdeelen in kleine meetjes tegenge-
gaan; de slibneerslag wordt er door bevorderd. Vooral
van belang is het dus om eenig meetje zuid- en noord
Weinig breedte te geven ; de afmetingen oost en west kun-
nen daarom veel grooter dan zuid- en noord worden ge-
nomen. — Zoo als wij vroeger reeds gezegd hebben, niet
Digitized by Goc
217
alleen op den aanwas, maar ook in de slijkgronden kort
buiten de strook, waar de Hanevoet groeit, begraaft men
den grond op de even beschrevene wijze, ten einde
niet alleen den neerslag van slib te bevorderen, maar om
tevens den grond door bezakking eene meer drooge lig-
ging te geven, en om derhalve daardoor de snellere voort-
schrijding van de Hanevoet te bespoedigen , en het is wel te
gelooven , dat, hoe verder men deze begravingen in de
slijkgronden uitstrekt, hoe meer vooral door de droogere
ligging de biets , die de eb achterlaat , zich met den bo-
dem laagswijze verbindt, hoe meer de slijkgronden ophoo-
gen , en hoe grooter lengte de plantengroei jaarlijks voor-
waarts strijdt.
Deze handelwijze heeft tevens het voordeel , om het wa-
ter te noodzaken, niet alleen de grovere, maar ook de
fijnere deelen, die het ophoudt, af'tegeven , en daarom hou-
den wij ons overtuigd , dat deze wijze van begraven , vooral
doeltreffend zoude zijn voor onzen aan de wadden gelegen aan-
was , die thans zeer zandig is, maar die dan ontwijfelbaar
door meer fijne slibdeelen zoude worden opgehoogd.
Deze begravingen, waarvan wij later het jaarlijks be-
drag per bunder zullen opgeven, zijn nog al kostbaar;
echter gelooven wij, dat die uitgaven ruim door den
meerderen aanwas , die er een gevolg van is , worden
vergoed , en van daar ook , dat in onzen tijd — die zich
vooral door zijne materiële rigting daardoor van vroegere
tijden onderscheidt , dat bij iedere onderneming het voor-
en nadeel zeer juist tegen elkander worden afgewogen —
die begravingen zoo algemeen en zoo zorgvuldig op be-
paalde tijden worden in het werk gesteld.
Onder Finserwolde is deze wijze van begraven wel het
langst van allen in gebruik geweest, zekerlijk reeds in
1740 ; doch toen en later nog werd minder algemeen ,
dan nu , aan dit werk behoorlijk de hand gehouden.
Ook in de slechte tijden, die de landbouwer vroeger nu
en dan heeft doorgeworsteld, bevond hij zich niet zel-
den in de onmogelijkheid , om voor zijne baitendijksche
gronden buitengewone uitgaven te besteden, en daardoor
bleef dikwijls, tot nadeel in de toekomst, dat nuttige werk
achter.
De stad Groningen is met de begravingen in hare aan-
Digitized by Google
218
wassen eerst in 1797 begonnen; en het Domeinbestnnr,
dat zijne buitendijksche gronden altijd zeer onachtzaam
heeft behandeld , nog later (197).
Om de belangrijkheid van het onderwerp willen wij
hier, na dit algemeen overzigt van de begravingen
gegeven te hehben, meer in bijzonderheden treden,
en voor alles het uitmuntende plan uit elkander zet-
ten, dat in het jaar 1795 door den Heer J. hoba
SICCAMA, ter verdeeling der Stads aanwassen onder de
Beerta in meetjes is ontworpen , en dat nog tot op het
tegenwoordige oogenblik , alhoewel het door den Heer
J. roelofs eenigzins is gewijzigd, steeds bij de begravin-
gen wordt gevolgd (198). De kaart, die aangaande dit
onderwerp bij dit werk is gevoegd , en die door den voor-
maligen kundigen Stadsbouwmeester , den Heer g. kuij-
peb , is opgemaakt , en die tot op het jaar 1851 door den
Heer r. j. roelofs is bijgehouden, is zoo duidelijk, dat
wij om een juist overzigt te geven, met eene zeer korte
beschrijving zullen kunnen volstaan. De liniën AA zijn de
zwetten die uit de buitenbermsloot van den dijk ontsprin-
gen en evenwijdig aan elkander naar buiten in het slijk
uitloopen , om aldaar in rieten te eindigen , die het water
in de Westerwoldsche Aa overbrengen. De lijnen, waar-
(197) Ook elders is het begraven der kwcldergronden reeds laag be-
kend geweest ; althans in een oud werkje , dat thans nog veel bruikbaar»
bevat, van albert rrahms , An/angsgründe der Deich- und Wasser-
bauhinst, Aurich 1767; komt op S. 142, § 164, het volgende voor:
„Will man indessen in und vor dem anwachsenden festen und dichten
„grünen Groden ab , etwa alle 4 bis 5 Ruthen kleine Grüppcn von etwa
„2 bis 3 fuss oben weit, 1% fuss tief, so weit hinunter ziehen als der
w sogenannte Quendel oder Krückfuss beginnet auszuschlagen oder höch-
„stens soweit hinunter, da beij tüglicher Fluth 6 bis 9 Zoll Wasser
„kommt, kan solcher zu besscres Ausschlagung des Quendels und übri-
„ gen Gew'dchse auch Bcdichtung und Fcstwordung des Bodcns seinen
„ gaten Nützen haben u. s. w." Deze handelwijze heeft met die , welke
wij hier voor hebben beschreven , wel is waar weinig overeenkomst ,
maar het blijkt hieruit toch, dat men in dat werkje dat nut van begra-
vingen vooral aantoont , voor het bezakken en het meer opdroogen van
den grond , waarvan een grootere jaarlijksche aanwas het gevolg is.
(198) Het plan van begraving van de Stadsaan wassen komt in zijn
geheel voor in de Verzameling van Resolutiën van de provisi'oneele Muni-
cipalileit der stad Groningen, te Groningen, bij J. n. bolt, bl. 133envv.
Digitized by Go(
219
bij de letters BB gevonden worden, zijn Urnen, die ins-
gelijk een begin aan de buitenbermsloot nemen , om in
den slijkgrond te eindigen. De dwarswegen vindt men aan-
geduid door de letters CC, de hoofdwegen door DD.
Als wij deze beschrijving met de kaart vergelijken, zal
men ligtelijk eene tegenstrijdigheid vinden , die wij moe-
ten oplossen. Op de kaart toch loopen de zwetten en de
lanen evenver tot aan eene gestippelde lijn, alwaar zij
plotseling ophouden, terwijl onze beschrijving de eersten
in rieten overbrengt, de laatsten in de slijkgronden doet
eindigen. Maar, om deze schijnbare tegenstrijdigheid uit
den weg te ruimen, behoeven wij slechts aantevoeren, dat
het plan van begraving tot aan die gestippelde lijn is op-
gemaakt, en dat de zwetten, zoo dat plan geheel is uit-
gevoerd, tot aan die lijn de afgeteekende rigting moeten
hebben, alhoewel het dan toch nog van zelve spreekt, dat
de zwetten in rieten moeten inmonden, om den wateraf-
voer naar de Westerwoldsche Aa te doen plaats hebben.
De lijnen EE, die in eene regte rigting evenwijdig aan de
dwarswegen loopen, zijn meijnt-, met-, meed-, meet- of groe-
negoten , voor zoo verre zij in den reeds begroeiden grond
liggen, of slijkgoten, voor zoo verre zij in den slijkgrond
liggen. Door deze zwetten , lanen, wegen en door de
meet- en slijkgoten , die ze regthoekig doorsnijden , wordt
de aanwas in regthoeken verdeeld, die, zoo als wij vroe-
ger reeds gezegd hebben, meetjes worden genoemd, en
deze hebben alhier een inhoud van 75 Roeden. Wat de
afmetingen der hoofd- en dwarswegen, lanen, zwetten,
meet- en slijkgoten betreft , wij willen ze hier volledig ge-
ven, omdat wij zeker niet ten onregte van gevoelen zijn,
dat men bij het navolgen van dit plan, dat zoo uitmun-
tend aan de verwachting heeft beantwoord , met alle on-
derdeden behoorlijk bekend moet zijn, wil men zich in de
uitkomsten , die men beoogt te verkrijgen , niet geheel of
ten deele bedriegen.
1. Afmetingen der hoofd- en dwarswegen en lanen.
Hoofdwegen 24 Groninger voeten of 7.04 el.
Dwarswegen 20 ,. „ „ 5.87 „
Lanen .... 18 „ „ „ 5.28 „
Digitized by Google
220
2. Afmetingen der zwetten en goten.
Naam der zwetten , 9looten en goten.
Wijdte
van
boven.
Ellen.
Wijdte
in den
bodem.
Ellen.
diepte.
Ellen.
3.15
1.15
1.15
2.05
1.20
1.15
1.76
0.72
1.03
1.17
0.58
0.44
Meetgoten in de groente en Laangoten
1.03
0.51
0.73
Hoofdwegsgoten ten zuiden van den weg
1.03
0.55
0.73
Hoofdwegsgoten ten noorden van den weg
0.74
0.44
0.66
3. Af melingen der meetjes.
Een meetje is 8 maal langer dan breed; de lengte be-
loopt 246.3 el , de breedte 30.8 el ; ieder zwet en laan zijn
dus van elkander verwijderd 246.3 el ; de zwetten hebben
een afstand van 492.6 el, en de lanen liggen even ver
van elkander af (199).
Het zal mogelijk eenigzins vreemd voorkomen , dat de
zwetten in het slijk minder breed worden gegraven dan
in den aanwas zeiven ; maar als men bedenkt , dat de
grond zeer week is, en dat zij door inzakking al dade-
lijk worden verbreed, dan vervalt die tegenstrijdigheid.
Ook hebben de zwetten in het slijk minder diepte, dan in
den aanwas, maar daarmede zullen zij in allen gevalle
kunnen volstaan , daar de afhelling van den grond die
van het water , zelfs bij de sterkste afebbing , nog verre
overtreft. De stroom werkt tevens zoo sterk op de wal-
(199) Deze opgave komt met de grootto van een meetje niet over-
een : zijn de meetjes juist 75 Roeden , dan zal , bij eene 8 maal grooterc
lengte dan breedte , de lengte 244.96 el , de breedte 30.62 el moeten
zijn , zoo als gemakkelijk door berekening kan gevonden worden. Wij
geloovon echter wel , dat de afmetingen juist zijn opgegeven , maar dat
de inhoud iets grootcr en wel 75.87 roeden is.
Digitized by Goc
221
len der zwetten , dat men zeer dikwijls genoodzaakt is ,
om de verbreiding der zwetten ongeveer op het einde
van den kweldergrond , door het aanleggen van knijpen of
aardhoopen , tegen te gaan.
Deze knijpen , onder a in Figuur 2 aangewezen, worden
meestal aan den oostelijken wal aangelegd , omdat de stroom
inzonderheid dien wal der zwetten aantast In den vorm
van eenen halven cirkel liggende, bestaan zij uit klei-
grond , die door dunne lagen Kweldergras of Sulteplanten
of door beiden wordt afgewisseld , om de knijp zelve ,
die veel van de stroom heeft te lijden, meer vastigheid te
geven. Deze knijpen kunnen echter alleen worden aange-
legd, als er reeds eene merkelijke verbreeding van de
zwet bestaat , maar die verbreeding kan er niet door worden
voorgekomen. Men zou mogelijk van gevoelen zijn, dat
daarom zeer smalle , boven tamelijk breede zwetten door
de Sultestrook heen te verkiezen zouden zijn, maar de
ondervinding heeft juist het tegendeel bewezen. Zijn de
zwetten daar smal, dan leveren zij geen grond genoeg
op , om er wallen van op te werpen , die èn door uitdroo-
ging, èn door drukking zoo stevig worden, dat zij de
werking van het water kunnen weerstaan , en daarvan is
het gevolg , dat zij al spoedig belangrijk verbreeden. Wor-
den de zwetten echter op de hier voorgenoemde plaats
dadelijk op deze breedte van ongeveer 2 el en ter diepte
van ruim 1 el gegraven , dan leveren zij eene voldoende
hoeveelheid grond op voor het vormen van wallen, die
meer duurzaam aan de werking van het water weerstand
kunnen bieden, en de zwetten verbreeden zich dan meer
langzaam.
Bij het jaarlijksch voortschrijden van de Sultestrook ver-
dwijnen de rieten door digtslijking niet altijd zoo spoedig,
of zij worden nog wel eens door de Suite ingehaald , en
dan is het noodig , — hetzij in zoodanig rieten voor den
afvoer van het water zwetten zijn geleid of niet, — dat
zij hoe eerder hoe beter digtslijken en begroeijen, zoo
dat alle sporen er van zijn weggenomen. Maar de natuur
gaat haren eigen gang en volgt niet altijd van zelf of
gewillig 's menschen verlangen en wenscheii. Ook hier
moeten hare krachten door zijn vernuft en arbeid, als
met geweld , worden geleid , zullen zij zijn wil volbrengen.
Digitized by Google
222
Men graaft dan opvolgend de goten aa,bb, cc, Figuur 3, en
werpt de slijk dezer goten , ter vorming van eenen lagen wal,
westaan. Heeft zoodanige wal slechts een drietal dagen
weerstand aan de werking van het water kunnen bieden ,
dat bijna zeker het geval is, zoo hij in het midden van
den zomer wordt opgeworpen, dan is hij genoegzaam vast
geworden, om tegen de strooming van het water bestand
te zijn , en daar als nu bij afebbing het water in A , B en C
slib afzet, vullen zich de lagere vakken spoedig tot aan
de hoogten der wallen, die langs de goten aa , bb, cc
liggen, aan. Dan worden deze goten weder op nieuws ge-
graven; de wallen weder west langs de goten gelegd en
men dwingt het water nogmaals, om bij iedere eb , in A 9
B , C zijne overtollig slib te laten vallen. Zoodoende wordt
zelfs spoedig een zeer wijd riet vernaauwd ; de vakken A,
B , C hoogen aldra tot in één vlak met den aanliggenden
kweldergrond op, en, als zij begroeid zijn, is later de
plaats, waar langs het wijde riet kronkelde , zelfs door het
scherpe oog van den oeverbewoner niet terug te vinden.
Eerst dan kan men de zwetten, meetgoten en dwars-
gruppels de vereischte regte rigting geven.
In het algemeen buigen zich de zwetten door den loop
van het water oostaan en verbreeden zich tevens , zoo als
vroeger reeds is aangewezen. In den slijkgrond zijn dit
geene zeer belangrijke verschijnsels; maar zoodra de aan-
was bij zijn voortschrijden eene dusdanige tot een riet ver-
breede zwet ontmoet , is het zeer noodig , dat dit riet niet
alleen geheel verdwijnt, maar tevens, dat aan de zwet
zelve die rigting worde gegeven, die zij moet hebben, en
het hulpmiddel , hiervoor aangewezen om een riet in be-
groeiden grond te doen overgaan , kan hier niet worden
toegepast. Men kan dan op de volgende wijze te werk gaan.
Gesteld dat Aa , Figuur 4 , het te oostelijk liggend gedeelte
van een riet is, waarin de zwet Bb uitloopt, dat cd de
lijn is, die de grens van den plantengroei aanduidt, dan
legt men bij ee , c op 100 of 200 el afstand van elkan-
der dammen door het riet, die men aanlegt van Suite ,
door de stokken daarvan, welke daar des zomers altijd
aanwezig zijn, als rijsbossen te zamen te binden, en door
de ruimten tusschen die bossen , als ze in het riet zijn ge-
vlijd , met klei aantevullen. Die dammen worden eerst
Digitized by Google
223
laag gemaakt, en als de slib, die het water afzet, het
werk meer heeft verbonden , en zij zich voor en achter de
dammen ophoogt, hoogt men ze langzamerhand tot boven
gewoon volzee op. De panden tusschen die dammen blij-
ven dan bij gewone vloeden droog en de zwet ontvangt
geen water meer. Daarna graaft men van a af in de rigting
aB de zwet tot naar b naar buiten in den slijkgrond uit,
om haar in een ander riet afteleiden. Dan komt het wa-
ter weder geregeld in de zwet op en gaat er in af; maar
de panden in het riet tusschen de dammen gelegen, blij-
ven bij gewone vloeden droog, ontvangen geen water
meer en kunnen derhalve niet digtslibben. Om dit te doen
plaats hebben, graaft men de goten /, /, ƒ, die de zwet
met het riet verbinden , en heeft men zorg gedragen , dat
aan de zwet , zoowel als die goten , meer diepte dan het
riet is gegeven , dan loopen telkens de panden van het
riet, als zij bij vloed gevuld zijn geworden, weder bij eb
volkomen droog, en in eenen betrekkelijk korten tijd is
het geheele riet tusschen de dammen door opslibbing
volkomen verdwenen.
Het komt ook wel eens voor, dat een riet AB dwars
de zwetten ab, ab , ab doorsnijdt, zoo als in Figuur 5 te
zien is. Om zoodanig riet door neerslag van slib in begroei-
den kweldergrond te herscheppen , plaatst men in het riet,
in de rigting van den een of anderen wal der zwet, de dam-
men e, e, e 9 waardoor het riet in panden wordt verdeeld,
die bij vloed door het water worden gevuld, en die bij eb
weder volkomen droog loopen en waardoor veroorzaakt
wordt , dat het riet door opslibbing spoedig is verdwenen.
De zwetten worden jaarlijks nagezien en, waar het
noodig is , verbeterd , deels om de twee jaar hergraven , en
alsdan wordt telkens bepaald , waar knijpen noodig zijn , ten
einde de verbreeding , die de gestadige op- en afloop van het
water veroorzaakt, te beteugelen, door den stroom te mati-
gen, alzoo den tijd van strooming te verlengen. De meetgo-
ten worden om het derde jaar hergraven, maar slijkgoten
is men wel genoodzaakt telken jare zulks te doen. Te-
vens worden er jaarlijks, al naar dat de slijkgrond min
of meer droog is , een of twee slijkgruppen en alzoo nog
een of twee meetjes bij aangelegd. Het is in dezen , zoo
wel als bij het hergraven der slijkgoten, van het hoogste
224
belang , dat het graafwerk tijdens bestendig weder en by
lage vloeden , alzoo niet bij N. W. winden verrigt wordt ;
want zijn de vloeden onstuimig, dan zijn de slijkgoten zeer
spoedig door de afspoeling der onbegroeide wallen ge-
dempt, en men kan de aangewende kosten grootendeels
voor verloren beschouwen. Vandaar dat de graafwerken
in een jaargetijde worden ondernomen , wanneer men nog
op bestendig weder mag rekenen. Men begint in April
dikwijls aan de buitenbermslooten , aan de zwetten , meet- ,
laan- en weggoten in de groente in Mei en Junij, aan de
slijkgoten in Julij , als wanneer het weder al zeer zacht is
en men geene onstuimige vloeden behoeft te vreezen.
De lanen zelve legt men jaarlijks wel 200 el buiten den
aanwas in den slijkgrond verder dan de slijkgoten aan,
waardoor het mogelijk is , dat door bezakking de grond zoo
veel vastigheid verkrijgt, dat de laan later niet door de
stroom al dadelijk eene al te N. O. rigting verkrijgt
Wat de jaarlijksche kosten van begraving betreft, zij
zijn minder dan men wel zou denken. Om ook in dezen
een overzigt te geven, volgt hier eene opgave van de
prijs, waarvoor het hergraven per roede van 10 el in 1850
is uitbesteed geworden.
De zwetten 28 cent.
De meetgoten ........ 19 „
De laangoten 14% „
De hoofdwegsgoten 14 „
De slijkgoten 14 „
Het dagelijksch werk van een arbeidsman , als hij een
goed graver is, bedraagt:
Van zwetten 2 x / 2 K. van 10 el.
Van meetgoten. ...... 4%
Van slijkgoten 6 „ „ „ „
De uren van arbeid loopen bij dergelijk werk op en buiten
den aanwas alleen van 's morgens 4 tot 's middags 12 uur.
Hoeveel de jaarlijksche begravingskosten voor den aan-
was en kwelder op ieder bunder beloopen, zijn wij in
staat gesteld voor de Stads uiterdijken zeer naauwkeurig
over een tiental jaren, en wel van 1840 tot 1850, te
kunnen opgeven. Die kosten hebben beloopen in deze
jaren de aanzienlijke som van / 22884,39 voor het begraven
Digitized by Google
225
van 3501 bunder buitendijksche gronden, waaruit men de
jaarlijksclie begravingskosten van het bunder bevindt te
zijn ƒ 6,54.
In Oostfriesland zijn zij iets geringer. Dr. reinhold
geeft in een zijner geschriften op, dat de begravingskos-
ten van den aanwas achter den Heinitzpolder van 1823
tot 1840 over 251.2 bunder jaarlijks hebben bedragen ge-
middeld ƒ 1489,50 , waaruit men de jaarlijksclie kosten van
graafwerk op slechts f 5,93 per bunder vindt (200).
Elders in den Dollard, alwaar het bezit der kwelder-
gronden tusschen zeer vele landbouwers verdeeld is,
wordt het moeijelijk, om vaste afmetingen voor de zwet-
ten , meet- en slijkgoten op te geven , die ieder naar zijn
goedvinden uitkiest ; ook is de tijd van hergraving daar
minder aan eenen vasten regel gebonden. Hierbij komt,
dat velen tot nadeel van den aanwas nog al te veel op de
oogenblikkelijke kosten zien, en het graafwerk niet zoo
dikwijls herhalen, als wel noodig is, en vandaar dat men
voor de jaarlijksclie kosten van begraving daar ook geenc
vaste jaarlijksche som per bunder kan opgeven.
Wij hebben alsnu , wel is waar , de begravingen van de
Stads aanwassen beschouwd uit het technisch en geldelijk
oogpunt van aanleg, maar wdar de uitgeworpene aarde
soms ter vorming van dijkjes of wallen wordt geborgen
en hoe vervolgens het water in dat netwerk van graaf-
werk opkomt en afgaat, hiervan hebben wij nog geen
enkel woord gesproken, en dit is zeer zeker hoogst ge-
wigtig , ten einde zelfs in de kleinste bijzonderheden met
den aanleg van den aanwas in den Dollard en al wat
daartoe behoort bekend te worden. Hiertoe is het noodig,
dat wij eene afzonderlijke teekening voor oogen brengen,
waarop meer de bijzondere onderdeden zijn opgenomen,
welke op de kaart zelve niet wel konden voorkomen.
Wat dan de plaatsen betreft, alwaar de aarde bij het
graven der zwetten en verschillende goten moet worden
geworpen , deze worden op eene doelmatige wijze zeer
verschillend genomen. Bij de zwetten werpt men ze dik-
(200) Historisch hydrographische Nachrichten von den Ilafcn und ander»
Schiffahrls-Anstahen in Ost friesland , S 105.
15
Digitized by Google
22G
wijls naar beide zijden heen, vooral om laagten , die het water
veroorzaakt heeft , aantevullen , met behoud van eene berin
van 5 palm. Uit de goten langs de lanen, hoofd- en
dwarswegen wordt de aarde op die lanen en wegen zelve
geworpen en geëffend met eene tonrondte van 1 palm. Zijn
er echter door in- en afspoeling laagten in de lanen of
wegen ontstaan, dan vult men die laagten met vasten
grond uit de meetjes zelve aan , die beter de werking
van het water wederstaat, dan de slijkgrond, die uit de
goten wordt verkregen. Deze laagten worden tot eene
hoogte van 3 palm boven het vlak der laan of van den
weg aangevuld, opdat zij niet aldra door bezakking en
door afspoeling weder beneden het vlak van de laan of
den weg dalen. De grond , dien het graven der meet-
en slijkgoten oplevert , wordt thans ter vorming van eenen
wal zuidaan geworpen met een berm van 5 palm, maar
vroeger , volgens het plan van den lieer j. hora siccama ,
noordwaarts aan. Van daar dat men kort langs den dijk
nog meetjes aantreft, alwaar de wallen aan de noordzijde
de goten begrenzen , en die wallen behouden thans nog
bij hergraving der goten dezelfde ligging. Op de bijgaan-
de teekening, Figuur 6, in welke de gestippelde lijnen de
wallen aanduiden, vindt men ze onder g, g y g, naar de
tegenwoordige wijze van begraving der Stads aanwassen ,
onder A, h> volgens het plan van den Heer J. hora
siccama.
Zoo als wij vroeger reeds gezegd hebben , is thans nog
het gevoelen van deskundigen verdeeld , aan welke zijde
der goten, aan de zuidelijke of noordelijke, om het meest
den aanwas te bevorderen , de* wallen moeten worden aan-
gelegd, en wij willen nu eens meer bepaald onderzoeken,
waarom men in dezen twee verschillende inzigten kan
aankleven.
Het is bekend , dat de vloedstroom in den regel on-
stuimiger opkomt , dan de ebstroom afgaat. Klimt het
water nu tot die hoogte, dat het over de wallen , op den
aanwas aangelegd , henenstrijkt , dan scheurt de vloed-
stroom dikwijls grond van de wallen los, vooral zoo zij
pas opgeworpen en nog niet begroeid zijn. Zijn nu deze
wallen noordelijk van de meetgoten gelegen , dan zijn
soms die goten, door afslag en afkabbeling van de wal-
Digitized by Goc
227
len, spoedig gevuld. Liggen zij integendeel aan de zuid-
zijde der goten , dan wordt de grond der wallen , dien de
vloedstroom loswoelt , op het meetje zelve gevoerd , maar
de goten blijven open. Uit dit oogpunt beschouwd , is
het zeker veel verkieselijker de wallen aan de zuid- dan
aan de noordzijde van de goten optewerpen. Maar de
kweldergrond heeft nog al eenige helling, en ligt, opzig-
telijk een waterpas vlak, des te lager, hoe verder men
zich van den dijk verwijdert, zoo als wij hiervoor reeds
hebben opgegeven. Daar volgt dus uit , dat ook de noord-
zijde van ieder meetje bij k eene lagere ligging , dan de
zuidzijde bij l heeft. Sluit men nu het meetje door eenen
wal van de meetgoot af, en is kort langs de zwet de
grond iets hooger , dan een weinig van de zwet af, dat
meest altijd door het gedurig graven der zwet het geval
is, dan zal het meetje bij eb niet volkomen droog kun-
nen afloopen , maar iets dras te liggen komen , dat voor
de ophooging niet voordeeiig kan zijn. Ligt integendeel
de wal aan de noordzijde van de meetgoot, dan is er
geene verhindering aanwezig , die veroorzaakt , dat het
meetje zijn water bij eb in de noordelijke goot volkomen
kan ontlasten , en uit dit oogpunt beschouwd , heeft het
zeer zeker veel voor zich, om de zwetten aan de noord-
en niet aan de zuidzijde der meetgoten te plaatsen. Om
dit laatste bezwaar tegen het opwerpen der wallen aan
de zuidzijde der meetgoten volledig wegtenemen, is men
wel niet op de Stads aanwassen , maar op kweldergron-
den , aan anderen toebehoorende , met goed gevolg be-
gonnen , het geheele meetje door watergoten, m, m, m, met
de zuidelijke meetgoot in verbinding te brengen. Deze
zijn van 7 tot 10 el van elkander verwijderd ; aan den
wal geeft men ze 2 palm breedte en 1.5 palm diepte,
aan de meetgoot 3 palm breedte en even zoo veel diepte;
en daardoor kan het meetje , alhoewel de wal zuidelijk
van de meetgoot ligt en het meetje daar het laagst is ,
volkomen zijn water naar de zuidelijke meetgoot afvoe-
ren. Bij het graven dezer goten , wordt de 10 el met 2
cent betaald, en de grond, dien deze goten oplevert,
wordt over het meetje geworpen.
Men is genoodzaakt , niet alleen deze goten nu en dan
weder optegraven, maar ook ze tevens te verleggen; de
Digitized by Google
228
grond toch, dien men er uitgraaft, wordt natuurlijk kort
aan de goot geworpen, en als dit verscheidene keeren
geschiedt , ligt de goot in eene hoogte. Men brengt haar
dan naar eene naastgelegene lagere plaats over, om zoo-
doende het meetje eene vlakke ligging te doen behouden.
Geheel ondoelmatig is het, deze watergoten noordelijk
door den wal te graven, om ze in de goot, verder en
noordelijk van den dijk gelegen, te doen uitloopen en
niet in .de zuidelijke goot van het meetje, en toch wordt
dit wel eens gedaan. Daardoor toch wordt die wal afge-
broken ; de stroom scheurt daar groote en grootere gaten
in , en de afloop van het water wordt , als dat het meetje
bedekt , niet zoo tegengehouden , als bij geheel digte wal-
len en bij eene graving van watergoten van de wallen
af zuidwaarts op tot naar de meetgoot.
Welk een netwerk van zwetten en goten als nu ook
in den aanwas ligt , het water gaat er bij zijne opkomst in
eenen zeer van rigting veranderden loop, die wij in de
teekening door pijltjes hebben aangewezen , gemakkelijk
in op , en het ebwater stroomt er even geregeld uit af.
Klimt de vloed hooger, dan de aanwas, dan heeft de
wateraanvoer alleen langs de zwetten plaats , zoolang als
de wallen zich nog boven het water verheffen; maar zijn
ook deze onder de watervlakte verdwenen, dan komt er
een breede aanvoer van water over de geheele vlakte ,
daar alsnu niets den toevoer in den weg staat. Bij eb,
als wanneer de slibneerslag aanvangt, wordt het water,
zoodra het beneden de wallen is gedaald , door de wal-
len tegengehouden, en daar het alleen langs de zwetten
kan afloopen, wordt de tijd van afstrooming merkelijk
verlengd en de gelegenheid tot en de duur van bezakking
der slib vergroot, zoo als wij hiervoor meer uitvoerig
hebben aangetoond.
Als men het netwerk van zwetten en goten aandachtig
inziet , dan valt het op , dat iedere laangoot tegen het
meetje is afgebroken ; daar is een dam gezet , om met een
wagen, voor het vervoeren van het kweldergras of hooi,
van iedere laan in eenig meetje te kunnen komen. Zeer
dikwijls , en wij gelooven op meest alle aanwassen van
den Dollard , zijn er dammen tegen elkander aan de on-
derzijde of het digst aan den dijk gelegene zijde van het
Digitized by Go
229
meetje, zoo als op de schetsteekening in c en d is aange-
wezen. De ondervinding heeft echter geleerd, dat die
plaatsen voor het leggen der dammen niet zeer doelmatig
zijn. De laan daar tusschen gelegen spoelt af en wordt
aldra zoo laag, dat zij een gedurig onderhoud noodig
heeft. Ten dien einde graaft men vasten grond uit het
meetje , en men hoogt daarmede de laan tot 3 palm boven
het overige vlak der laan op , daar bezakking en de stroo-
ming van het water aldra die hoogere ligging wegnemen.
Om die wegspoeling der lanen tegentegaan, is men op de
Stads aanwassen begonnen de dammen in de lanen niet
alleen niet aan de beneden zijde der meetjes aanteleggen,
maar ook te zorgen, dat de dammen niet tegen elkan-
der overstaan, zoo als men onder a en b, e en ƒ zien kan;
en alhoewel de ondervinding in dezen nog niet van zeer
langen duur is , schijnt het nu reeds bewezen te zijn , dat
deze aanleg der dammen zeer goed aan het voorgestelde
doel beantwoordt.
Het is duidelijk dat men, bij dezen aanleg der meet-
jes, lanen en wegen, in de dwars- en hoofdwegen dui-
kers moet leggen, daar, waar zij door de zwetten wor-
den doorsneden; deze houten duikers, die zeer eenvoudig
zijn gemaakt , hebben , naar wij meenen , 1 vierk. el door-
snede. Bij eene kleine verandering in dezen aanleg , die
zich alleen daarbij bepaalde, om de dwarswegen wegtene-
men en om binnen langs de buitenbermsloot van den dijk
eenen weg aanteleggen, zou men de duikers geheel kun-
nen ontberen.
De aanleg van het onverdeelde Munnekeveen kan onge-
veer uit de volgende beschrijving worden opgemaakt. De
hoofdlaan, waaruit alle opgaande lanen, die noordwaarts loo-
pen, ontspringen, ligt geheel langs de zuidelijke gronden
van dat gedeelte van den kweldergrond. De meetjes heb-
ben er dezelfde afmetingen, als op de Stads aanwassen, en,
zoo als wij vroeger hebben opgegeven, zijn zij daarom
natuurlijk even groot. Daar , waar in de Stads aanwassen
zwetten zijn aangelegd , heeft men in het Munnekeveen
tevens opgaande lanen , zoodat de lanen half zoo ver van
elkander verwijderd zijn, als in de eerstgenoemde aanwas-
sen. Oostelijk van en langs iedere opgaande laan, waarvan
er vijf aanwezig zijn , ligt eene zwet, en de laan is alleen
Digitized by Google
230
om te dienen voor invaart in de westelijk daarvan en aan-
gelegene meetjes ; en daar men van den dijk van 1819
alleen van de oostelijke zijde op de hoofdlaan kan komen,
is deze aanleg bij uitstek doelmatig. Men behoeft toch,
om het kwelderhooi met den wagen van de meetjes te ha-
len , geenen nutteloozen omweg om de meetjes te maken ,
dien men in den aanleg der Stads aanwassen niet kan
ontwijken.
Daar, waar de kweldergrond tussehen vele eigenaars
verdeeld is , zoo als dit achter Finserwolde het geval is,
ligt hij meest in opgaande heerden of heerten , gelijk dit
woord meer luidt , maar toch oorspronkelijk haard zal
zijn en overdragtelijk genomen voor de geheele woon- of
boerenplaats en daaronder behoorende landerijen. Deze
heerten zijn van meerdere of mindere breedte; de aanleg
is daardoor minder regelmatig, minder naar vaste plannen
geregeld en de begravingen hebben er niet zoo bepaald
op vastgestelde tijden , als elders , plaats. Daar spiegelt in
dezen het zeer verschillend inzigt der bezitters zich overal
duidelijk in den kweldergrond af. Met een enkel woord
willen wij echter opgeven , wat den aanleg hier van dien van
elders onderscheidt, en daartoe dient de hierbij gevoegde
schets , Figuur 7 , in welke pe en fq twee opgaande zwei-
ten voorstellen, waar tussehen eene streep aanwas ligt.
Men is wel verpligt, langs dien hoelderheert eene laan te
houden, die meest aan de westzijde der heert , soms aan
de oostzijde ligt. Nadat in dezen de keuze bepaald is ,
wordt door dicarsgruppels , ab , no , de aanwas in gelijke
deelen verdeeld, die meestal door de meetgoten, gh , ki, in
meetjes worden gescheiden. Sommigen leggen dan water-
goten in de meetjes, die nu eens op eene zeer ondoelma-
tige wijze door de wallen heen worden gevoerd , zoo als
zij in rs en tu voorkomen ; soms echter van de wallen af
naar de naaste meetgoot worden geleid, zoo als in vw en
xij te zien is. Wat de afmetingen der zwetten , lanen ,
laan- , meet- en watergoten betreft, zij komen niet overal
overeen met die, welke men in de Stads aanwassen voor
regel heeft aangenomen : dikwijls zijn zij iets kleiner; de
meetgoten zijn dan 8.5 palm van boven wijd, 5.5 palm
diep , en men geeft aan de dwarsgruppels dezelfde afme-
tingen; aan de zwetten, ondoelmatig genoeg, soms slechts
Digitized by Goc
231
eene wijdte van 1 el. In het algemeen bevinden zich de
invaarten in de meetjes aan de onderzijde , zoo als zij bij
m, c en h voorkomen. — Wat de ligging der wallen
aangaat , ook hierin handelt men zeer verschillend. Som-
migen werpen de aarde nit de meetgoten oost- anderen
westaan. In onze schets hebben wij ze aan de westzijde
geteekend. Uit de dwarsgruppels wordt in den regel de
grond noordaan geworpen , zoo als wij dit in onze teeke-
ning hebben voorgesteld. Enkele aanleggen komen er ech-
ter voor, alwaar de wallen zuidelijk aan de dwarsgrup-
pels grenzen.
Bij binnendijkingen geven dergelijke smalle stroken
aanwas poldergronden , die voor den landbouwer moei-
jelijk te gebruiken zijn. De laan, die hij toch ook bij
den bouwgrond moet behouden, neemt een groot gedeelte
van den akker weg , waarvan hij geene opbrengst heeft , en
de groote afstand, dien het werkvolk en de paarden, tel-
kens bij bebouwing en bij het schoonhouden van den grond
en bij den oogst, moeten afleggen , doet veel tijd niet
alleen nutteloos verlooren gaan, maar vordert tevens nog
eene uitgave van arbeidsloon en van onderhoud van paar-
den, die den landbouwer niet wordt vergoed. En toch
is er bij deze smalle heerten geen middel, om bij eene
toekomstige bedijking aan de plaatsen der landbouwers eene
voor de landhuishouding voordeeliger ligging te geven,
daar zelfs eene ruiling van gronden hoogst moeijelijk , zoo
niet onmogelijk is, omdat meest alle langs den Dollard binnen-
gedijkte gronden beklemd zijn , welke beklemming geene rui-
ling tusschen de meijerlieden toelaat , dan met toestemming
van de eigenaars , en dan nog veel bezwaar oplevert.
De stad Groningen, die bij al hare ontwerpen wijsselijk
niet voor het kortstondige oogenblik zorgt, maar overal de
toekomst voor oogen houdt , heeft ook in het plan van
1795 , dat de begravingen op de Stads aanwassen regelt ,
reeds bij die begravingen op eene toekomstige bedijking
gerekend en er op verdacht geweest , om de wegen , la-
nen en meetjes zoodanig aanteleggen , dat later de grond
voor het landbouwbedrijf voordeelig kan worden te zamen-
gevoegd. In dat plan is reeds bepaald , dat 64 meetjes of
48 bunder voor éene boerenplaats zullen worden vereenigd.
De tegenwoordige zwetten zullen dan de scheidingen tus-
Digitized by Google
232
schen de landerijen der verschillende gebruikers uitmaken;
de landbouwerswoning zal daar worden geplaatst, alwaar
de laan den hoofdweg snijdt, en daardoor zullen bij het-
zelfde bedrijf 32 meetjes ten noorden en evenzooveel meet-
jes ten zuiden van de woning van den landbouwer zijn
gelegen. Noord- en zuidop zal de verste grond 16 meet-
jes breedte of 30.8x16 = 492.8 el van de woning des
landbouwers verwijderd zijn, en oost- en westwaarts de
lengte van een meetje of 246.4 el. De landbouwer zal
aldus , omgeven van zijn grond , zijn bedrijf zeer voordee-
lig kunnen uitoefenen.
Ook het Munnekeveen zal, door zijnen zeer regelmati-
gen aanleg, bij eene indijking zeer goed in boerderijen
kunnen worden verdeeld; maar er zijn wel groote uitge-
strekte aanwassen, die, door de wijze van aanleg, meet-
jes vormen, die geene regthoeken, maar onregelmatige
vierhoeken geven , en het is zeker , dat men later , na
eene bedijking daarvan, bij het bewerken van den grond,
al de ongemakken dezer ongunstige ligging zal moeten
inoogsten.
Digitized by Go
ZESDE HOOFDSTUK.
Voortbrengselen uit het Plantenrijk.
Plaatsen wij ons bij eb in den Dollard , aan de grens
van de Eems, werwaarts niet anders dan een schuitje ons
kan heenvoeren, dan brengt de verbeelding ons al ras
de plaats uit het Verloren Paradijs van milton te bin-
nen, alwaar satan het gebied van chaos betreedt, waar
hij den woesten modderpoel half te voet, half vliegend
doorwaart, en waar wieken en riemen beide hem te stade
komen. Stel u voor: eene uitgestrekte, bruingele, min
of meer zandige, slibachtige vlakte, hier meer daar
minder boven het water verheven , dat nog bij eb in
de rieten en goten aanwezig blijft; effen over het ge-
heel , maar toch rimpelig door de rustelooze werking
der golven; een grond, die den invloed der jaargetijden
niet anders ondervindt dan door de vorst en den opdooi,
die zij veroorzaken; — kortom eene levenlooze vlakte, die
unocn liefelijk, noch bevallig, noch wild, noch grootsch,
noch verheven toeschijnt, maar waarvan de aanblik u ver-
veelt — en gij bezit eene getrouwe afbeelding van de bui-
tenste gronden van den Dollard.
Verder naar binnen, alwaar de min of meer zandige
vlakte in slijkgrond overgaat , wordt de oppervlakte meer
spiegelend door het water, dat zich altijd uit de slib af-
scheidt; daar schijnt zij meer vriendelijk , maar even een-
toonig, en zoekt men ook te vergeefs planten, tot welker
voortbrenging de grond nog niet geschikt is. Wel heeft
hij daartoe eene neiging ; want als, vooral na eenen win-
Digitized by Google
234
ter, in welken het fel heeft gevroren, de lente komt en
de geheele natuur zich met bladeren en bloemen siert ,
dan overdekken zich ook de slijkgronden met eene dunne
bruine korst , dan bloeit ook het slijk ; doch als zij onder-
vinden , dat zij nog geene bladen en bloemen kunnen ge-
ven , dan zien zij gewillig aan, dat het water hun die
korst bij stukken ontneemt, waarmede zelfs tot laat in
den zomer vloed en eb spelen.
Drijft de verveling ons aan, om de slijkgronden te
verlaten , dan zijn de planten , die wij ontmoeten , eerst de
Hanevoet , hier zoo genoemd , elders aan onze kust ook
Krabbestruik of Krabbekruid en Krabbekwaad, dat is
het geleedde Zeekraal (Salieomia herbacea) , dan de Suite,
elders aan onze kust ook het Starrekruid geheeten, of de
zoutwater Aster (Aster Tripolium); deze eene schoone
krachtige , gene eene kleine sappige plant.
De Hanevoetplanten zijn niet in alle jaren even tal-
rijk : nu treft men haar weinig , dan eens in groote hoeveel-
heid aan , met andere woorden , soms bezetten zij de strook ,
die zij innemen , dun , dan zeer digt. Het schijnt door de
ondervinding gestaafd te worden, dat zeer strenge winters
zeer voordeelig op de vermenigvuldiging der Hanevoet
werkt, terwijl weinig of geene vorst in den winter voor
de voortbrenging dier planten niet gnnstig is.
De Suite gunt haar echter geene vaste plaats , omdat
zij er zelve ook geene heeft ; onophoudelijk treedt zij
vooruit en altijd heeft zij de Hanevoet voor zich. De
kustbewoners van den Dollard noemen twee soorten van
Suite, en wel de Bloem- en de BladmUe. De Bladsulte
blijft klein en heeft noch stengel noch bloemen; zij groeit
in den regel het digst aan de Hanevoet. De Bloemsnlte
is eene forsche , krachtige plant van 1.5 tot 2 el hoogte,
en prijkt in Augustus met heerlijke bloemen; beide
Sulteplanten hebben dezelfde bladen. De Hoogleeraar VAN
hall (201) zegt echter stellig te weten, dat beiderlei Suite
ééne plant , doch een tweejarig gewas is. Het eerste jaar
van haren leeftijd prijkt zij alleen met groote bladeren , in
(201) H. c. van hall, Aantekeningen betrekkelijk den Dollard, in het
Tijdschrift van het Ned. Instituut, 1849.
Digitized by Goc
235
het tweede jaar, als wanneer zij met kleinere bladeren is
versierd , geeft zij bloemen en zaden , om daarna te sterven.
Regenachtige winters en voorjaars doen de Sulteplanten
sterk vermenigvuldigen ; bij droogte en vorst komen zij
minder talrijk te voorschijn.
Deze beide planten , de Hanevoet en Suite , die als het
ware een breeden zoom tusschen den kwelder en den slijk-
grond uitmaken , worden niet overal langs de kusten van
ons Rijk, waar aanwas plaats heeft, aangetroffen. Zijn de
voorgronden zandig of bestaan zij uit vette slib , dit is voor
de Hanevoet meer onverschillig, die altijd groeit, als zij
slechts dagelijks even hare voeten in het rustige vloedwa-
ter kan afspoelen ; maar de Suite is keuriger ; zij wil al-
leen in den vetsten slijkgrond tieren; in zandige buiten-
gronden komt zij niet of meer schaars te voorschijn.
Achter de breede strook van hooge en digt op elkander
staande Sulteplanten , schuilt het Kweldergras (Poa marüimd) ,
dat tusschen die strook en soms tot aan den dijk de min
of meer groote vlakte bedekt, welke zich in den Dollard
onophoudelijk uitbreidt Daarop is het Kweldergras de
hoofdzakelijke plant en wordt zelf wel, even als de grond ,
Kwelder geheeten.
Het Kweldergras groeit ook niet altijd even welig.
Het schijnt, dat een streng winter en een zacht voorjaar
veel Kweldergras geven. Een winter zonder vorst en eene
gure, schrale lente onderdrukken den groei dier grasplan-
ten. Het is wel in te zien , waarom het Kweldergras het
best en weligst na strenge winters tiert. Het ijs toch,
dat zich op de slijkgronclen vormt, drijft alleen bij vloed
op het water; bij eb zakt het op den slijkgrond neer en
er vriest onder slib aan vast. Houdt de vorst lang aan en
vriest het fel , dan wordt het ijs , zoowel als de laag slib ,
hoe langer hoe dikker. Valt de dooi in, dan heeft men
dikwijls hooge vloeden en het ijs wordt over den kwelder-
grond gevoerd. Daar vindt het dikwijls in de wallen een
beletsel om weder weg te drijven. Het blijft er dan lig-
gen , om te smelten, en de kweldergrond ontvangt de
laag slib, die het ijs aan de slijkgronden heeft medege-
nomen. Het is deze slib , die eene soort van bemesting
voor den kweldergrond uitmaakt en die het Kweldergras
zoo welig doet tieren.
Digitized by Google
236
Wij hebben even gezegd, dat de strook van Kweldergras
zich hier en daar bijna onvermengd tot aan den dijk uit-
strekt ; maar in den regel heeft daar het Kweldergras meer
en andere planten tusschen zich opgenomen en wel de
Reije of de zee Weegbree (Plantago maritima), het witte
Struisgras (Agrostis albd) , het roode Zwenkgras (Festuca ru-
bra), de zee Ganzevoet (Chenopodium mariUmum) , het zee
Zoutgras ( Triglochin maritimum) , het zout Zandkruid (Arena-
ria salina), terwijl verder naar den dijk het Kweekgras
(Agropyrum repens) en de akker MeUedistel (Sonchus arven-
êü) zeer talrijk voorkomen.
Het Kweldergras, voor zoo verre het bijna onvermengd
met andere planten is , heeft dus ook buiten den dijk eene
strook , waarin het groeit , even als de Suite en de Hane-
voet, en die strook treedt ook jaarlijks verder van den
dijk of naar buiten, en tot eene zekere grens verbreedt
zij zich jaarlijks , bijaldien er aanwas plaats heeft.
De Hanevoet gaat dus jaarlijks verder naar buiten ; hare
plaats wordt dadelijk door de Suite ingenomen. De Suite
schrijdt 's jaars voorwaarts , en gedeeltelijk , waar zij heden
stond , vindt men het volgend jaar Kweldergras. En zoo
regelmatig schrijden die planten vooruit, dat berekenin-
gen ons hebben doen zien , zoo als wij in een voorgaand
Hoofdstuk hebben aangetoond (bl. 152 tot 160) , dat zij door
een drietal eeuwen heen, zoo wel op ons grondgebied als
in Oostfriesland, 's jaars gemiddeld ruim 20.65 el zijn voor-
uitgegaan. Daar zijn alzoo hoofdzakelijk drie strooken van
planten in den Dollard: eerst de Hanevoet, dan de Suite
en eindelijk het Kweldergras, en deze strooken heb-
ben geene geheel willekeurige breedte, maar de grenzen
van de grootte dier strooken kunnen wij niet opgeven.
Wij gelooven wel , dat de Hanevoet niet meer kan
groeijen, waar de dagelijksche gewone vloeden die plant
geheel zouden bedekken. Zoo men het ondernam , om
den geheelen Dollard de breedte van deze strooken te me-
ten en tevens de helling van den slijkgrond te bepalen ,
zou men, dunkt ons, wel tot eenen algemeenen regel
komen , hoe de breedte van die strooken van de helling
afhangt; maar dit is een langwijlige arbeid , dien wij uit
gebrek aan tijd niet hebben durven aanvangen. Om in
dezen toch niet geheel in het onzekere te blijven , hebben
Digitized by Google
237
wij op 13 verschillende plaatsen in den Dollard de breedte
der Hanevoet- en Sultestrooken gemeten , en voor middel-
getallen verkregen voor de breedte van de Hanevoet-
strook 82 el en van de Sultestrook 142 el. — Wat de
breedte van de Kweldergrasstrook betreft; zij heeft ook
hare grenzen. Men weet toch , dat de buitendijksche gron-
den naar buiten afhellen: hoe verder van den dijk, hoe
lager worden die gronden. De gewone dagelijksche
vloeden reiken niet aan de strook van Kweldergras , en
dat water loopt er niet in. Hoe verder nu naar den dijk ,
hoe hooger de grond wordt, en is die tot ongeveer 6
palm boven gewoon volzee geklommen, dan komen an-
dere grassoorten en planten tusschen het Kweldergras te
voorschijn , dat nu , hoe hooger de grond wordt , des te
meer afneemt De strook voor het Kweldergras ligt dus ,
van den dijk afgerekend, daar langs, waar de grond eene
hoogte van ongeveer 0.5 palm tot 6 palm boven gewoon
volzee heeft. — In het algemeen volgt er uit , dat de drie
strooken de meeste breedte hebben , waar de helling het
geringst is, en, daar die helling op het kleinst is , waar
de kwelder jaarlijks het aanzienlijkst vooruitschrijdt, laat
zich er tevens uit afleiden, dat de drie strooken de
meeste breedte hebben daar , waar de kwelder 's jaars op
het meest vooruitgaat.
De plant, die tusschen het Kweldergras het meest
gevreesd wordt, is de Reije (Plantago marüima). Zij groeit
meest altijd op korten afstand van den dijk , alwaar de grond
reeds eenigzins hoog en droog is. Vandaar dat kwelder-
gronden , die veel begraven worden , meer Reije voortbren-
gen , dan die waarvan het graafwerk veronachtzaamd wordt.
De eerste kweldergronden toch hoogen meer op en liggen
drooger , dan de laatsten ; men vindt daarom op de eer-
sten den Kwelder meer met Reije vermengd , terwijl op
de laatsten het gras meer alleen uit Kwelder bestaat Niet
in alle jaren is die plant even menigvuldig: bij winters
zonder vorst, bij voorjaars, die onvruchtbaar en guur
zijn, ziet men die planten het talrijkst en het weligst
groeijen, juist als het Kweldergras schraal en kwijnend
is. De redenen daarvoor liggen, dunkt ons voor de
hand : de groeitijd valt voor het Kweldergras vroeger in ,
dan voor de Reije. Zijn nu de omstandigheden zoo gun-
Digitized by Google
238
stig, dat het Kweldergras spoedig uitspruit en welig
groeit, dan heeft de Reije later gebrek aan lucht en licht
en zij kan door dat digte gra3 niet heendringen. Houdt
het gure jaargetijde het Kweldergras lang terug, dan komt
de Reije op en spreidt hare bladen boven het gras uit
Het gras wil in de schaduw niet groeijen , en de Reije,
van haren talrijken en weligen groei verzekerd , verstikt nu
het Kweldergras.
Hier en daar ziet men op de buitendijksche gronden
eene andere plant opschieten , zich kringvormig uitbreiden
en andere planten verdringen , even als iedere magt in
het maatschappelijk leven, die, zoo zij niet binnen hare
grenzen wordt gehouden , steeds haren kring zoekt te ver-
grooten , ten koste van alles , wat zich in hare nabij-
heid waagt. Die plant is het gewone Riet (Phragmües com-
munis). Het groeit op de uit de Dollard losgespoekle
stukken darg, die zich later met slib hebben bedekt.
Wat de wallen der meetjes aanbelangt, men vindt er
niet dezelfde planten op , als op de gronden , die zij inslui-
ten. Op de buitenste wallen, het verst in den slijkgrond
op , vindt men Hanevoet , verder naar binnen , hoofdzake-
lijk Kruipmelde en Melle of Melde, zoo als men hier noemt
de strand en openstaande Melde (Atriplex littorale en patu-
lum) , en , nog digter naar den dijk , het Kweekgras (Agropy-
rum repen*), 't welk hier, indien het niet gemaaid wordt,
zoo welig groeit, dat het eene hoogte van 8 tot 10 palm
kan bereiken. Als men van de wallen , op welke niets
dan Hanevoet voorkomt, verder naar binnen gaat, dan
komt men aan die , waarop Melle groeit , zoo als wij hier-
voor gezegd hebben. Zijn nu de wallen pas opgeworpen,
dan komt eerst alleen Kruipmelle te voorschijn, die, zoo
de wallen ouder worden, sterft, en men ziet er Melle voor
in plaats komen. Nog verder naar den dijk komt op de
pas opgeworpene wallen Melle op, die later sterft, om
voor het Kweekgras plaats te maken. Ook groeit de Kruip-
melle en Melle veelvuldig op de kanten der lanen (202).
(202) In een enkel van de Dollardpolders en wel in het jSieuwhnd
achter Midwolde , hebben wij ook slechts op eene enkele plaats aan *lc
Oude Geut de gewone Mattebies (Scirpus laeustris) in het eind ccner zwet-
sloot, die in de Oude Geut uitmondde, aangetroffen. Voorwaar eene
zeldzaamheid in de Dollardpolders l
»
t
\
Digitized by Google
239
Van de planten in den Dollard wordt, behalve voor
hooi en weide , bijna geen gebruik gemaakt. De Hane-
voet is, behalve voor de aanslijking, op den Dollard eene
plant , die ontkiemt , groeit en sterft , zonder dat zij er-
gens nuttig voor is geweest; want het vee bereikt haar
niet, evenmin als de zeis van den maaijer. Er strekt zich
geene andere dan eene nieuwsgierige hand naar uit , om
haar te plukken, te beschouwen en weder weg te wer-
pen. En toch wordt die plant in andere doelen van ons
Kijk , in Zweden , in Engeland , Spanje , Frankrijk en
in Italië tot verscheidene doeleinden gebezigd. Aan de
Zeeuwsche stranden is zij zeer overvloedig (203). Daar ,
zoo wel als in Engeland, wordt die sappige plant ge-
stoofd, zoo als andere groenten, of, als salade, met olie,
azijn en peper, gegeten (204). Soms legt men haar met
azijn in , of zoo als men porcelein , zuring , snijboonen of
kool inlegt, en zij wordt 's winters genuttigd. Overigens
wordt zij geacht een goed middel tegen de scorbuit te zijn.
Linnaeus wist reeds , dat het vee haar graag eet , en Dr.
WE8TERHOFF (205) zegt, dat zij de schapen voor de gal-
ziekte behoedt, omdat zij veel gewoon zout inhoudt. Op
den Dollard kunnen evenwel de schapen die planten niet
opzoeken , omdat zij in den weeken slijkgrond groeijen ,
die in het geheel niet door het vee, zelfs niet door scha-
pen betreden kan worden. LinnaeüS zag in Zweden uit
die plant goede Soda bereiden , die wel niet voor zeep ,
maar toch in de glasblazerijen en bij goud- en zilversme-
den kan worden gebruikt. Loüdon geeft op, dat men
ook bij Marseille dat kruid voor het fabriceren van Soda
gebruikt; zelfs zou het in Italië en in Spanje voor dat doel
aangekweekt worden. Proeven schijnen aangetoond te
hebben, dat men de Hanevoet in ons land in Augustus
moet snijden , zoo zij soda zal geven (206). Ook kan men
(203) Van der trappen , Herbarium Vivum , 1 D. p. 418.
(204) Zie o. o. ook het belangrijk Jaarboekje van Kunsten en Weten-
schappen van den Hooglef raar Dr. bleekrode, 1852.
(205) R. WE8TERHOFP, Comm. BoL in Ann. Gron. 1820—1821 , p. 9.
(206) Men vindt bij raster in zyne Natuurk. Uitspanningen, D. 2,
St. 3 , p. 109 , de manier , hoe uit deze plant Soda bereid wordt , opge-
geven. Zie ook Academische Verhandeling van ü. w. schmidt. Oeconomische
Digitized by Google
240
met haar het leder eene roode kleur geven, en men houdt
haar voor eene goede versche meststof; maar daar de
landbouw op de Dollardpolders aan mest geen gebrek
heeft, wordt zij daarvoor ook niet ingezameld.
De Suite is op den Dollard eene meer nuttige plant
Hare bloemen geven in het najaar aan de bijen eenen zeer
witten honig, die beter is dan de voorjaarshonig van de bloe-
men der kruipende Wilg (Scdix repens) en van het Hoef-
blad ( Tussüano Farfara) , alhoewel die ook van beide plan-
ten bij uitstek blank is. Vooral wordt de Sultebloemho-
nig in de Apotheken zeer gezocht — De bladeren der Suite
zijn in den zomer een zeer goed voeder voor de schapen,
en dan wordt Bladsulte nog beter dan Bloemsulte geacht ;
zelfs de hazen bezoeken om deze bladen dikwijls zeer tal-
rijk den aanwas. Wordt de Suite gekookt, dan heeft men
een gezond voeder voor de varkens. In het hooi wordt
de Suite niet opgenomen, evenmin als de Hanevoet; de
planten zijn te forsch en te sappig om te droogen , voor-
al omdat zij zoo siltig zijn. Daar , waar de strook Kwel-
dergras aan de Sultestrook grenst , is het Kweldergras sterk
met Suite vermengd, en men is wel verpligt, om de Sul-
te, nadat het Kweldergras gemaaid is, er uit te zoeken.
Vroeger werd wel eens des najaars de Suite gesneden en
in de zon gedroogd , om daarna verbrand te worden , en
uit de asch werd eene niet zeer beste Potasch bereid.
Maar nadat ons vooral van Amerika zeer uitmuntende uit
hout getrokkene Potasch wordt toegezonden , en goed-
koope Soda van Engeland, hebben de inlandsche potasch-
fabrieken, door het verlies van aftrek, opgehouden te be-
staan , daar toch die asch in verwerijen in het geheel niet en
alsnu in zeepziederijen niet dan met nadeel gebruikt kan
worden. Buitendat werkt dat afsnijden van de Suite zeer
nadeelig op de ophooging van den aanwas en uit dien
hoofde is het wel gelukkig te noemen, dat er geene fa-
brieken meer zijn, die Suite noodig hebben. Laat in het
Abhandlungsn, Th. XIX, S. 534 , 1761. Uitgezogie Nat. Verft. Amst.
iiouTTüiJN , D. VIII , 405. Nadat men begonnen is , om uit het steen-
zout , dat vooral in het Kuiper der Triasgroep voorkomt , zeer goed-
koope Soda te fabriceren, kan die kustplant natuurlijk voor Soda niet
meer met voordcel gebruikt worden.
Digitized by Go<
241
najaar sterft de Suite; de bladen verdorren, en als de sten-
gels hunne sappen hebben verloren , breekt het woelige vloed-
water ze af, en de hooge vloeden van het najaar en de
ebstroom spelen er mede. Jagen nu felle winden , die op
de kust zijn gerigt, het vloedwater hoog op, dan worden
de stokken der Suite naar den dijk gezweept, en hier leg-
gen zij zich langs de grens , die het water beschrijft , dijk-
vormig neer en dan worden zij onder den naam van tijk
onderscheiden. Later woelt het vloedwater, zoo het hoog
opstijgt, de Sultestokken nog wel eens door elkander,
maar dat water neemt telkens afscheid , zonder het ver-
mogen te hebben , om de stokken weder tot een spel
van stroom en wind heen en weder te voeren. In April
of een weinig later worden die Sultestokken in brand ge-
stoken. Dan schijnt het, alsof het vuur een verschrikke-
lijken kamp tegen het water wil voeren ; maar de vlam ,
die zich als eene slang om den Dollard kronkelt , heeft
aldra uitgewoed, en het water bekommert er zich niet
om, maar komt even rustig op en vloeit even rustig af,
als te voren.
De Melle , de Kruip- en gewone Melle , werd in vroe-
gere jaren ook afgesneden , gedroogd en verbrand , om
van de asch potasch te bereiden, die van eene betere
hoedanigheid was , dan die de Suite opleverde , maar , zoo
als vroeger reeds gezegd is , de inlandsche potaschfabrie-
ken bestaan hier niet meer, en daarom wordt ook de
Melle niet meer verbrand. Op de Stads aanwassen werd
vroeger jaarlijks het zaad , dat de Melleplanten zoo rijke-
lijk opleveren , door kinderen ingezameld ; het werd ge-
kookt en was een uitmuntend voeder om varkens te mes-
ten. Het Kruipmellezaad , dat dikker dan het Melle-
zaad is, wordt nog voor beter dan het laatste gerekend.
Ook de planten zelve zamelt men voor varkensvoeder in,
en dan ook geeft men aan de Kruipmelle , die eer gaar
kookt dan de Melle, boven de laatste de voorkeur.
Wat het gebruik betreft, dat van het Kweldergras ge-
maakt wordt, bij uitzondering wordt hier en daar de aan-
was beweid , in den regel wordt het gras gemaaid , om
het als hooi te gebruiken, en dat hooi is des te minder
krachtig, met hoe veel meer andere grassoorten en Reije
het Kweldergras vermengd is.
16
Digitized by Google
242
Het kwelderhooi is voor paarden en schapen een zeer
gezond en krachtig voeder en tevens beterkoop dan het
hooi Tan de binnenlanden ; voor het melkvee is het min-
der voordeelig, omdat men opgemerkt wil hebben, dat
het wel vleesch geeft, maar de hoeveelheid melk vermin-
dert. Het kweldergras wordt op den wortel verkocht, en
in den regel onder de voorwaarde, dat het van de uiter-
dijken tegen den 1 September moet zijn weggehaald. Dan
wordt het vee op het etgras van de kweldergronden ge-
zonden, en de beweiding dunrt veelal tot aan het begin
van November. Men geeft dikwijls voor het jonge vee 40
cent, voor het melkvee 50 cent per stuk in de week. De
boter, die de melk oplevert, terwijl de koeijen op den
kwelder grazen, is bij uitstek deugdzaam; zij wordt niet
week bij warmte , bij vorst niet hard , en kan langer dan
ander boter duren. In den regel wordt zij ƒ 1.50 het '/ 4
vat hooger betaald, dan de boter, die gewonnen wordt,
als de koeijen de binnendijksche landen beweiden. Ook
geven de koeijen meer melk buiten- dan binnendijks. Wat
de opbrengst van hooi van den kweldergrond betreft, zij
is zeer verschillend. Gemiddeld kan men op 8 voer hooi
van het bunder rekenen; de minste opbrengst moet men
niet lager dan 6, maar de meeste kan men wel op 16
voer hooi schatten. Algemeen houdt men eene meerdere
opbrengst dan van 10 voer van het bunder voor schade-
lijk , omdat dan het onderste gedeelte van het gras altijd
verrot, eer het gemaaid is, terwijl het hooi slecht en on-
gezond is. Voor het maaijen wordt van / 4.50 tot 7.50
voor het bunder betaald , en in 3 of 4 dagen maait een ar-
beider een bunder af. Veel hangt het er bij het maaijen van
af, of het droog of vochtig weer is. Bij droog weer wil
de kwelder niet snijden ; regent het fel dan ligt de kwel-
der aan den grond , en het is wederom moeijelijk te maai-
jen ; maar een zachte stofregen is voor den maaijer voor-
deelig. De geldelijke opbrengst van den kweldergrond valt
zeer ongelijk uit. Om in dezen een overzigt te geven,
laten wij hier eenen Staat volgen , behelzende :
<
Digitized by Goc
243
De opbrengst van den kweldergrond , toebe-
hoorende aan de stad Groningen over een
tijdvak van 10 jaren.
Jaar van
verkoop.
1841
1842
1843
1844
1845
1846
1847
1848
1849
1850
Totaal
Hoe veel
bunders
kwelder
er zijn
verkocht.
321
326
334
339
348
352
357
365
375
384
3501
Hoe veel
die verkoop
heeft opge-
bragt.
ƒ8600.50
14100.00
10050.00
6420.70
6600.00
5300.00
15220.00
8620.00
10220.00
9160.00
/ 94291.20
/ 26.94
Opbrengst
der
naweiden.
/ 300.00
300.00
300.00
300.00
300.00
300.00
400.00
400.00
400.00
400.00
/ 3400.00
ƒ0.97
Begravings-
kosten
van den
aanwas.
ƒ2094.77
2606.25
2031.27»
2620.33
2259.84
1938.50
2192.91»
1779.40
2411.11
2950.00
ƒ 22884.39
ƒ6.54
Derh. van 1 bunder
Het blijkt dus hieruit, dat het bunder kweldergrond ge-
middeld 's jaars heeft opgebragt:
Aan kweldergras ƒ 26.94
Voor naweide ƒ 0.97
Onzuivere opbrengst ƒ 27.91
De begravingskosten hebben bedragen . . ƒ 6.54
Zuivere jaarlijksche opbrengst ƒ 21.37.
Deze opbrengst moet nog met de grondbelasting wor-
den verminderd; en deze treft niet alle kweldergronden
gelijk. Zij hangt , zoo als wel bekend is , van de schatting
van het zuiver belastbaar inkomen bij het Kadaster af,
en dat heeft men zeer ongelijk aangenomen. De meer-
Digitized by Google
244
dere of mindere gemakkelijkheid, om het kweldergras en
hooi naar de achterliggende plaatsen te vervoeren, en de
ongelijke deugd van het gras moesten hierop wel degelijk
van invloed zijn. Eerst heeft het Kadaster het tarief in
het hier volgende Tafeltje vastgesteld , zoo als dat in de
tweede en derde kolom voorkomt ; maar later is ten ge-
volge van ingekomene reclames het belastbaar inkomen
van alle klassen eenigzins verlaagd en aangenomen, zoo
als dit in de vierde en vijfde kolom van dat Tafeltje is
aangeteekend ; echter zijn er toen twee eerste klassen in
Finserwolde ontstaan, zoo als het Tafeltje aanwijst. De
vermoedelijke reden hiervan is, dat het Kadaster alleen
de perceelen der reclamanten heeft verlaagd en volgens
dit nieuwe tarief heeft ingeschreven ; de perceelen van
hen, die in het eerste tarief genoegen namen, zijn vol-
gens den primitieven aanslag geboekt gebleven. In beide
tarieven is de kweldergrond achter den Stadspolder als
de voordeeligste erkend; daarna achter Finserwolde en
Nieuwolda en dan achter Termunten ; en daar het gras
en hooi van eerstgenoemden uiterdijk met minder kosten
en bezwaar, dan van de andere aanwassen, naar de om-
liggende streken kan worden vervoerd, kan men wel
aannemen , dat het Kadaster zeer teregt de waarde van
het kweldergras onder de Beerta hooger dan elders heeft
aangenomen. Zoo echter de kosten van vervoer van het
kwelderhooi in alle vier gemeenten gelijk stond , zou ,
naar veler oordeel, de kweldergrond van het onverdeel-
de Munnekeveen het hoogst moeten zijn aangeslagen ,
daarna achter Finserwolde, dan onder de Beerta.
Opgaaf van het zuiver belastbaar inkomen
van den kweldergrond in den Doüard,
volgens de Kadastrale tarieven.
Voor 1834.
Na 1834.
Gemeente.
l^c klasse
per bunder.
2de klasse
per bunder.
lste klasse
per bunder.
2de klasse
per bunder.
Beerta . . .
Finserwolde
Nieuwolde .
Termunten .
ƒ 20.00
17.00
17.00
15.00
>>
»
ƒ7.00
f 18.00
( 17.00
( 15.00
15.00
12.00
ƒ 9.00
6.00
0
Digitized by Go
245
Het slijk en water, die tijdens de primitieve meting voor
het Kadaster te zamen 8270 B. 8 R. 20 E. groot waren,
zijn in alle gemeenten, waaronder de Dollard behoort, op
een zuiver belastbaar inkomen van 25 ct. het bunder
geschat.
Van deze grondbelasting der Dollardslijkgronden , die we-
zenlijk ook geene belasting op de zuivere opbrengst maar
eene belasting op het kapitaal is , omdat deze gronden
niets afwerpen, heeft echter de schatkist zeer weinig ge-
trokken (207). De stad Groningen , ten wier name de per-
ceelen water , primitief groot 5223 B. 7 R. 80 E. , onder
de gemeente Beerta waren gebragt, heeft, tijdens het jaar
1833, tegen dien kadastralen aanslag hare bezwaren bij
de bevoegde magt ingebragt. De motieven , die zij heeft
aangevoerd, zijn ons onbekend; maar het is uit de ka-
dastrale stukken te zien , dat ten gevolge dier reclame ge-
noemde perceelen ten name van de stad Groningen zijn
geroyeerd geworden , zonder dat zij op naam van een an-
der eigenaar zijn overgebragt.
Ook de Domeinslijkgronden onder de gemeente Termun-
ten, ter grootte van 2135 B. 33 K. 30 E., waren, voordat
dezelve waren verkocht, van de grondbelasting vrijgesteld.
Alleen de slijkgronden in het Munnekeveen en onder Fin-
serwolde, en de weinige slijkgronden onder Termunten
achter den dijk van 1819, die aan particulieren toebehoor-
den , werden in de grondbelasting aangeslagen.
(207) Benzekberg geeft in zijn uitmuntend werk: Ueber das Cadas-
ter , B. 2 , S. 8 , van den aard der grondbelasting de volgende bepaling :
„Der Character der Grundsteucr wird dadurch bestimmt, dasz sie von
„jedem unbeweglichen Eigenthurae entrichtet wird , welches auf der Ober-
„flache der Erde sichtbar- und eino bestimmte Rente tragt." By het
Fransche Kadaster werden de slijkgronden ook niet opgenomen : Recueil
Methodique de Lois , Deer ets , Regiemens sur le Cadastre de la France ,
T. 1, art. 156, Lettre du 28 Mei 1807.
Digitized by Google
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Dieren.
Begeven wij ons alsnu met een ander doel naar den
Dollard , om op te sporen , welke dieren er gevonden
worden , dan vinden wij er op den aanwas onder de Zoog-
dieren dezelfden , die men ook binnendijks aantreft. Ech-
ter Lebben zij op den aanwas geene vaste woonplaats ; al-
leen de zomer en de herfst, als de vloeden nog laag zijn,
zijn de jaargetijden , in welke men er Hazen , Vossen ,
Veldmuizen en soms Mollen vindt.
De Hazen kiezen de Sultestrook voor hunne verblijf-
plaats : daar kunnen zij zich verschuilen , en de bladen ,
vooral der Bladsulte, geven hun overvloedig voedsel.
Als het vloedwater over den aanwas opkomt, vlugten zij
over den dijk , en bij eb zoeken zij de Sultestrook te-
rug. Dit weerlooze dier, dat altijd door den Vos ver-
volgd wordt, is hier zijn vijand niet ontvlugt. De Vos
zoekt ook die Sultestrook op , bespringt de vogels, die
in zijne nabijheid komen, en verschalkt de Hazen,
die , hoe schuw ook , toch niet altijd waakzaam genoeg
zijn, om dien geduchten vijand te ontkomen. Ook
maakt de Vos zekerlijk jagt op de Veldmuizen, die bij
drooge zomers op de kweldergronden , vooral in de na-
bijheid van den dijk , in veel grootere hoeveelheid voorko-
men, dan in het binnenland. De eerste de beste hooge
vloed, die de kweldergronden bedekt, doodt echter de
Muizen, zoo zij niet zwemmende den dijk bereiken; doch
Digitized by Go(
247
later komen zij alweder uit het binnenland en kiezen
den kweldergrond tot het eenzaam oord van hun kort-
stondig verblijf uit Vroeger, toen nog de Suite kort
langs den dijk groeide, maakten zij de nesten voor hunne
jongen in de toppen der hooge Sulteplanten en waren ook
onbereikbaar door de vloeden. Bij het opkomen van het
water klauterden de oude Muizen naar de nesten der
jongen omhoog en lieten zich door wind en stroom heen
en weder wiegen ; maar nu de Sultestrook zoo ver van den
dijk is, vinden de Muizen het verkiezelijker , om holen in
den kweldergrond te maken.
Mollen treft men kort aan den dijk , slechts uiterst zel-
den op den kweldergrond aan. Het komt ons voor, dat
dit dier bij vergissing op dien grond komt , daar het dien
altijd spoedig weder verlaat De grond is er mogelijk nog
verstoken van die wormen en insecten, die de Mol tot
zijn voedsel noodig heeft.
Vogels vindt men op den aanwas en de slijkgronden
niet zoo talrijk als op de eilanden en hooge banken voor
onze kusten. De voornaamsten zijn:
Zeekagen (Larus marinus).
Meeuwen (L. argentatus).
Tureluurs (Totanus calidris).
I Kollen (Anser albifrons).
Schierlings (Anas anser ferm).
Weenkies (Anser segetum).
Bergeenden (Anas tadorna).
Eenden (A. Boschas /era).
TaUnqs [ Z 0 ™***^ (-4. querquedula).
( Wintertaling (A. crecca).
Smientjes (A. penelope).
Wilpen (Numenius Arquata).
Slijkaaksters (Flaematopus ostralegus ?).
Reigers (Ardea cinerea).
Kleppers, Zandjers, welke wij niet nader kunnen be-
stemmen, en andere meer.
Behalve de Ganzen en Smientjes, die op de kwelder-
gronden grazen, leven deze vogelen meest van aal, gar-
naal, krabben, botwormen, botweide enz. Daarom komen
velen met den vloed op en gaan met den eb af, en
tcekenen door hunne talrijkheid eene witte glinsterende
Digitized by Google
248
streep op de slijkgronden af, die langzaam niet het op-
komende water voortschrijdt, of die het afgaande water
volgt, terwijl het schelle gillende geluid, dat strandvogels
in het algemeen eigen is , hij het eentoonige gezigt dier
graauwe vlakke slijkgronden, eenen onaangenamen indruk
achterlaat.
De Ganzen komen 's najaars langzaam aan. In het be-
gin van September ziet men reeds de SchierUngs verschij-
nen , die zoo tam zijn , dat zij wel geschoten , maar niet
door Roepganzen met netten gevangen kunnen worden,
daarna komen de Kollen, die wilder zijn, dan de WeenJcies,
en dagelijks vermeerdert gaande weg hun aantal; maar
niet voor het laatste van October zwieren die groote
regelmatige rijen , die vooraan onder eenen scherpen hoek
aan elkander sluiten , hoog in de lucht over de vlakten
van H Oldambt , om zich naar den Dollard te begeven ,
en als de mist , die zich soms vervroegt , om aan Oc-
tober zijne stormen te ontnemen, de zigzagvormige lijn ,
die de vlugt der ganzen kenmerkt, voor het oog ver-
bergt, geeft hun eigenaardig geluid, dat op verren af-
stand hoorbaar is , nog de rigting van deze hunne snelle
vlugt te kennen.
Hunne levenswijze op den Dollard is zeer eenvormig ;
des nachts zijn zij , als het duister is , stellig op den aan-
was ; zij slapen er dan , nadat zij verzadigd zijn gewor-
den. Schijnt echter de maan helder, dan houden zij zich
een gedeelte van den nacht naar buiten in het water op.
Eer zij den aanwas weder bezoeken, komen er voor het
krieken van den dag of in het vallen van den avond
eerst twee Ganzen over, die, over den aanwas laag langs
den grond vliegende , eenen grooten kring beschrijven.
Deze twee Ganzen, voortrekkers genoemd, nemen het ter-
rein naauwkeurig op , en als hunne vlugt volbragt is ,
trekken zij weder noordwaarts en zijn spoedig in de duis-
ternis verdwenen.
De jager, die reeds vroeger dan zij, op den aanwas
is aangekomen , ligt inmiddels in eene gebukte houding ,
half beens in het slijk gezakt, in eene zwet verscholen.
Ziet hij die voortrekkers , dan houdt hij zich stil , als een
doode, en vooral wacht hij zich, hoe groot zijn lust ook
is , om die vogels te schieten ; want hij weet maar al te
Digitized by Go
249
wel, dat de Ganzen, die later opkomen, dan den gehee-
len morgen al te vreesachtig en wild zouden zijn , om ze
met zijn jagtroer te kunnen bereiken. Aldra komen er
kleine vrolijke troepen Ganzen over, die binnen den om-
gevlogen kring der voortrekkers neerstrijken. Al grazende
op den kweldergrond verstoort hun zacht gekreun en ge-
kakel de eenvormige stilte, en als hun getal al spoedig
vermeerdert, kruipt de jager gebogen uit zijn schuilhoek
te voorschijn , om het gelukkige oogenblik , dat de Ganzen
onder zijn bereik brengt , niet onbenut te laten voorbijgaan.
Een schot knalt los ; verschrikt heffen zich honderden van
Ganzen op , maar een, twee- of drietal is welligt door
het doodende lood getroffen. De jager trekt in zijn schuil-
hoek in de zwet terug, en als de Ganzen spoedig de stilte
terug vinden, die zij, vreesachtig als zij zijn, zoo zeer
beminnen, strijken zij ook weder op den kweldergrond
neer , om het gras van de vlakte te plukken. Aldra ver-
schrikt weder een schot de Ganzen , en de vangst van
den jager is soms weder vermeerderd. Deze voor hen
zoo verschrikkelijke afwisseling duurt des morgens tot het
aanbreken van den dag of tot laat in den avond , als
wanneer de met slijk bemorste jager zich , beladen met zijn
buit en dikwijls zeer tevreden met de vangst , huiswaarts
spoedt.
Kort na het aanbreken van den dag is hunne vlugt weer
noord of zuid naar het water gerigt, om hunnen dorst
te lesschen ; dan komen zij soms op den kweldergrond
terug, om te grazen; vervolgens zoeken zij nogmaals het
vfater op, en zoo wisselt hun verblijf op den Dollard af.
Het jagen op Ganzen moet zeker voor den hartstogte-
lijken beminnaar eene hoogst genoegelijke uitspanning zijn ,
om verklaarbaar te maken, hoe hij het guurste herfst- en
winterweer trotseert, om zoo geduldig, in het weeke slijk
half weg beens weggezakt, de Ganzen af te wachten.
Doch, het is bekend, er ligt in het algemeen in de jagt
iets opwekkends, dat eenen krachtigen moed geeft, om
gevaren - en vermoeijenissen te verachten.
De Ganzejagt is echter niet alleen eene uitspanning,
maar zij is tevens, zoo de jager zijn roer wel weet te
besturen, nog al winstgevend, en het zal daaraan ook
Digitized by Google
250
moeten worden toegeschreven, dat 7 jagers zich thans
(1846) met de Ganzejagt onledig houden.
Begint het streng te vriezen , dan is het kweldergras
voor de Ganzen minder smakelijk, en zij zoeken de Wes-
terwoldsche rogge-essen op. Vooral heeft de Onstwedder
es 's winters veel van hen te lijden. Wel vertrouwt dan
de Westerwoldsche landbouwer de bescherming zijner es-
sen tegen die verwoesters toe aan spookachtige gedaan-
ten, schouwen, die hij van stroo oprigt, maar de Ganzen
zijn niet bijgeloovig en schrikken er niet voor. Is de
vorst geëindigd, dan vindt men de Ganzen weer op den
kweldergrond terug; maar als de maand Mei begint,
vertrekken zij haastig, en men ziet ze voor den herfst
niet weder.
De vangst der Ganzen rekent men gemiddeld 's jaars
voor ieder jager op 100 stuks , die geplukt tegen 40 a 50
cent het stuk worden verkocht De veeren komen het
Ned. pond op ƒ2.00, en die hoeveelheid leveren 8
Ganzen op.
Eenden zijn er het geheele jaar door op den Dollard ;
zij komen met den voorvloed in de rieten en zwetten op
en worden dan geschoten; met de eb zakken zij weer af.
Zij leggen dikwijls hunne eijeren in de Suite , en hunne
jongen worden daar uitgebroed.
De j a g* °P Eendvogels is echter minder winstgevend ,
dan op Ganzen ; maai' toch worden er vele Eenden ge-
schoten. De verkoopprijs is in den regel 30 cent , en als
zij geplukt zijn, vinden zij voor 25 cent koopers. Die
jagt moet echter wel zoo vermakelijk zijn, als op de
Ganzen ; de jager kan toch , met zijn jagtroer op schou-
der of omlaag, in eenzaamheid langs de rieten en zwet-
ten zwerven en gezonder en frisscher huiswaarts keeren ,
dan bij de Ganzejagt, als wanneer soms zijne leden van
de koude verstijfd zijn.
Ook de Smientje* grazen op den kweldergrond; zij
komen ongeveer op denzelfden tijd als de Ganzen. Sma-
kelijker en vetter dan de Ganzen zijnde , vinden zij grage
koopers.
Zoo als wij vroeger reeds gezegd hebben, is het wa-
ter, dat op den Dollard bij vloed opkomt en waarin
Digitized by Google
251
de vogels en visschen hun voedsel zoeken, troebel en
sterk met slib bezwangerd en door het neerslaan van
deze slib , vooral bij Z. W. winden , hoogen de slijkgron-
den door biets meest voorbijgaand op. Deze biets voeren
de N. W. winden verder naar en in den aanwas, die
er, hoe drooger hij ligt, des te meer blijvend door wordt
opgehoogd; immers dan kan de biets, tijdens iedere
eb , zoo veel opdroogen , dat zij zich laagswijze met den
bodem verbindt Ook deze biets is min of meer een be-
werktuigd voortbrengsel. De ijverige onderzoekingen van
den Hoogleeraar hakting , die , op het voetspoor van eenon
d'okbigny, kützing, pisscher en ehbenberg, ook dit
onafzienbaar veld heeft bearbeid, hebben doen zien, dat
de Dollardslib voor een gedeelte bestaat uit Foraminife-
ren en Diatomeèn, tweederlei microscopische organismen,
die werkelijk veel van elkander onderscheiden zijn.
Zonder hier in vele bijzonderheden te treden , dat met
ons onderwerp in strijd zou zijn , voeren wij alleen aan,
dat de Foramini/eren wezentlijk schaaldiertjes zijn , waar-
van men slechts de grootsten met het bloote oog kan
waarnemen. Hunne grondvorm is in den regel bij het
begin van hun aanwezen rond , omgeven van eene schaal
van denzelfden vorm, die uit koolstofzuren kalk bestaat.
Later is die schaal bij meest allen uit segmenten zamen-
gesteld, die op zeer verschillende wijzen met elkander
vereenigd zijn , en deze zijn opgevuld met een vliezig
eenvoudig darmkanaal, dat evenveel holten bevat , als er
segmenten in de schaal aanwezig zijn; en hoe eenvoudig
hunne zamenstelling ook is, de wetenschap heeft er voor
ons tijdperk reeds een lOOOtal soorten aangewezen. Hun-
ne woonplaats is hoofdzakelijk de zee, alwaar men ze
ten minste nog tot op eene diepte van 150 el aantreft.
Zij zijn levendbarend en niet minder dan een honderdtal
jongen hebben in eens het leven aan ééne moeder te
danken.
Opzigtelijk de Diatomeën, uitsluitend tot de microsco-
pische bewerktuigde wezens behoorende , is der weten-
schap nog geen licht genoeg opgegaan, om stellig te be-
slissen , of zij tot de dieren of planten behooren. Zeker
schijnt het, dat zij zich aan beider grens bevinden, en
wie weet zelfs, of de zucht en behoefte der menschen,
Digitized by Google
252
om scherpe grenslijnen te trekken, niet het gevolg is van
een nog al te eenzijdig inzigt , strijdig met dien zachten
en onmerkbaren overgang van de meer tot de minder volko-
men bewerktuigde wezens, zoo als wij die naar onze zeer
beperkte kennis gewoon zijn te noemen. De vorm dezer
organismen , hoe eenvoudig ook , is toch zeer verschillend.
Sommigen hebben de gedaante van eene schijf, anderen
zijn volkomen prismatisch ; meest allen zijn sierlijk en
zeer smaakvol geteekend door streepjes , stippels of cirkel-
tjes; sommigen zijn effen en glad, anderen hebben kleine
aanhangsels , eenigen zijn vrij , anderen als eene keten ver-
bonden, sommigen zijn ingeplant aan de uiteinden van
eenen gemeenschappelijken steel , die takvormig verdeeld is.
De ligchamen van al deze organismen zijn, in tegenstel-
ling met alle andere diersoorten, stijf en onbuigzaam en
bestaan voor 90 pet. uit kiezelzuur. Het getal der soor-
ten, die tot nog toe én levend én in fossilen toestand ge-
vonden zijn, beloopt reeds 800, en dat getal zal een
ijverig onderzoek ontwijfelbaar nog belangrijk vermeerde-
ren. In tegenstelling met de Foraminiferen leven de Dia-
tomeën zoowel in zoet- als in zoutwater; men vindt de-
zelfde soorten op iedere breedte en mogelijk wel op ie-
dere diepte, en verwonderlijk is dit bij organismen, die
bijna geheel lijdelijk zijn ten opzigte van hunne plaatsver-
andering, dat men hen zoo wel aan de oppervlakte van
het water , als op de verbazende diepte van 1500 el aan-
treft. Zij vermenigvuldigen door zelfdeeling, en dat wel
zoo onbegrijpelijk snel, dat men volgens waarnemingen
mag aannemen, dat eene enkele Diatomee in een etmaal
zich tot een half millioen en in vier dagen tot 140 billioen
kan vermenigvuldigen.
Over den invloed, welken deze voor het bloote oog
schier onzigtbare organismen op de vorming van de
aardoppervlakte hebben, willen wij niet spreken. Bij
al het aanlokkelijke hiervan gedoogt ons onderwerp
niet, om die zijdwaartsche schrede te doen. Wij moeten
ons vergenoegen met eene bloote opgave van de namen
der organismen , die wij hiervoor eenigzins , alhoewel zeer
onvolledig , hebben beschreven.
In het geheel zijn er in de slib, genomen ter plaatse,
waar de Maatschappij tot Inpoldering van den Dollard den
Digitized by Google
253
polder Reiderwolde door dijken heeft willen insluiten, door
den Hoogleeraar harting 19 soorten van microscopische
organismen gevonden, waarvan de namen , onder welke
men ze met de afbeeldingen in de werken van ehren-
berg, d'orbigny en kützing nader beschreven kan vin-
den, hier volgen.
Foraminiferen .
1. Nonionina germanica
2. Rotalina pnnctulata
3. „ laevis
4. Rotalia globulosa
5. Planulina turgida
6. Textularia aciculata
7. „ globulosa
Diatomeën.
8. Melosira sulcata kütz.
9. Doryphora Amphiceros „
10. Coscinodiscii8 minor eür.
11. „ Patina „
12. „ radiatus „
13. Actinocyclus senarius „
14. Tripodiscu8 Argus kütz.
15. Triceratium Favus ehr.
Kiezeloverblijfselen van Acalephen , Spongien enz.
16. Spongolithis Fustis ehr.
17. „ cenocephala
18. „ uneinata
19. „ Triceras
Voornoemde door den Hoogleeraar harting onder-
zochte Dollardslib bestond voor het / 10 gedeelte uit deze
organismen, het overige gedeelte bevatte voor meer dan
de helft kwartskorrels van l / 2 o tot % m. m. midddellijn ,
EHR.
DORB.
EHR.
Digitized by Google
254
terwijl er ook rhomboëders van koolstofzure kalk in voor-
kwamen (208).
Klimt men van het kleinere tot het grootere op, dat
men in dezen wel eenen natuurlijken gang kan noemen,
omdat in den regel het kleinere in den grooten kring-
loop der organische stof levend door het grootere wordt
verslonden , dan moeten wij alsnu van eenige kleine die-
ren spreken, die hoofdzakelijk in en op de slijkgronden
worden aangetroffen. Het eerste diertje, van ongeveer
5 — 7 Ned. duim lengte, is de zoogenaamde Bolworm
(Nereis pelagica), behoorende onder de Ringdieren (An-
nxdata).
Dit diertje is bij laag water in het slijk verscholen. Het
kruipt bij koude diep naar beneden; bij warm weder
komt het even met den kop te voorschijn. Is het vloed
geworden, dan verlaat het zijne schuilhoek, om zijn
voedsel te zoeken, maar wordt dan ook, omgeven van
talrijke vijanden , al ligt of door strandvogels of door
aal of bot verslonden. Zelfs gelooft men dat de Spreeuw
dat diertje altijd opzoekt. Bij laag water ziet men op
den slijkgrond dikwijls op duizende plaatsen talloos vele
kleine luchtbellen , die elkander schijnen te vervolgen , te
voorschijn komen en dadelijk aan de oppervlakte bersten.
Die luchtbellen verraden den Botworm , die daar bene-
den in den slijkgrond zich schuil houdt. Als het winter
wordt, kan ook de vloed dat diertje niet meer verleiden,
om in de biets te komen, maar, teruggetrokken in den
slijkgrond , wacht het daar geduldig de voorjaarswarmte af.
Behalve de Garnaal, waarover wij straks meer uitvoe-
rig zullen spreken , vindt men de aldaar zoogenoemde
Konings, Stommels en andere soorten van Schaaldieren
(Crustacea) in of aan den Dollard.
Do Koning of Garnaalkoning , die veel overeenkomst met
de Garnaal heeft, is de Steurkrabbe , door baster be-
schreven en afgebeeld in zijne Natuurk. Uüspann. D. H,
bl. 48, en anders genoemd Palaemon Sguilla lam. Dit
(208) Dc Hooglecraar habtinq is zoo vriendelijk geweest ons deze
laatste bijzonderheden op te geven , terwijl wij de overige omtrent dit
onderwerp hebben genomen uit zyn belangrijk werkje : De magt van het
kleine , Utr. 1849, bl. 205 en r.
Digitized by Google
255
diertje leeft in de zwetten van den aanwas , en nog wel
hoofdzakelijk in de buiten bermsloot. In de nieuwste
Dollardpolders komt het vooral in de binnen bermsloot
en in de wateringen voor. Buiten op den Dollard van-
gen de visschers er nu en dan eene enkele in de gar-
naalkuilen.
De Stommel, die men te Termunterzijl Snets noemt,
heeft wel eenige overeenkomst met, maar verschilt toch
iets van het diertje , dat door basteb ter zelfder plaatse
beschreven en afgebeeld is onder den naam van het
Springertje of de Zeevloo , en hetwelk genoemd wordt
Orchestia littorea lbach , bij J. van deb hokven , Handt,
der Dierkunde , 2de uitg. Amst. 1849, I, bl. 760. Men
vindt het insgelijks in de buiten bermsloot in de zwetten,
maar ook op den slijkgrond. Als 't koud is, kruipt het
in de biets. Binnnendijks wordt het mede in de nieuwste
polders aangetroffen. Dat vraatzuchtige diertje maakt
vooral in de maanden September en October de aalvisch-
scherij te en bij Termunterzijl en in den zoogenaamden
grooten polder onmogelijk, daar het de fuiken soms in een
nacht in stukken knabbelt.
Een ander klein diertje, dat in eene ontzettende hoe-
veelheid in de biets voorkomt, maar dat op de zandpla-
ten niet gevonden wordt, is de Botweide of Gnut en
waarschijnlijk de Talitrus saltator edw. , of Cancer locuèta
linn. , bij van deb hoeven, t. a. pl. Ook dit diertje
wordt met veel graagte door de bot gezocht en zeker
ook door andere visschen en door de strandvogels ver-
slonden.
Voorts vindt men op de slijkgronden , en in de rie-
ten de beide soorten van Krabben, de Zwem- en Slijk-
krabbe (Cancer pagurus en C. moenas linn. , de laatste nu
Portunu8 moenas fabb).
Op de Reiderplaat ontmoet men nog enkele schel-
pen van eenige Weekdieren (Moüusca), en wel van Kok-
hanen (Cardium edule), Mossels (Mytüus edulis), Slijk- of
Gapermosscls (Mya arenaria) en Strandschelpen (Maetra
solida), zoo als zij bij basteb en anderen genoemd wor-
den. Tn de strandschelpen komen de diertjes nog levende
voor, en deze zijn dikwijls nog verder naar binnen op
den slijkgrond te vinden.
Digitized by Google
25G
De Garnaal (Crangon vulgaris fabr.) wordt in eene
groote hoeveelheid in het water, tijdens vloed, op den
Dollard gevonden. Zij komt met tij op en de eb neemt
haar weder mede. De zwaarste Garnaal wordt gevonden
in het water, dat er kort voor het eindigen van den vloed
wordt opgevoerd. Zij vertrekt met het begin der eb , en
in het eerste vloedwater en in het laatste ebwater worden
niet anders dan kleine Garnalen gevangen. Zij leeft zeker
van die microscopische schepsels, die wij hiervoor onder
den naam van Foramini/eren en Diatomeën hebben beschre-
ven; althans leeuwenhoek zegt en baster bevestigt
het (209), dat de maag van een Garnaal, in September
ontledigd, verscheidene soorten van horentjes en schelpjes
ter grootte van zaadkorreltjes inhield. In vorige jaren , die
nog in het geheugen van velen liggen, behoorde de Gar-
naal meer dan thans in den Dollard te huis. Zij schaarde
toen in de rieten en gaten, maar sedert heeft zij, mogelijk
door het langzaam verhoogen der slijkgronden en van de
beddingen der waterloopen , voor de vermenigvuldiging van
haar geslacht andere streken opgezocht, althans er wordt
weinig Garnaal meer met eijeren aan hare pooten ge-
vangen. Deze vooronderstelling heeft veel voor zich ,
wat haar aannemelijk maakt. Ook nu nog vangt men de
dikste Garnaal het verst naar buiten, waar het water het
diepst is. De Garnaal wordt zoowel bij eb als bij vloed
gevangen; over het algemeen houdt men de Vloedgarnaal
voor beter dan de Ebgarnaal, omdat zij steviger is en
rooder kleur aanneemt, als zij gekookt wordt; maar de
Ebgarnaal is dikker en men vangt er meer dan bij vloed.
Baster zegt integendeel (t. a. pl.) , dat de Garnaalvan-
gers in Holland verzekeren, dat de Garnaal met eb ge-
schept veel rooder bij het kooken wordt, dan die bij
vloed wordt opgehaald. Als onze onderzoekingen ons in
dezen tot eene juiste uitkomst hebben gebragt, kun-
nen beide onderstellingen wel volkomen waar zijn, hoe
scherp zij ook tegen elkander overstaan. Ons dunkt, dat
Garnaal , op den Dollard bij vloed gevangen , daarom be-
(209) Zie leeuwenhoek, in het Zevende Vervolg van brieven, bl.
195, fig. 6, 7, en bastbr , Naluurk. Uitspann. D. II, bl. 32.
Digitized by Google
257
ter en rooder van kleur dan bij eb is , omdat de visscher ,
bij opkomend water visschende , na de vangst door den
navloed geholpen, veel schielijker den dijk bereikt, en de
Garnaal dus spoediger en meer levend gekookt wordt,
dan wanneer de visscher, bij afebbend water zijne netten
uitwerpende in de rieten en gaten, nog altijd tegenstroom
moet opwerken, om den dijk te bereiken, of eerst nog
zijne hargen en dubbelzeüen bezoekt , om de gevangene
bot tevens mede te nemen. Zij wordt dan , bij vloed ge-
vangen, meer springlevend gekookt, dan bij eb, en het
is bekend , dat hoe beter levend de Garnaal in het kokend
water komt, hoe rooder kleur zij aanneemt. Het kan nu
wel waar zijn , dat de visschers , waarvan b aster gewag
maakt , eerder bij eb , dan bij vloed visschende , de
Garnaal kookten en dat zij daarom de Ebgarnaal voor
beter hielden. Maar de Garnaal is , even als alle andere
visch , bij vloed meer boven in het water dan bij eb ; zij
komt dus over de geheele vlakte der slijkgronden op. Bij
eb is zij liefst onder in het water , dus in de diepte , en
van daar , dat zij dan meer de rieten en gaten afgaat , en
men moet het hieraan toeschrijven, dat men bij eb dik-
ker en meer Garnaal vangt dan bij vloed.
Des zomers als het heet is , sterft de Garnaal spoedig ,
en dood gekookt is zij minder stevig, niet vol en moge-
lijk ongezond. Als zij sterft , ontvloeit haar een helder
kleurloos vocht en het is hierdoor, dat zij niet gevuld
blijft en bij kooking week en onzamenhangend wordt.
Van daar dat men algemeen in den zomer eenen noor-
delijken wind voor de Garnaalvangst verkieselijk houdt,
omdat deze wind de hitte matigt. In het voor- en najaar is
een zuidelijke wind beter, omdat deze warmte aanbrengt
en de Garnaal bij koude schaarscher met het vloedwater op
de Dollardslijkgronden komt, dan bij eene middelmatige
warmte. In het algemeen is de Garnaal des najaars beter
dan in eenig ander jaargetijde. Men vangt bij den dag
zoo wel als bij nacht op den Dollard Garnaal. De laatste
is vooral 's zomers beter dan de eerste, omdat zij zoo
spoedig niet sterft , dat bij Daggarnaal door de hitte veel
schielijker het geval is. Van daar dat de Nachtgarnaal
rooder kleur heeft en steviger is. Ook wordt de Gar-
naal rooder, als men het zout bij het koken niet spaart,
17
Digitized by Google
258
en het vuur zoo gestookt wordt, dat het water fel
kookt
Tot de vangst van Garnaal , die ongeveer in Mei be-
gint en in de helft van October ophoudt , daar in het koude
jaargetijde de Garnaal evenmin den slijkgrond als de rie-
ten bezoekt, bedient men zich op ons grondgebied van
vleugelnetten , met eene zeer groote kuil, terwijl er voor
het terugloopen der Garnaal en andere visch , die reeds in
de kuil aanwezig mogt zijn , eene keel in voorhanden is (210).
Uitsluitend wordt thans de Garnaal in den Overloop, in
het Dicars- en Uikergat gevangen. In die gaten worden
des voorjaars overdwars eenige sterke en lange palen in-
geslagen en 's najaars worden zij weder weggenomen.
Deze palen geeft men dien afstand van elkander , die
voor de bespanning van het net noodig is, en aan elk
tweetal dezer palen , die het digtst bij elkander zijn , wordt
of bij vloed of bij eb een vleugel van het net bevestigd,
en als het visschen voor den tijd van dien vloed of die
eb ophoudt, worden de netten weder weggenomen. Op
deze wijze kunnen in het dwars over eenig gat verschei-
dene netten worden geplaatst. De opening tusschen de
middelste palen, alwaar de meeste diepte is en waar langs
de stroomdraad loopt , is voor de Garnaalvangst de beste ,
en van daar dat altijd des voorjaars tusschen de visschers bij
loting beslist wordt , waar ieder zijne Garnaalkuilen mag
plaatsen; aan deze loting onderwerpen de visschers zich
getrouw , en wij gelooven niet , dat er voorbeelden be-
kend zijn, dat hieruit onderling onaangenaamheden zijn
voortgevloeid.
Tijdens het visschen naar Garnaal, is de visscher in
zijne boot bij de netten tegenwoordig. Als hij het noo-
dig oordeelt , opent hij de kuil van achteren en stort de
Garnaal er uit in een korf in zijn schipje (211). Heeft
(210) Voor ccn garnaalnct bezigt men 12 Ncd. ponden garen tan
f 1.40 hot pond , en de visscher heeft wel een maand tijd noodig ,
om dat net te strikken , dat gewoonlijk in den winter verrigt wordt
(211) Het Koninklijk beslnit van den 7 Jannarij 1842, Staatsblad ,
No. 2 , bepaalt , dat de Garnaalvisschery 8 dagen moet ophouden , zoo-
dra in de netten het ! / 8 gedeelte der vangst nit kleine visschen bestaat.
Digitized by Google
259
hij genoeg, dan neemt hij zijne netten te zarnen en hij
verlaat den Dollard. Later zift hij de Garnaal uit; de
kleinsten dienen voor de vermeerdering van den mest-
hoop , die daardoor van goede hoedanigheid wordt ;
de overigen worden gekookt en ten dien einde in ko-
kend water , waarin zout is opgelost , geworpen , en
hoe zouter het water is , des te rooder kleur neemt
de Garnaal aan. Niet ieder keer dat hij Garnaal kookt,
neemt hij daarvoor op nieuw schoon water ; niet zelden
kookt hij tien- of meermalen in datzelfde drabbige vuile
water op nieuws Garnaal, en alsof dit nog niet genoeg
ware , laat hij nog dikwijls dat vuile water bezinken ,
om er later het heldere aftenemen en dit met ander
water en zout vermengd nog eens te gebruiken. Dit be-
spaart hem zout , en hij heeft alzoo minder uitgaven.
Echter is het geene schraapzucht, die hem tot die han-
delwijze aandrijft; de behoefte noodzaakt, althans verleidt
hem daartoe , want de visschery op den Dollard wordt
ieder jaar minder winstgevend, zoodat thans de visscher
bij al zijn zwoegen en sloven slechts een sober bestaan
heeft.
In de Garnaalkuilen vangt men nog Ansjovis (Engran-
lis encrasicholus) , Spierling (Osmerus eperlanus) , Giepen of
Geepen {Esox Beloné), Knorhaan (Trigla Hirundo), Sprot
(Engraulis sprotta) enz. Behalve deze nader te vermelden
vischsoorten , komt er nog al dikwijls in voor de Naald, het
Naaldvischje bij slabber , of de Syngnathus acus LAM. CUV.
bij van der hoeven (212). In den regel zijn deze vischjes
niet langer dan 2 a 3 Ned. duim, doch enkele worden
er toch van 3 palm lengte gevangen. Ook treft men
wel eens Barnsteen in die kuilen , die vroeger veel bij
eb op de kanten der rieten en gaten gevonden werd.
In het algemeen zijn deze stukken niet groot; soms
hebben zij evenwel eenen tamelijken omvang en eens
(212) Slabber, Natuurk. Verlust 1ste Stukje, pL 6. Van der hor-
ten , die anders gewoon is de door babter en slabber beschreven dieren
aan te halen , wijst hier niet daarnaar , maar het zal toch wel hetzelfde
diertje zijn.
Digitized by Google
200
zelfs heeft men , naar ons is verzekerd , een stuk gevon-
den van ongeveer 5.24 once gewigt.
De Ansjovis komt van half Mei tot aan de helft van
Julij op den Dollard, als de wind Z. W. en het weder
zacht is; in Junij is zij best. Haring (Clupea haringus),
treft men in April aan, als de wind fel uit het Z. W.
waait. Spierling in het voorjaar , in den herfst en , als het
weer zacht is, zelfs in den winter; zij is de laatste
visch die er gevangen wordt
Giepen vindt men op den Dollard , als de Ansjovisvangst
op het best is. Knorhaan vangt men nog enkel , alhoe-
wel niet veel, in Novembermaand.
De Ansjovis en Haring, die vroeger zoo talrijk op den
Dollard gevonden werden, vooral in het Dwarsgat , daar
zij in de kleinere en minder diepe rieten en gaten niet
opkwam , worden thans slechts zelden en dan nog schaars
gevangen. Het schijnt dat de slijkgronden voor die vis-
schen te veel ophoogen. Thans komen zij in groote
hoeveelheid in de Eems om den hoek van Reide voor,
alwaar ze door Oostfriesche visschers, vooral van Ditzum,
zeer talrijk worden gevangen. Jammer is het , dat ook onze
visschers zich met hunne kleine zwakke scheepjes niet op
de diepte kunnen wagen; daar zou een bron van be-
staan door hen gevonden kunnen worden, die voor hen
op den Dollard niet meer aanwezig is; maar alhoewel
zij hiervan zeer goed bewust zijn, zijn zij te onbemid-
deld , om zich een behoorlijk schuitje , dat met zijn toe-
behooren mogelijk 500 gulden zou moeten kosten , aan-
teschaffen.
Het komt ons niet nutteloos voor, dat wij beschrijven,
wanneer en hoe de Ansjovis hier werd gevangen en ge-
zouten , opdat het blijke , dat onze Dollardvisschers de eer-
sten in ons land zijn geweest, die de Ansjovis visscherij heb-
ben uitgeoefend, en dat hunne manier, om die vischsoort
in te zouten, nog niet door de Hollandsche visschers
wordt overtroffen.
Wanneer men op den Dollard met het visschen naar
Ansjovis is begonnen, is niet bekend, maar zeker is het,
dat de Dollard vroeger veel Ansjovis opleverde. Door
de ophooging der slijkgronden en van de beddingen der
rieten en gaten, is de vangst echter in de laatste 25 of
Digitized by Google
261
30 jaren onbeduidend geweest en tegenwoordig heeft zij ,
ongelukkig genoeg, geheel opgehouden. Het mag zonder-
ling genoemd worden, dat eerst voor 25 of 30 jaar juist
toen de Ansjovisvisscherij op den Dollard afnam, de-
zelve op de Zuiderzee door jan hopman en jan HARTOG
van Spakenburg is begonnen (213J, en het is zeer mo-
gelijk , dat men toen daar van onze Dollard visschery kennis
heeft gedragen. Men ving vroeger op den Dollard in de
groote rieten en gaten , en vooral later in het Dwarsgat , op
de hiervoor genoemden tijd de Ansjovis bij eb zoo wel als
bij vloed in de garnaalkuilen , die ten dien einde tusschen de
garnaalpalen werden uitgezet ; maar bij eb kon men altijd op
de ruimste vangst rekenen. Dadelijk na de vangst, hetzij
te huis of reeds op den Dollard, werd de Ansjovis ge-
kopt, zoo als dat genoemd werd, met andere woorden,
de kop werd er af-, en de ingewanden er uitgenomen.
Zonder gewasschen te worden, werd zij nu in het zout
gezet, en daar bleef zij een etmaal in zitten. Dan werd
zij uit het zout genomen en , zonder er water op te doen ,
werd zij in horven of bennen overgedaan , om de pekel te
doen uitlekken. Daarna werd zij weder ingezouten , en
nu liet men haar van 3 tot 5 dagen onaangeroerd. Na
dien tijd werd zij er weder uitgenomen , en men bragt
haar nogmaals in korven over , om , zonder er water bij te
doen of zonder ze aftespoelen of aftewasschen , ze te laten
uitlekken. Eindelijk werd zij weder in vierde botervaten
van 45 of 46 kop inhoud ingezouten, en soms strooide
men wat peper tusschen de lagen. Deze visch bleef, zoo
ingezouten , 4 of 5 jaar frisch en smakelijk. Een zoodanig
vat nam van 4000 tot 4500 stuk Ansjovis op ; voor de
eerste maal zouten was men 6 Ned. pond zout van noo-
den en voor de» tweede en derde keer zamen even zoo
veel. Deze vaten werden naar Groningen , Leeuwarden ,
Amsterdam , Oostfriesland , Bremen en Hamburg gezon-
den , en de visch vond overal gereeden aftrek. Het heugt
nog oude Dollardvisschers , dat ieder visscher in den tijd
van de vangst op 1 »/ 2 of 2 vierde vat Ansjovis daags kon
(213) Zie in 't Nederlandsch Magazijn , 1851, p. 290, het stukje go-
titeld : de Ansjovisvisscherij op de Zuiderzee.
Digitized by Google
262
rekenen, en gemiddeld mogt men toen wel aannemen, dat
ieder visscher in den visehtijd 30 vierde vaten Ansjovis
verkocht. Voor het gebruik in de omstreken van den
Dollard zoutte men ook de Ansjovis wel bij het hon-
derdtal in steenen potjes in; de manier van koppen en
zouten bleef daarbij hetzelfde.
De Spierling bemint insgelijks de diepte. In den herfst
plaatst daarom de visscher dikwijls palen in het Schan-
scher diep , waarin anders niet gevischt wordt , om er de
Garnaalkuil aan te bevestigen en om daarmede op Spier-
ling te visschen. Telken keere als hij daar zijne netten
uitzet, moet hij de palen zetten en, als hij vertrekt, is
hij verpligt ze weder medetenemen, daar de scheepvaart
niet gedoogt , dat door palen het vaarwater onveilig wordt
gemaakt.
Is de gewone Haring thans vreemd aan de Dollard-
slijkgronden gewórden ; met den KuiÜiaring is het bijna
eveneens gelegen, men ziet hem slechts zelden. Tot het
vangen van dezen visch, dien ook de Garnaalkuilen op-
nemen , wordt dikwijls een bijzonder soort van net gebe-
zigd , dat zeer zorgvuldig gestrikt moet worden. De masken
of mazen zijn enkel en juist zoo groot , dat zij den Kuit-
haring achter de borstvinnen kunnen omspannen. Zoo de
Haring in die tusschen de garnaalpalen uitgespande netten
schiet, verhindert de kuit hem het verder voorwaarts
dringen, terwijl de borstvinnen hem het teruggaan belet-
ten. Haring zonder kuit kan daarom in deze netton niet
worden gevangen.
De Garnaalvangst is het hoofdbestaan van den visscher,
maar alleen zou hij er nog niet van kunnen leven. Daarom
legt hij zich tevens op de vangst van Bot (Platessa Jl&us)
toe , welke visch er nog veel , maar toch veel minder dan
vroeger op den Dollard gevangen wordt. De zwaarste
Bot vindt men bij lang droog weder op het oostelijkst
gedeelte van den Dollard; daar komt zij wel eens van
1.5 Ned. pond gewigt voor; westaan is zij kleiner, maar
meer talrijk; doch zoo de zijlen, ten gevolge van veel
regen, veel binnenwater afvoeren, verlaat de dikste Bot
de oostzijde en begeeft zich westwaarts, alwaar zij dan
gevangen wordt. Ook de winden hebben invloed op de
plaats , alwaar de Bot zich ophoudt ; want is de wind oos-
Digitized by Google
263
telijk , dan is die visch meer aan de west- dan aan de
oostzijde van de onde Beertster moe; bij noordelijken wind
houdt hij zich meest tusschen die moe en het Schanscher
diep op, terwijl bij een N. W. en W. wind dat gedeelte
des Dollards, dat onder Oostfriesland is gelegen, rijk aan
Bot is. Daar blijkt derhalve uit, dat de Bot bij voorkeur
die rigting verkiest, welke de wind neemt, en alwaar dus
het water hooger dan elders wordt opgevoerd. Over het
algemeen is er bij W. en Z. W. winden betrekkelijk
veel visch in het water , bij N. W. wind , als het niet
koud is , minder , maar bij O. en Z. O. wind voert de
vloed het minste visch van allen aan.
Voor de Botvangst zijn zeer heete zonnige dagen niet
voordeelig; de Bot houdt dan liever de diepte, alwaar het
koeler is , dan op de Dollardgronden , die te lang door de
zon worden beschenen. Vandaar dat de hondsdagen voor
de botvangst van weinig beteekenis zijn ; zware Bot wordt
dan zelden aangetroffen. Het is hieruit wel op temaken,
dat N. winden in den zomer voor den botvisscher zeer
wenschelijk zijn, omdat deze de hitte matigen. Een
gevolg daarvan is, dat er bij het zomerweer door den
morgenvloed meer Bot op den Dollard wordt gebragt,
dan bij den vloed die 's avonds opkomt , omdat 's mor-
gens de slijkgronden veel koeler zijn dan 's avonds. Men
moet het ook hieraan toeschrijven , dat bij matige hitte
de Bot meer op de zandplaten dan op de slijkgronden
is. De eersten zijn lager dan de laatsten ; er komt meer
water bij vloed op en het is daardoor koeler dan op de
slijkgronden.
Veel koude in het voor- en najaar is evenmin wensche-
lijk. Bij gunstige en warme voorjaars heeft men vóór de
maand April zelf reeds Bot, maar is het koud en guur
weer, dan komt zij later. Des najaars wordt er in het
laatst van November zelfs nog Bot gevangen, als het we-
der zacht en niet koud is ; maar gewoonlijk is in het
laatst van October de vangst afgeloopen. Zoodra het be-
^nt te vriezen , wacht de Bot zich wel om met het water
op te komen. Men moet het hieraan toeschrijven , dat bij
deze visschen in het voor- en najaar een Z. W. wind
altijd welkom is; want die wind matigt de koude en zij
lokt de Bot op den slijkgrond. In die beide jaargetijden
Digitized by Google
264
is in den regel , vooral zoo het eenigzins zonnig is , de
avondvloed milder in de aanbrengst van Bot , dan de
vloed die 's morgens opkomt; bet water toeb is 's avonds
minder koud , dan 's morgens , en de Bot , die zeer gevoe-
lig is, doet nu liever den togt slijkopwaarts des avonds,
dan zoo vroeg in den kouden morgen.
Het is ook bierdoor verklaarbaar, waarom voorjaars en
's herfst de Bot meer op de hooge slijkgronden komt , dan
midden in den zomer, als de zon zoo heet schijnt Het
is dan op de slijkgronden , die hooger zijn en waarop de
vloed minder water brengt dan op de lagere platen , war-
mer dan op de laatsten.
Zelfs dunt een strenge winter zoodanig den viscb op de
graten , dat de Bot in Mei nog schraal is ; maar is de
winter zonder vorst voorbij gegaan , dan ziet men wel , dat
de koude haar heeft doen lijden , maar zij ziet er dragelijk
uit en heeft zich spoedig hersteld. Ook houdt men het
er voor, dat de Bot den storm vreest en, zoodra deze
woedt, de kusten meer nadert; men wil opgemerkt heb-
ben, dat na stormachtige voorjaars de Botvangst uiter-
mate gelukkig is geweest; wij weten echter niet, of men
aan die veronderstelling wel veel waarde mag hechten.
Het is aan de kleur der Bot te onderkennen, of zij
reeds dikwijls op de Dollardslijkgronden de dagelijksche
zeer eentoonige reis heen en terug heeft afgelegd of niet.
Heeft zij eene vuile gele kleur, die overal dezelfde sterkte
bezit, dan is zij eene vreemdeling , die zoo pas met de
slijkgronden kennis maakt. Vertoeft zij eenigen tijd, dan
wordt haar kleur donkerder, zij wordt beschilderd met
groote bruine vlekken, die langzamerhand zwart worden
en die aan de randen zijn uitgewasschen. En in die
zelfde mate , dat de vlekken eenen zwarteren tint aanne-
men, wordt zij vetter en heeft zij dikker visch. De
kenner geeft altijd aan die Bot de voorkeur boven an-
deren.
Als het zoo laat in de herfst is , dat de Bot zich van
hare dagelijksche reizen naar den Dollard terug houdt,
komen er andere visschen voor dezen in plaats , die 'de
koude minder vreezen , maar die de warmte niet kunnen
verdragen. Dan laten de Schar en de kleine Schol (FUu-
ronectes Limanda en P. Hatessa) zich vangen, en vergoe-
Digitized by Google
265
den voor den visscher eenigzins het gemis van Bot. Maar
zoodra de koude zoo veel toeneemt, dat er ijs op het
water komt, ziet men ook die visschen op den Dollard
niet meer.
Door dat de Bot vooral van den Botworm en de Bot-
weide leeft , die op en in de slijkgronden in zulk eene
ontelbare hoeveelheid voorkomen, zoo is het wel te be-
grijpen, dat zij zich niet alleen in de rieten en gaten,
maar het liefst op de slijkgronden zelve ophoudt, al-
waar zij dan ook wordt gevangen.
Komt echter de Bot, de Schar en kleine Schol met
het vloedwater op, dan is zij, even als de andere visch,
meer boven in het water, dan bij ebbe, als wanneer zij
zich, kort aan den slijkgrond houdende, door den eb-
stroom naar de Eems laat medevoeren.
Het is daarom dat de Bot bij afebbend water gevangen
wordt, door middel van zoogenaamde hargen en dubbelzet-
ten. Het is wel niet noodig, dat wij deze vischtuigen be-
schrijven; maar aangenaam is het toch zeker te weten , op
welke wijze de visscher do Bot vermeestert, en daarom
willen wij in korte trekken die vischtuigen doen kennen.
Een harge heeft de gedaante eener V en is uit dunne
rijsjes gemaakt, die regt op staan en ongeveer 6 palm
lengte hebben , terwijl de enkele rijsjes bijna 2 Ned. duim
van elkander zijn verwijderd. Deze enkele rijsjes worden
dikwijls door dunne weenen (waterwilgen) boven en onder
verbonden en in het midden door een strooband veree-
nigd. Zulk vlegtwerk wordt 8 schreden lang gemaakt en
heet schutting, en van 10 tot 15 zulke schuttingen zijn er
noodig , om eene harge zamen te stellen (214). Deze
schuttingen worden regt opgezet en aan in den grond ge-
stokene palen , die ongeveer 2 schreden van elkander staan ,
vastgebonden, en dit rijswerk, gezet in den boven opge-
geven vorm V, heet een harge.
Vooral heeft de visscher te zorgen, dat de hargen zoo
worden geplaatst, dat de opening van voren naar den eb-
stroom is gerigt, opdat de Bot, die met dien stroom af-
zakt en tusschen de vleugels der harge komt, zich in het
(214) Het rijs voor dc 100 schuttingen wordt met 5 gulden betaald.
Digitized by Google
266
punt van zamenkomst der schuttingen vereenigt, alwaar
twee fuiken, die men poortjefuiken noemt, aanwezig zijn,
waarin de Bot een uitweg uit de harge zoekt , maar al-
waar hij den dood te gemoet ijlt. Is de eene vleugel van
een zoodanig vischtuig aan de afhelling van een riet of
gat, dan zakt de Bot dikwijls om dien vleugel naar dat
riet of gat af, maar ook de visscher verschalkt hem door
eene fuik aan dat vleugeleinde der harge geplaatst , die
men terugfuik noemt.
Een dubbelzet heeft de gedaante eener W; zijne vleu-
gels zijn verder uitgespreid , dan die eener harge, en het
rijswerk , waarvan hij gemaakt wordt , heeft dikwijls eene
lengte van 40 schuttingen, de schutting van 8 schreden.
Ook hier zijn de vleugels naar den ebstroom gerigt , ech-
ter heeft hij altijd 4 poortjefuiken en dikwijls eene terugfuik.
Moeijelijk is het te bepalen, met hoe vele botfuiken er
op ons grondgebied in den Dollard gevischt wordt, omdat
hierin soms veranderingen voorvallen; echter zal het niet
ver van de waarheid afwijken , als men derzelver aantal ,
gemiddeld op 120 begroot (215).
Niet alleen vangt men in deze fuiken visch, ook tegen
de schuttingen blijven soms zwaardere visschen liggen ,
zoo als de Steur (Accipenser sturio) , Zalm (Salmo salar) en
Elft (Clupea alosa).
Steur komt het meest met oostelijken wind op. De
zeer kleinen worden nog al nu en dan gevangen, vooral
in de garnaalkuilen , maar de zware Steuren, die soms
van 100 van 250 Ned. ponden gewigt hebben , blijven
dikwijls bij het afebben te lang achter en worden dan te-
gen de schutting of op den slijkgrond gevonden.
Zalm en Elft vangt men nu en dan voor de schuttin-
gen; de eerste heeft dikwijls een gewigt van 5 tot 8 Ned.
pond , de laatste van 1 tot 3 Ned. pond. Deze beide vis-
schen gaan traag met het ebwater af.
Ook in de noordelijke streken onzer provincie vangt men
den visch met dergelijke zetten, die toch nog van andere
zelfstandigheden worden zamengesteld , en tevens eenen
(215) Op dc hierbij bchoorendc kaart, waarop het getal hargen, in
1846 op iedere plaat aanwezig, is opgegeven, is een dubbelzet gelijkge-
steld met twee hargen.
Digitized by Google
267
anderen vorm hebben. Men gebruikt daartoe halmen
van het gewone riet (Phragmites communis) van 0.85 tot
1.14 el lengte , die zoodanig op het strand en 2.5 duim
van elkander worden gezet, dat de visch , en wel voor-
namelijk de Bot, die met de vloed op is gekomen, bij eb
in netten , die tusschen deze halmen zijn uitgezet, wor-
den gevangen.
Dr. westerhoff heeft de hierbij gaande teekening
van een zoodanig zet gegeven (216).
bede
/. V
... V
De zijde af is naar het strand gekeerd , be naar het
wad, voor de opening cd worden de netten geplaatst, en
hierin worden de visschen gevangen, die tusschen het
digt bij elkaar geplaatste riet niet kunnen ontsnappen.
De Bot heeft tot nadeel der visschers vele vijanden, die
haar zelfs , als zij in fuiken is opgesloten , opzoeken en
gretig verslinden. In de eerste plaats zijn die vijanden de
voornoemde Krabben, die, schoon niet of slechts zelden tot
voedsel wordende gebruikt, in de botfuiken worden ge-
vangen. Als zij alzoo met de Bot zijn opgesloten, vallen
zij dien weerloozen visch aan , en ontnemen hem , zoo de
tijd van hunnen gemeenschappelijken dood niet te vroeg
opdaagt, al knagende al zijne vinnen. Vandaar dat de
Krab bij den visscher geene genade vindt; als hij gevan-
gen wordt, wordt hij gedood en weggeworpen.
• Ook de Bruinvisch (Phocaena communis) rigt soms ver-
nieling in het vischtuig aan. Soms werpt hij de schuttings
omver en poogt hij de Bot uit de fuiken weg te kapen ,
dat hem echter zelden gelukt. Enkel blijft de Bruinvisch
bij eb op het slijk achter; als de visscher hem ziet, ver-
stikt hij hem door de opening boven in zijn kop , waar-
door hij adem haalt , met den duim of op eenige andere
(216) Westerhoff, Commenlatio Botanica in Ann. Acad. Gron.lSiO —
1821. II. B. van dek trappen , Herbarium Vivum , D. I, p. 221.
Digitized by Google
268
wijze te sluiten. Van dien visch maakt hij traan, die hel-
der is , maar die eenen walgelijken reuk heeft.
De vijand echter, dien de visscher voor zijn vischtuig het
meest vreest, is de Zeehond (Phoca groenlandica). Als hij
zijne jongen groot heeft in Augustusmaand of later, komt hij,
liefst bij betrokken lucht en onstuimig weder, den Dol-
lard bezoeken, echter veel minder talrijk dan in voorgaan-
de jaren , en weet de hargen en dubbelzetten zeer goed
te vinden. Ziet hij Bot in de fuiken, dan steekt hij zijn
kop van voren in dat net , om de keel te vergrooten , en
niet zelden rukt hij den stok , die in het slijk is gestoken
om het achtereinde der fuik vast te houden, uit den
grond en hij verscheurt dat achtereinde, om de Bot
meester te worden, dat hem zelden mislukt Wel bedekt
dan dikwijls de visscher zijne fuiken van boven met ge-
vlochten rijswerk , doch algemeen gelooft men toch , dat
dit eene nuttelooze voorzorg is , die den Zeebond niet af-
schrikt , noch hem in zijne pogingen stuit. Bij zijne
stoutheid is hij waakzaam en voorzigtig, en bij al den
haat, dien de visscher hem toedraagt, gelukt het dien zel-
den om hem te vangen.
Ook de Aal (Muraena anguüla) vangt men in hargen,
die naar het ebwater zijn gezet, maar zij zijn veel kleiner
dan de bothargen , en bestaan uit twee schuttingen , ieder
van 6 schreden lengte. De enkele rijsjes zijn echter veel
digter bij elkander gevoegd, dan bij de botharge, dat wel
noodig is, omdat de Aal door eene kleine opening zoo
gemakkelijk kan ontsnappen. Men plaatst ze dikwijls aan
den afhellenden kant der rieten en gaten , liefst even be-
neden de plaats, waar deze eene bogt vormen, en dan
aan den oever, waarop de ebstroom invalt. Op het punt,
alwaar de schuttingen te zamen komen, is een aalkorf of
Kub met eene keel aanwezig, die den Aal in zich op-
neemt (217). De Aal, die in den Dollard gevangen wordt,
is over het algemeen klein , zilverwit van kleur en schraal.
Hij heeft eene dunnere huid dan de binnenaal, maar een
dikker lijf. Men vangt den buitenaal het meest, als men
(217) Zulk een aalkorf kost 1 gulden.
Digitized by Google
269
vruchteloos voor binnenaal de fuiken uitzet. De buitenaal
komt het meest in de kubben van April tot Augustus,
en wel voornamelijk bij warm weder, of als de zijlen,
ten gevolge van veelvuldige regens, den Dollard met zoet
water vullen. De binnenaal loopt integendeel het meest
in September en October, en vooral bij nacht , als de maan
niet schijnt, maar het duister is. Zoodra het vriest, ver-
schuilen de dikste binnenalen zich in den modder, en
men kan geene andere meer dan kleinen vangen. Over
het algemeen is de binnenaal dikker dan de buitenaal,
enkel worden er echter zware alen in den Dollard ge-
vangen. Voor eenige jaren heeft de zijlwaarder van den
Finserwolder polder een aal op den slijkgrond gevon-
den, die 21 Ned. ponden woog.
Andere visschen , dan die welke wij hiervoor hebben
beschreven , worden op den Dollard zelden aangetroffen ,
en in het algemeen vermindert hunne talrijkheid, en
van daar dat de visscher bij een moeitevol en arbeidzaam
leven slechts een zeer schraal middel van bestaan heeft.
En toch vinden thans nog op den Dollard, hoe on-
vriendelijk en onherbergzaam zijn aanzien ook is , vele
menschen hun brood. Alleen op ons grondgebied telt
men 15 visschers, als 10 te Finserwolde, 2 bij de Beert-
ster zijl en 3 te ïermunten , die uitsluitend met hunne huis-
gezinnen van de vischvangst leven.
Ieder dezer visschers heeft twee omloopers , die den visch
in de provincie verkoopen. Onder Finserwolde worden
vaste voerlieden gebruikt, om den visch van de Beertster zijl
naar Finserwolde en de Scheemda te voeren, en men re-
kent, dat er op ons grondgebied ongeveer 150 menschen
van de vischvangst op den Dollard een sober , maar eerlijk
middel van bestaan hebben.
In Oostfriesland zijn de Dollardvisschers , alhoewel hun-
ne visscherij tot eene veel kleinere uitgestrektheid slijkgron-
den is beperkt, nog talrijker: 14 visschers treft men bij
het verlaat bij den Heinitzpolder en 3 te Dijksterhuizen
aan , doch het visschen is daar nog minder winstgevend
dan hier , en vandaar dat die visschers door anderen ar-
beid gedeeltelijk in hunne behoeften moeten voorzien. De
vischvangst heeft plaats nog al vrij ver naar buiten, daar,
waar de vloed nog tamelijk hoog de slijkgronden bedekt.
Digitized by Google
270
Zonderling is de wijze, op welke de Oostfriesche visscher
zijne botvisscherij opzoekt Dit geschiedt natuurlijk bij eb,
als de platen droog liggen. Ten dien einde bedient hij
zich van eene plank van 2 tot 2.6 el lengte en onge-
veer 0.3 el breedte. Deze plank is met eene lijst voor-
zien en loopt van voren ongeveer 0.7 palm omhoog.
Niet ver van achteren, is er, even als aan eene gewo-
ne ijsslede, een hekje op bevestigd, met eene dwarslat
van boven, en nog een weinig verder naar achteren is
een rond blokje van ruim 1.4 palm hoogte, dat van bo-
ven een weinig is uitgehold. Het is met dit vaartuig,
dat kraite genoemd wordt , dat de visscher zich een half
uur en verder over de slijkgronden van den dijk verwij-
dert. Ten dien einde rust de visscher met de knie op het
uitgeholde blok , met zijne handen aan het hekje vindt
hij steun, om het evenwigt te bewaren, en dikwijls met
den ontblooten voet van het andere been zet hij zich voor-
uit. Voor op de plank bevinden zich de manden, waarin
hij den visch bergt, dien hij in de ruiken mogt van-
gen. Verbazend snel kan hij met zijn kraite over den
slijkgrond vliegen : met niet veel inspanning vordert hij
in uur 1 uur afstand , en een zonderling en vreemd ge-
zigt is het voor hem , die voor het eerst deze slijkgronden
bezoekt, als daar een regt opstaand man met de snel-
heid van den wind hem nadert of voorbij vliegt. Op ons
grondgebied zijn deze kratten voor den visscher niet vol-
doende: de slijkgronden zijn hier te veel met rieten en
gaten doorsneden, en ook bij de garnaalvangst in de ga-
ten zelve, waartoe men echter in Oostfriesland een van
de fuiken der botvisscherij gebruikt, zou men zich met
geene kraite kunnen behelpen.
Op ons grondgebied hebben de visschers dan kleine scheep-
jes van vuren hout , op den bodem 3.4 el lang , bij eene
breedte van 8.5 palm. Deze booten staan, wat den bo-
dem betreft , van voren 3.6 Ned. duim , van achteren 4.8
Ned. duim , aan de zijden 1.2 Ned. duim naar boven , zoo-
dat zij aldus slechts in het midden den slijkgrond ra-
ken; achter zijn ze 5.7 palm, in het midden 4.75 palm,
van voren 5.2 palm hoog. Deze booten komen op on-
geveer 20 gulden te staan en kunnen ongeveer 6 jaren
worden gebruikt. Zij zijn van een zeil voorzien , dat dik-
Digitized by Google
271
wijls te stade komt. Over de slijkgronden worden deze
booten met een stok voortgestuwd, welks onderste ge-
deelte veel overeenkomst met den menschelijken voet heeft ,
en de stok wordt zoodanig gehouden, dat het gedeelte,
wat de teenen zal verbeelden , even als bij het voortbe-
wegen der kraite, naar onderen is gerigt. De snelheid, die
aan deze boot kan worden gegeven , bereikt echter in lang
niet die der Jcraite. Wij gelooven, dat een visscher, die
met eene zoodanige boot in een half uur den afstand van
1 uur aflegt, al zeer geoefend en sterk gespierd moet
zijn.
De vischvangst vermindert, zoo als wij hiervoor reeds
gezegd hebben ; sommigen willen de oorzaak daarvoor
vinden in de steeds toenemende visscherij bij Reide langs
de boorden der Eems , en zijn van oordeel dat juist die
visch daar wordt gevangen, dien anders de vloed op den
Dollard zond. Ons komt het niet geloofelijk voor, dat
de Oostfriesche visschers bij Reide zoo nadeelig op onze
vischvangst inwerken, maar meer waarschijnlijk, dat de
slijkgronden van den Dollard al te veel ophoogen , zoodat
het vloedwater aldaar te weinig diepte heeft , om zoo veel
visschen als vroeger te verleiden den verren togt met den
stroom over de slijkgronden te doen. Ook zijn wij wel
geneigd om aantenemen, dat in 't algemeen de visch
langs onze geheele kust afneemt.
Onbelangrijk is de vischvangst echter op dit oogenblik
zelfs nog niet, maar wat te gering is de opbrengst voor
de visschers, die er van moeten leven. De volgende Staat,
die met veel zorg is opgemaakt, geeft een getrouw over-
zigt van de Dollardvisscherij op ons grondgebied en van
de tegenwoordige gemiddelde jaarlijksche vangst en op-
brengst.
Digitized by Google
272
> w
3
— i •
O
— •
co
P
•— •
O
> ^
<— '
co
B'
P
•1
O
P
5
p
p
09
O
O
03
O
w
to
O
^3
to
to
g
2 *•»
5 « s-w § s
CO P CO 9C l? CO
P g 3 cf p S.
•
8
O
O
O»
O
00
<) a w
g s 5 B O
E o e 2. 5
O n oo n
to
UI
B g 5 3 S
Co
tO
O
O
O
kso
O*
O
O
to
ö
O
O*
O
O
to
to
C5
1F
O
I I
•
O
Ö
O
£5- w
lif
CT5
to
to*
als
C CT5 ®
O «-»• T
r« » p
c=:co
- S'
o o
o cr
< 3
<o co
*!
§ O
P
o »
os D*
||
ra .
o >1
O CL
w
Cl
o
00
0<5
P p
D M
tO oq B
O co
p-- B 00
- B 2
P rt,
g ® £
'K' —.
» w «
2 N *°
2 pftn
r <o «
° S ft*
co
°*
O *1
co ?r*
B o ®
P B *<
Hal g* £* i
a's Q
B O £
» B 2
* g*3
o "l ■
C» B
(O
" >
^2:
0
O B
Cx CO
2
CU
co
CL
ö
s
I
3
Digitized by Google
273
Het blijkt derhalve uit voorgaanden Staat , dat de 15
visschers te zamen genomen een jaarlijksch inkomen van
3694 gulden hebben, waaruit men kan opmaken, dat ieder
visscher 's jaars op 246 gulden verdienst kan rekenen ,
waarvan hij met zijn huishouding moet leven , en zijn
schipje , zijn zeil , netten , kubben , korven en schutten
moet aankoopen en onderhouden.
De omloopers verdienen te zamen niet meer dan 2916
gulden, en daar zij ten minste 30 in getal zijn, kan men
vaststellen, dat die vischventerij ieder 97 gulden 's jaars
opbrengt. Daar deze venthandel bijna uitsluitend door
vrouwen gedreven wordt , wier mannen óf visschers zijn ,
óf zich aan anderen arbeid wijden, is de winst voor de
omloopers niet onaanzienlijk te noemen,; want gewoonte
heeft ons met het denkbeeld zoo niet verzoend , dan toch
gemeenzaam gemaakt: dat van allen arbeid, die eener
vrouw het slechtst van allen moet worden beloond.
Termunten had vroeger eigene visschers; die er thans
wonen, zijn van Fimerwolder oorsprong. Die oude Termun-
ter visschers kenden de harge en dubbelzetten niet , maar
zij gebruikten voor de botvangst de botreep.
Deze bestond uit eenen dunnen draad, zoogenaamd
zeilgaren van 3 tot 400 el lengte , op korte afstanden met
kleine, ongeveer 0.5 el lange zijddraadjes voorzien; aan
ieder zijddraadje was een krom gebogen stukje scherp ko-
perdraad bevestigd. Aan deze eindjes draad werden tot
aas levende garnalen gestoken. Dan werd de geheele
botreep op een raampje gewonden , dat ongeveer de ge-
daante van de leuning eener gewone stoel had. De eind-
jes draad met de garnalen er aan , hingen dan naast el-
kander naar beneden. Deze werden nu in een emmer
neergelaten, men goot er kokend water op, en de gar-
naal , die nu gaar werd , werd daardoor tevens zeer
vast om het gebogen koperdraad bevestigd. Deze botreep
werd alsdan zigzagswijze op den slijkgrond uitgezet, en
overal , waar zij een hoek vormde , werd een stokje in
den slijkgrond gestoken. Bij eb werd de reep gezet, bij
eb werd zij weder opgehaald , en hetzij de vangst gelukkig
was of niet , zeker kon men zijn , geene andere dan zware
Bot te vangen. De Bot werd van de reep afgetrokken,
18
Digitized by Google
274
en het koperdraad dan regt, werd daarna weder krom
gebogen.
Het spreekwoord was echter, dat men geen Bot op die
wijze kon vangen , voor dat de spreeuwen waren aange-
komen; het rijmpje dat hier en daar nog in het geheugen
van een oude van dagen leeft: de bot aan de band, als
de spreeuwen zijn in land, heeft daarop betrekking. Om
het verband tusschen de botvangst en de aankomst der
spreeuwen aan te wijzen , was men van oordeel , dat deze
vraatzuchtige vogels de meer zandige slijkgronden , kort
langs de kust, bezochten , om zich dan van botwormen te
verzadigen , en dat alsdan dat dier daardoor min talrijk
werd. Daar deze zandige slijkgronden de botweide misten,
was de bot nu genoodzaakt , bij gemis van beter voedsel ,
de garnaal aan de botreep op te zoeken; maar daar
voor de komst of na het vertrek der spreeuwen , de bot-
wormen niet meer van die vogels hadden te lijden , ver-
meerderde hun aantal , hetzij dan door voortteling of
plaatsverandering , aldra zoo ontzettend , dat de Bot het
voor hem minder smakelijke voedsel , de gekookte garnaal ,
niet meer behoefde te nuttigen, maar in overdaad van de
botwormen kon leven.
Wij voor ons ontkennen echter deze oorzaak voor de
meerdere botvangst en gelooven , dat het toeval wil, dat
de zware Bot juist ongeveer op denzelfden tijd weder de
reis heen en weder op de slijkgronden onderneemt, als de
spreeuw aankomt ; de temperatuur van de lucht , die de
spreeuw noodig heeft, eer hij deze streken opzoekt, brengt
eene temperatuur van het water mede, die de Bot ver-
kiest, eer hij de diepere waters , die hem 's winters her-
bergen , met de ondiepe binnenboezems verwisselt ; en daar-
aan moet men het, dunkt ons, wijten, dat de Bot de reep
niet eer bezocht , voor de spreeuwen waren aangekomen.
De garnaal ving men toen , hoofdzakelijk voor de bot-
vangst, in de veenaeut, met de zoogenoemde lade , waarvan
men zich , naar wij meen en , thans nog in Bierum en Uit-
huizen bedient. Twee lange stokken werden op de einden
vereenigd; niet ver van het andere einde was een dwars-
lat aangebragt , die voornoemde stokken op eenen be-
hoorlijken afstand van elkander hield; de einden waren
Digitized by Google
275
met een touw verbonden, waaraan een net was gehecht,
dat ook aan de lat was bevestigd; dit net had eene soort
van kuil. De einden der stokken waren beneden de
dwarslat met koehoorns voorzien. De visscher schoof nu
deze lade, die hij aan de vereenigde einden der stokken
vasthield, in de eb- of vloedstroom op; en de garnaal ver-
zamelde zich in de kuil. De einden der stokken liepen
niet in het slijk vast, omdat de hoorns zoo geplaatst wer-
den , dat zij boogsgewijze omhoog stonden. Toen echter
de rieten en gaten, even als de slijkgronden, langzamerhand
meer ophoogden, kwam de dikke garnaal te laat in de
gaten op , en ging te vroeg af, en toen de Finserwolder
visschers zich daarna in Termunten nederzetteden , hield
de vischvangst met botreep en lade op, en begon men met
de harge, dubbelzetten en kuils de bot- en garnaalvangst
uitteoefenen.
Digitized by Google
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De Dollardpolders ten slotte nog iets nader beschouwd.
De beschrijving van de Dollardpolders , zoo als die door
ons reeds vrij uitvoerig gegeven is, was echter meest van
geschiedkundigen aard en als zoodanig heeft zij in de eerste
A/deeling van dit werk eene plaats ingenomen. Die beschrij-
ving heeft den lezer een blik in het verledene geschonken;
maar hij zal ook nog met ons wel wat nader het oog wil-
len vestigen op hunne tegenwoordige gesteldheid , om vooral
de waarde van deze gronden voor den landbouw en de
wijze, waarop die aldaar uitgeoefend wordt, eenigermate
te leeren kennen. Zoodanig overzigt van eene in dit op-
zigt zoo belangrijke landstreek , als die gronden opleveren ,
zullen velen niet voor het minst aangename en nuttige
in dit ons werk houden en waardig , om het tafereel aan te
vullen, hetwelk wij van de wording dier Dollardgronden
hebben geschetst.
Wat ons het eerst bij eene beschouwing van de Dol-
lardpolders in het oog moet vallen, zoo onze blik niet al
te vlugtig is geweest, is hunne ligging. Ieder polder is
aan den oudsten dijk, die hem begrenst, het hoogst, aan
den jongsten dijk het laagst; de grond helt dus naar bui-
ten af, even als dit met den kweldergrond het geval is.
In dat opzigt is er een opmerkelijk verschil tusschen de
ligging der Doüard- en Wadpolders, daar bij deze laatsten
juist het tegendeel wordt waargenomen (218).
(218) Dr. westerhoff en Dr. stratikqh, Nat. Hist. van de provin-
cie Groninyen, I D., I St. , bl. 161. Verg. ook dit werk , bl. 124onv.v.,
bij hetgeen later over do samenstelling van don bodem znl gezegd worden.
Digitized by Google
277
Hoeveel verschil er in dit opzigt ook tusschen de ligging
der polders, die de noorderkust onzer provincie omzoomen
en die aan den Dollard zijn ontwoekerd, bestaat, in een
ander opzigt vindt men vólkomene overeenstemming. Bij
de Dollard- en Wadpolders toch is ieder later ingedijkte
polder hooger, dan die vroeger door dijken aan het spel
van hooge vloeden is onttrokken, en daar nu de oudste
polders verder van de kust verwijderd zijn dan de jon-
geren, is het er een natuurlijk gevolg van, dat eene
lijn, die door de verschillende polders, zoo als zij opvol-
gend zijn bedijkt, zoo wordt getrokken, dat zij den grond
op het punt, waar zij de gemiddelde hoogte van den pol-
der aanwijst, raakt, zich hoe langer hoe meer boven eene
waterpasse lijn zal verheften. De kuststreek , voor zoo verre
zij uit alluviale klei bestaat , is dus aan zijn buitensten rand
het hoogst en neemt langzamerhand hoe verder naar bin-
nen des te meer af; en zoo algemeen is dit verschijnsel,
dat ons geene uitzonderingen daarop in deze provincie,
noch in Oostfriesland, bekend zijn.
Dit verschijnsel kan op zeer verschillende wijzen worden
verklaard, en de wetenschap heeft nog niet bepaaldelijk
uitgemaakt , welke oorzaak dit verschijnsel te weeg brengt.
Sommigen nemen voor oorzaak aan het steeds digter aan
elkander sluiten der deelen, waaruit de grond bestaat,
waardoor de oudste gronden lager zijn geworden dan de
jongsten ; anderen meenen , dat het gemiddeld waterpasvlak
der zee immer rijst; eenigen vinden zich bevredigd door
de veronderstelling, dat de vloeden hooger klimmen, de
ebben lager dalen dan vroeger, waardoor in beide gevallen
veroorzaakt wordt eene hoogere opslibbing der jongste , dan
der oudere polders; terwijl er eindelijk ook gevonden wor-
den , die aan eene werkelijke daling van onze geheele kust-
streek gelooven. Wat ons betreft, wij denken ook omtrent
de verklaring, die van dit verschijnsel moet worden gegeven ,
niet eenstemmig , doch vinden het niet noodig, dat ieder onzer
hier zijn gevoelen opgeeft , en verwijzen verder naar het hier-
over opzettelijk door een van ons geschreven werkje (219),
(219) Men kan hierover verder nazien het werkje van o. a. venema ,
Over het dalen of zinken van de noordelijke kuststreken van ons land
in het algemeen en van de Dollardpolders in het bijzonder. Groningen ,
J. OOMKENS, J. ZOO». 1854.
Digitized by Google
278
terwijl wij willen hopen, dat het der wetenschap bij het
ijverig onderzoek , dat omtrent dit zoo belangrijk verschijn-
sel door de Commissie voor het zamenstellen der geolo-
gische kaart van ons land is ingesteld, alsmede dat van
wege de Koninklijke Akademie van wetenschappen is voor-
gedragen, gelukken moge, daargelaten alle bloot op on-
derstellingen rustende redeneringen , de ware oorzaak daar-
van aan te wijzen.
De Dollardpolders bestaan aan hunne oppervlakte uit-
sluitend uit klei, en de laag, welke daardoor gevormd
wordt, heeft eene zeer verschillende dikte, die belangrijk
afwisselt, omdat de grond, waarop zij rust, eene ongelijke
hoogte heeft en hier en daar golfvormig ligt. Het is ons
daarom niet mogelijk eene juiste opgaaf van de dikte der
kleilaag te geven , en niet alleen daarom , maar ook en wel
vooral om dat wij geene onderzoekingen genoeg hebben in
het werk gesteld, waaruit middengetallen voor de dikte
der kleilaag voor iederen polder kunnen worden afgeleid,
die vertrouwen verdienen. In het algemeen vermeerdert
de dikte der kleilaag van de oudere tot de jongere polders;
langs den rand , tot welken de Dollard zich in zijne grootste
uitgestrektheid heeft uitgebreid, is de kleilaag ongeveer
1 of 2 palmen dik en naar buiten neemt die dikte lang-
zamerhand toe, b. v.:
In het Oud-Nieuwland heeft men van 1 tot 1.5 el klei.
„ „ Nieuwland „ „ 1.5 „ 2.0 „ „
„ den Oostwolder polder „ „ „ 2.0 „ 2.5 „ „
„ „ Finserwolder polder „ „ „ 2.5 „ 3.0 „ „
De klei rust meestal op darg, of op zand, enkel op
eene andere veenlaag, welk laatste het geval is aan het
Mensediep, tusschen Eexta en Westerlee, te Veenhuizen
en mogelijk op meer plaatsen. Over het geheel geno-
men gelooven wij wel te mogen vaststellen, dat de Dol-
lardklei voor eene oppervlakte van 39,000 bunders, die
binnen- en buitendijks gelegen is, gemiddeld 1 el dikte
heeft. Is deze onderstelling aannemelijk, dan is er van
1277 tot 1854, dus in 577 jaren, 390 millioen cubieke ellen
klei of in 1 jaar 676000 cubieke ellen aangespoeld, wat op
1852 cubieke ellen daags of 77 cubieke ellen in het uur
Digitized by Google
279
uitkomt Daar de Dollardslib , volgens den Hoogleeraar
haeting (bl. 253), voor het 1 / 10 gedeelte uit pantser- of
schaaloverblijfsels van mikroskopische organismen bestaat,
zoo nemen deze overblijfselen daarvan eene ruimte van 7.7
cub. el in. Wanneer men nu aanneemt, dat er 2000 billi-
oenen schaaltjes van deze organismen op de cub. el gaan ,
dan zijn er sedert het ontstaan van den Dollard, telken
ure, gemiddeld 15400 billioenen, in iedere seconde 4)/£
billioen van die organismen gestorven, om met hunne
overblijfselen of bestanddeelen eenen vruchtbaren grond te
helpen zamenstellen , die thans zoo mild duizende men-
schen voedt Zoo wandelt de stof in haren eeuwig-
durenden kringloop op onze planeet van dier tot plant,
van plant tot dier of mensch rond, om zich dan weder
voor een korteren of langeren tijd met den bodem te ver-
eenigen.
In de Dollardpolders vindt men hoofdzakelijk drie soor-
ten van kleigrond:
1. De gewone Dollardklei;
2. De roodoortiy die men elders in de provincie ook
wel met naam van hnipklei onderscheidt;
3. De biik, die echter nimmer den bovengrond bereikt,
maar die altijd door eene laag roodoorn van 2 tot 4 palmen
dikte bedekt is. Deze kniklaag heeft meestal eene dikte van
2 tot 7 palmen en rust in den regel op andere klei, die
meer blaauw of bruinachtig van kleur is.
De gewone Dollardklei is overal buiten de dijken, die
sedert het jaar 1545 gelegd zijn, aanwezig en algemeen
bekend wat hare waarde voor den landbouw betreft; doch,
even als ons land in 't algemeen en er geen roem op kan
dragen, dat er aan een chemisch en microscopisch onder-
zoek der gronden ooit veel opmerkzaamheid is geschon-
ken zoo is dit ook in 't bijzonder met de Dollardklei
het geval , daar ons slechts eene enkele kwantitatieve ont-
leding en wel alleen van klei uit den Heinitzpolder, door
een buiten landschen Scheikundige reeds voor een aantal
jaren bewerkstelligd, bekend is. Deze is echter de be-
roemde duitsche geleerde c. SPKENGEL, aan en in zoo
verre kan men de verkregene uitkomsten het volste ver-
trouwen schenken, als do toenmalige kennis en hulpmid-
delen zulks toelaten.
Digitized by Google
280
Hij vond in 100,000 gewigtsdeelen van gemelden grond (220):
1 Grof kwartszand 4.500 gew. deel.
2 Zeer fijn kwartszand 60.300
3 Kalkaarde, deels met kiezelaarde (kie-
zelzuur) , phosphor- en humuszuur ,
grootendeels , als verbroken schelpen ,
met koolzuur verbonden 5.880 „ „
4 Talkaarde 0.844 „ „
5 Aluin- of kleiaarde 5.700 „ „
6 IJzerverzuursel 6.100 „ „
7 Manganesiumverzuursel 0.090 „ M
8 Zoutzuur 0.400
9 Phosphorzuur 0.530
10 Z wavelzuur 0.210
11 Koolzuur 3.920
12 Humuszuur 2.540
13 Potasch 0.210
14 Soda 0.593
15 Dierlijke zelfstandigheden 1.582 „ „
16 Humus en eenige plantaardige over-
blijfselen 6.000
Verlies 0.601
>» »>
ii ii
ti ii
ii ii
ii ii
ii ii
ii ii
» ii
ii ii
100.000 gew. deel.
Buiten deze Dollardklei, bij uitnemendheid zoo te noe-
men , vindt men in de streek , die vroeger door den Dollard
bespoeld is geweest, zoo als wij hiervoor reeds gezegd
hebben, eene andere en veel mindere kleisoort, die men
roodoorn noemt en die elders in de provincie den naam
van knipklei draagt. Door deze klei, die de dijken, vóór
het jaar 1545 gelegd , niet overschrijdt , loopen dikwijls
donkerrood bruine aders of doorns, waaraan de grond
zijn naam heeft te danken; soms zijn deze aders niet aan-
wezig, maar men treft er meer of min dunne lagen van
voormelde kleur in aan. Een grond, die daarmede , wat
de kleur betreft, wel eenige overeenkomst heeft, vindt
men langs de grenzen , die de grootte van den ouden
Dollard bij zijne grootste uitgestrektheid bepalen , vooral
(220) Hannov. Magax. 1827, St. 9.
Digitized by Google
281
langs de oude stroomen. De klei , die daar met darggrond
is vermengd, is geheel rood geverwd, maar de volkstaal
heeft in dit opzigt geen woord, om deze afwijking aan te
duiden, en men bestempelt ook deze grondsoort met den
naam van roodoorn.
Van deze kleisoort bestaat, voor zoo verre wij weten,
geene kwantitatieve ontleding. De heer J. H. kuper, lid
van de provinciale Staten en landbouwer te Blijham, heeft
echter aan de Landhuishoudkundige school te Groningen
kwalitatief dien grond doen onderzoeken en wij hebben
het aan hem te danken , dat wij de bij dat onderzoek ver-
kregene uitkomsten hier kunnen opgeven. De grondsoort,
die alzoo is onderzocht, is genomen zuidwaarts van den
weg, die van Winschoter Hoogebrug naar Blijham loopt
en wel digt bij den zoogenoemden turfweg.
Deze grond bestaat uit:
A. In water oplosbare deeleru
1. Kiezelzuur, een weinig.
2. Zwavelzuur.
3. Phoshporzuur , sporen.
4. Chloor, veel.
5. Ammonia.
6. Aluin- of kleiaarde.
7. Kalk.
8. Magnesia.
9. Potasch en soda, sporen.
10. In water oplosbare organische stof, veel.
B. In zoutzuur oplosbare deelen.
1. Kiezelzuur.
2. Zwavelzuur, weinig.
3. Phosphorzuur , veel.
4. Kalk, veel.
5. Magnesia, veel.
6. Aluinaarde.
7. IJzeroxydule , zeer veel.
8. IJzeroxyde , zeer veel
9. Potasch, veel.
10. Soda, minder.
Digitized by Google
282
Eene derde kleisoort, die hier en daar onder de roodoor n
voorkomt, is de hükklei of knik, die men in Oostfriesland
dwer of dwo, in Holstein roode vos, stort of' biet noemt.
Zij is nog rooder dan de roodoorn en steenachtig hard ;
zij houdt nog veel meer ijzeroxyde en vooral zeer veel
meer ijzeroxydule in. Deze kniklaag heeft altijd, zooals
reeds gezegd is, eene laag van 2 tot ongeveer 4 palm
roodoorn boven zich, en is van 2 tot 7 palm dik. Meestal
is beneden de knik eene laag gewone klei, van meerdere
of mindere dikte, en wij gelooven wel te mogen aanne-
men, dat waar de geheele laag aangeslibde grond geene
meerdere dikte dan 1 el heeft, de kniklaag ontbreekt,
zoodra daar beneden darg gevonden wordt
Hoe gaarne wij ook eene ontleding van den knikgrond
zouden hebben willen geven of zijne zamenstelling nader
doen kennen, wij zijn daartoe niet in staat Wel hebben
wij moeite gedaan, om, zelve het daartoe noodige onder-
zoek niet in het werk kunnende stellen, eene opgave
daaromtrent te verkrijgen, maar die moeite is met geen
ganstigen uitslag bekroond geworden.
Op vele plaatsen, vooral in de oudste polders, is de
kleigrond op 1 of 1.5 el beneden de oppervlakte blaauw
van kleur, en als wij over de waarde der Dollardklei-
gronden en wel der knik voor den landbouw moeten spre-
ken , zulleu wij opgeven , welk nuttig gebruik daarvan ter
verbetering der gronden gemaakt wordt
De hiervoor beschrevene gronden hebben voor den land-
bouw eene zeer verschillende waarde, op allen groeijen
toch de gewassen niet even welig en in de opbrengst is
het verschil nog veel aanzienlijker.
De kleigrond, die hiervoor bij uitnemendheid onder den
naam van gewone Dollardklei is onderscheiden en die vast
overal buiten , maar hier en daar ook binnen den dijk van
1545 wordt aangetroffen, is verre weg vruchtbaarder dan
de roodoorn en knikklei; maar ook deze Dollardklei ver-
krijgt met haren ouderdom eene steeds minder wordende
waarde voor den landbouw, zoodat de nieuwste polders
de meeste opbrengst verzekeren, die vermindert, hoeveel
meer tijd sedert de bedijking is verstreken. Dit verschijn-
sel , waarin de kleigronden juist tegen de zand- en veen-
gronden overstaan , die bij eene doelmatige wijze van be-
Digitized by Google
283
bouwing steeds in vruchtbaarheid winnen, is, naar ons
voorkomt, van meer zamenwerkende oorzaken het gevolg,
en zoo wij ook, bij gebrek aan voldoende vergelijkende
physische en scheikundige onderzoekingen, die oorzaken
eenigzins onderstellender wijs moeten aanwijzen, wij ge-
looven daarom niet, dat wij ons aan tegenspraak zullen
bloot stellen.
In de eerste plaats is het zeker, dat de gedurige be-
bouwing aan den grond bestanddeelen ontneemt, die hij
niet terugontvangt, omdat deze gronden niet worden be-
mest, vóór dat zij een paar eeuwen zijn binnengedijkt ge-
weest, terwijl dan nog de bemesting spaarzaam plaats
heeft en bij eene doelmatige wijze van bebouwing geheel
achterwege blijft. Hoofdzakelijk heeft dit verlies plaats in
de bovenste grondlaag , ter diepte van een paar palmen ,
alhoewel zeker door capillaire werkingen, en door de
wortels van sommige gewassen, die diep in den grond
dringen , vruchtbare bestanddeelen naar boven worden ge-
voerd.
Ten anderen wordt de grond, voor zijn bovenste ge-
deelte, ter diepte van 4 palm, bij toenemenden ouderdom
steeds een weinig digter; daarvan is het gevolg, dat de
grond het water , dat er op valt , minder gemakkelijk
doorlaat, terwijl bij veel droogte de vochtdeelen al te
naauwe en fijne openingen tusschen de deelen vinden ,
om door de capillariteit naar boven te kunnen komen.
Aangezien alsdan de gewassen bij overvloed van regen
last en bij droogte gebrek aan vocht hebben, werken deze
beide oorzaken te zamen om den weligen groei te beletten,
daar vooral bij veel droogte vocht ontbreekt, dat altijd het
voermiddel van de voedseldeelen der planten is.
Dat inderdaad de vruchtbaarheid der Dollardpolder-
gronden aanmerkelijk met hunnen ouderdom afneemt, kan uit
den volgenden Staat blijken , die uit de opgaven van ver-
schillende landbouwers is opgemaakt en die, alhoewel de
cijfers gedeelten van eenheden bevatten , die wij , als ge-
legen binnen de grens der fout, geene waarde toeschrij-
ven, wel vertrouwen verdient.
Digitized by Google
284
Gemiddelde opbrengst van dezelfde hoeveelheid
(/rond op een drietal in ouderdom verschil-
lende polders,
opgemaakt in
1850.
IV o mort növ*
iuiiiitu uur
gewassen.
Finserwol-
der polder in
1819 bedijkt.
Het Nieuw-
land in 1701
'bedijkt
De kleigrond
onder de
Meed en , in
1545 bedijkt.
Winter koolzaad .
mudden.
100
mudden.
92.3
mudden.
92.3
Winter gerst . . .
100
846
67.7
100
85.5
71.4
Gemiddeld . . .
100
87.5
77.1
Deze gemiddelde waarden bevestigen de voorgaande
stelling.
In het Nieuwland immers, dat 118 jaar vóór de bedijking
van den Finserwolder polder aan het gebied van het water
is onttrokken , is de vruchtbaarheid, als men daarvoor tot
maatstaf neemt de gemiddelde jaarlijksche opbrengst in dat
, 12.5 „ 0.125 X 100
tijdvak, voor— — ot voor eene eeuw, voor — =0.11
ÏUU 118
afgenomen, terwijl de vermindering van vruchtbaarheid in
eene eeuw , berekend uit eene vergelijking van de opbrengst
van den grond, die onder de Meeden in 1545 is bedijkt,
met het gemiddeld beschot van den Finserwolder polder
22.9 100
ÏOO" X 274 = bedraagt.
In 100 jaar bedraagt die vermindering:
volgens het eerste getal =0.11
tweede „ = 0.08
derhalve gemiddeld = 0.09
Zoo de opgaven volkomen te vertrouwen zijn , volgt er
nog uit, dat de vruchtbaarheid van den grond in de eerste
eeuw na de bedijking meer dan later afneemt, dat zeer
Digitized by Google
285
goed met de ondervinding strookt, daar het wel niet te
betwijfelen valt, of de grond zal altijd zonder bemesting
wel eenige vruchtbaarheid behouden.
Letten wij echter op de enkele uitkomsten, dan kan
men er het gevolg uit trekken, dat de vruchtbaarheid
van de Dollardpolders sterker voor witkorengewassen ,
zoo als gerst en haver, met den ouderdom der gronden
afneemt , dan met het zaad en mogelijk wel met alle peul-
gewassen het geval is. Ook schijnt men er uit te mogen
opmaken , dat door wintergerst de grond met het toene-
men van den ouderdom der polders meer aan vrucht-
baarheid verliest dan door havergewassen.
Wij hebben hiervoor gezien , dat de grond der polders ,
vooral van boven , langzamerhand digter wordt en dit wordt
veroorzaakt door dat de deelen , waaruit de grond bestaat , des
temeer in elkander dringen, en het is zeker, dat daarvan
altijd het standgrijpen van eene kleine verlaging, die lang-
zaam tot aan eene zekere grens vermeerdert, het gevolg is.
Soms daalt echter in de nieuwere polders de grond binnen
een zeer kleinen omtrek zeer schielijk , ongeveer 1 palm
naar beneden; hij wordt hard bij droog, blijft taai bij
vochtig weder, en ter diepte van ongeveer 4 palm, van
boven af gerekend, laat hij geen water door. Dit zoo
zeer gevreesde verschijnsel kenmerkt eenen ziekelijken toe-
stand van den grond, die, naar wij gelooven, alleen eigen
aan de Dollardpolders is, en dien men zucht noemt. Be-
neden die ongeveer 4 palm dikke laag is de klei los en
laat zij gemakkelijk water door, zoo als dit over het alge-
meen met de Dollardklei het geval is. Men zou opper-
vlakkig en onbekend met dit verschijnsel wel eens* van
gevoelen kunnen zijn, dat het herhaald en diep ploegen
een krachtig middel was , om de zucht uit het land te doen
verdwijnen , maar de ondervinding heeft doen zien , dat
wel de zucht in den eersten opslag bleek verdwenen te
zijn, maar dat zij later en wel gewoonlijk in het volgende
jaar in een veel ergeren graad te voorschijn trad. Zelfs
heeft men de overtuiging verkregen , dat braken , vooral
als men den grond veel en diep bij eenen zeer vochtigen
toestand ploegt, voor eene oorzaak der zucht kan ge-
houden worden, en ook daarom heeft de landbouw hier
reeds in de stelsels, die voor den vruchtomloop geko-
Digitized by Google
286
zen worden , over het algemeen de braak laten va-
ren.
Men heeft vroeger wel eens proeven genomen, om door
het tweevoor ploegen , door diep omspitten , door de ge-
heele zuchtige laag heen, den grond zijne vorige losheid
of doordringbaarheid voor het water terug te geven , en
alhoewel men zorg droeg dien arbeid, terwijl de grond
droog was , te verrigten , en schijnbaar wel eerst de zucht
was geweken , trad na een paar jaren het kwaad in eene
ergere mate te voorschijn. Zelfs is niet diep ploegen eene
voorzorg om van de zucht bevrijd te blijven, en daarin
mag wel de reden liggen, waarom thans op de Dollardpol-
ders het ploegijzer veel minder diep door de klei snijdt,
dan voor eene halve eeuw.
Voor het verminderen van den invloed, dien de zucht op
de gewassen uitoefent, kan niets voordeeliger werken dan
strenge winters , zonder sneeuw , en heete drooge zomers ,
en de reden, waardoor zoo ver van elkander liggende
warmtegraden dezelfde gevolgen hebben , is , naar ons
gevoelen , niet moeijelijk aan te wijzen. Tijdens felle vorst
is de lucht droog en het vocht, dat zich in den vorm van
ijs in den grond bevindt, dampt uit en tevens krimpen en
het ijs en de grond in , hoe lager de temperatuur bene-
den het vriespunt daalt; dien ten gevolge splijt de grond,
en wel des te dieper, hoe meer de koude toeneemt. Die
scheuren ontstaan wel het meest, waar de grond het
vochtigst is, en dus in kleigrond, die met zucht be-
hebt is, eer, grooter en dieper dan in gezonde klei.
Ook bij heete zomers scheurt de grond van een en
dieper dan in den winter. Hier zijn de scheuren echter
haar ontstaan in zoo verre aan den verhoogden warmte-
graad verschuldigd , als de lucht daardoor een grooter ver-
mogen verkrijgt, om in denzelfden tijd meer water in
damp vor mi gen toestand in zich op te nemen en tevens
eene veel grootere hoeveelheid, voor dat zij hare verza-
digingsgrens bereikt. Dat men in geen dezer beide ge-
vallen diep mag ploegen, spreekt wel van zelve; men zou
daardoor de scheuren en spleten, die het gevallene regen-
water konden opnemen en naar beneden voeren , wegne-
men, en den nuttigen invloed en van strenge vorst en
van heete drooge zomers op de zucht zou men zoo
Digitized by Google
*
287
niet geheel wegnemen, dan toch belangrijk verminderen.
Daar de diepte, het aantal en de breedte der scheuren
en spleten in deze gevallen door groote zomerhitte, als die
met droogte gepaard gaat, aanzienlijker dan door strenge
koude zijn , is het wel aannemelijk , dat zomerhitte een
gunstiger invloed op zuchtige landen uitoefent dan strenge
vorst , tijdens den winter , en de ondervinding bewijst ,
dat dit wel degelijk het geval is. Zoo men uit deze stel-
lingen verder gevolgen mag trekken, dan heeft men re-
den om aan te nemen , dat natte winters , zonder drooge
vorst, en zomers die zich door regen kenmerken, voor de
zucht nadeelig zijn, en de ondervinding heeft eveneens
doen zien, dat die gevolgtrekkingen zeer juist zijn.
Deze raadselachtige ziekte bepaalt zich niet tot de plaats
waar zij is ontstaan , maar zij schrijdt langzaam voorwaarts,
in den regel dwars door de heerten heen , zonder dat het
diep graven der slooten vermogend is, die ziekte in haren
kruipenden, maar zekeren gang te stuiten. Onder Mtd-
wolde rigt de zucht zich van 't westen naar 't oosten in het
westelijk gedeelte van het Oud-Nieuwland , maar in 't oos-
telijk deel zoo wel als in het Nieuwland kiest zij voor ha-
ren langzamen loop eene tegenovergestelde streek; in de
Beertsterhamrikker Uiterdijken heeft zij eene rigting van
het N. W. naar het Z. O. uitgekozen. Soms ontstaat die
ziekte in de eerstvolgende jaren na de bedijking, nu eens
ziet men eene vierde eeuw en meer verloopen, eer zij zich
vertoont, en altijd heeft zij hetzelfde karakter, denzelfden
nadeeligen invloed op de gewassen. Blijkbaar heeft zij
eene lage ligging of een onvoldoenden waterafvoer van
den grond zelve niet tot oorzaak, want zij ontstaat in
den regel langs de oudste dijken op de hoogste en droog-
ste deelen van eenen polder en breidt zich van daar in
de eene of andere rigting, als eene soms meer, soms
minder breede streep uit, die nimmer cirkelvormig is.
Het water neemt soms zelfs de ziekte weg; men heeft
ondervonden, dat die ziekte in het land, dat daardoor
aangetast was, ophield, zoodra het 's winters hoog met
water bedekt werd, maar dat zij na vijf of zes jaren in
datzelfde land met al de verschijnsels , die haar kenmer-
ken, terug keerde.
Vraagt men naar de oorzaak van het verschijnsel, wij
Digitized by Google
288
moeten hierop antwoorden , dat wij , scherp omschreven ,
die oorzaak niet kunnen aanwijzen. Wij voeren alleen aan,
dat bouwwijzen , die het land uitmergelen , diep of veel
ploegen en vooral in regenachtige tijden , de zucht te
voorschijn doen treden, en dat smalle rondliggende akkers,
die door meet- en watergoten omgeven zijn, de ziekte,
zoo zij eens is ontstaan , zeer doen verergeren. Het ge-
ven van eene vlakke ligging aan de bouwgronden, zoodat
ieder droppel water, die van boven valt, naar beneden
zakt, daar waar zij gevallen is, is als voorbehoedmiddel
tegen de ziekte wel aan te raden.
Niet overal ontstaat echter die voor den landbouwer
zoo -zeer gevreesde ziekte; er is een naauw verband tus-
schen de dikte der kleilaag en tusschen hare vatbaarheid
voor de zucht Wij gelooven niet, dat er voorbeelden be-
kend zijn, dat die ziekte in den kleigrond losbreekt, waar
de kleilaag minder dan zes palmen dikte heeft, maar des
te grootere voorbeschiktheid heeft de kleigrond voor de
zucht, hoe dikker kleilaag er gevonden wordt, en daar in
iederen polder langs den oudsten dijk de kleilaag dikker
dan langs den jongsten dijk is , mag hierin wel de reden
liggen , waarom de zucht in den regel zich het eerst het
digst aan den oudsten dijk van eenigen polder vertoont
De schadelijke invloed, dien de zucht op de gewassen
uitoefent, vermindert echter langzaam. Tast de ziekte
eerst het land aan, dan heeft zij eenen zoodanigen in-
vloed op den groei der gewassen, dat de grond, hoe vrucht-
baar hij ook in zijne bestanddeelen mag zijn, bijna niets
wil voortbrengen. Later wordt de grond langzaam weder
iets beter, maar van het kwaad wordt hij nimmer gene-
zen. Eene eeuw of langer na het ontstaan der zucht,
heeft de ziekte haar kwaadaardig karakter verloren. Dan
zijn de kleilanden wei zuchtig gebleven, zij laten moeijelijk
water door, wel moet men met meet- en waterpoten ofnoc
beter, zoo als later in gebruik is gekomen , door woelgo-
ten, den afvoer van het water bevorderen en altijd den
regten tijd voor het bouwen kiezen , daar de gronden bij
aanhoudende droogte te hard, bij regen te week en slib-
big zijn, om te kunnen worden bearbeid, maar de zoo in
het oog vallende nadeelige invloed op de gewassen wordt
niet meer opgemerkt. Het zijn gronden , die zeer geschikt
Digitized by Google
289
voor den tarwebouw zijn geworden, voor welk gewas de
nieuwe gezonde Dollardpolders niet geëigend zijn.
In het vorenstaande vindt men de hoofdzakelijke ver-
schijnsels, die de zucht kenmerken en de oorzaken, die
haar zoo niet voortbrengen, dan toch verergeren.
Eene duidelijke en bepaalde aanwijzing echter van de
juiste oorzaak of oorzaken der ziekte en van de veran-
deringen , die daardoor in den grond worden te weeg ge-
bragt, kunnen wij, zoo als wij hiervoor reeds hebben ge-
zegd , niet geven. Wij hebben wel eens gedacht of de
bijzondere fijnheid der klei- en andere deeltjes, welke aan
de Dollardklei boven andere kleigronden eigen is, niet
aanleiding geeft tot het digtslempen van den bodem,
wanneer daartoe andere omstandigheden gelegenheid ge-
ven. Maar dit is misschien niet meer dan eene gissing
en welligt onvoldoende, om daaruit deze eigenaardige
ziekte te verklaren. Meer afdoendo natuur- en scheikun-
dige vergelijkende onderzoekingen van den grond, die
uit haren aard zeer omslagtig zijn, zullen er misschien noo-
dig wezen , om naauwkeuriger met de oorzaak , die haar
teweeg brengt , bekend te worden , en wie weet of het
daardoor der wetenschap dan nog zal gelukken, dat raad-
selachtige verschijnsel geheel te ontsluijeren.
Middelen zijn er wei voorgeslagen, niet om de zucht-
ziekte weg te nemen , waartoe men al te veel het gevoel
van onvermogen heeft , maar om haar kwaadaardig karak-
ter, dat zich door een hoogst nadeeligen invloed op den
groei der gewassen kenmerkt, te verminderen. De oudste
en algemeenste handelwijze, om de zucht te verminderen,
bestaat wel daarin, dat men zuchtgoten graaft, die onge-
veer 6 palmen breed, 7 palmen diep en ongeveer 20 ellen
van elkander verwijderd zijn. Deze goten loopen in den
regel evenwijdig met de rigting der akkers, bij uitzonde-
ring snijden zij de akkers regthoekig door, waarmede men
in den laatsten tijd meer is begonnen. De onderste klei
wordt over het land geworpen en met de bovenste klei
vult men die goten weder gedeeltelijk aan. Somtijds maakt
men de goten van onderen naauwer , om ze met stroo of struik-
werk, dat met klei bedekt wordt , te vullen. Men verlegt ze
nu en dan en telkens wordt de klei uit de goten over het
land geworpen. Het graafwerk kost het bunder ƒ 10-00.
19
Digitized by Google
290
In het westelijk deel van de ingedijkte Dollardpolders is
men in de laatste jaren begonnen met zoogenaamde woel-
goten te maken , die veel breeder en dieper dan de zucht-
goten zijn, en ook deze goten worden nu en dan op an-
dere plaatsen gegraven. Waar deze breede woelgoten zijn
aangelegd en gedigt, blijft eene zacht afloopende en opklim-
mende breede laagte, waar de grond zeer los of hol is.
Het water, dat op de hoogere deelen valt, loopt naar die
laagten heen en zakt daar naar beneden. Men komt daar-
door voor, den groei van het bijna niet uit te roeijen kweek-
gras, dat zoo welig langs de water- enmeetgoten ontspruit,
wanneer men op die wijze in den waterafvoer van gron-
den, die zuchtig of sterk met zucht behebt zijn, voorziet
Bij de beschrijving , hoe men niet zeer vruchtbare roodoorn-
gronden, waaronder diepe blaauwachtige klei aanwezig is,
in hoogst vruchtbaar bouwland kan veranderen, hebben
wij hoofdzakelijk het aanleggen van woelgoten genoemd en
deze zijn het ook , die men graaft om de zucht te be-
strijden.
In Midwolde heeft de Heer 8. kuiper de turfdrainering
in gronden, die met de zuchtziekte waren behebt, inge-
voerd, en alhoewel het aan navolging daarvan ontbreekt,
beantwoordt dat middel uitmuntend aan het doel. De turf,
die daarvoor gebruikt wordt, is de zoogenaamde boven
graven of graauwe turf, die hoofdzakelijk uit mos bestaat
Deze turf laat het water gemakkelijk door, dat ook door
de spleten dringt, die de aan elkander liggende turven
tusschen zich laten. Men legt deze turfriolen 8 ellen van
elkander en zoo aan, dat zij een weinig afhellend komen
te liggen; zij loopen door de mennings of lanen heen, om
het water in de slooten te voeren. De breedte bedraagt de
lengte der turven, die hier 4 palmen is. De turven wor-
den ter weerszijden van het riool in de lengte gelegd en
van boven met een turf dwars gedekt , om daarna van
boven met klei te worden aangevuld. Op deze wijze
heeft men geene meent- en watergoten in zijn bouwgrond
noodig, dien men over zijn geheel eene vlakke ligging geeft;
de ploeg bereikt de turfriolen niet , daar zij dieper moeten
gelegd worden , en men heeft het voordeel van meer bouw-
grond te hebben en minder tegen het kweek- en zwartgras te
moeten strijden , die beide in zuchtig land zoo welig tieren.
Digitized by Google
291
Deze wijze van draineren, die niet alleen ter bestrijding
der zucht, maar ook uit een landhuishoudkundig oogpunt
in meer dan een opzigt zoo voordeelig is, is echter kost-
baarder dan het graven van zucht- of woelgoten. Het gra-
ven der goten, de aankoop van den turf, het leggen
daarvan en het daarop volgend vullen der goten komt
op ongeveer 45 of 46 gulden het bunder te staan.
Wij hebben opzigtelijk de beschrijving der zucht en van
de omstandigheden, die haar kunnen verergeren of tegen-
gaan, zeer uitvoerig geweest, omdat deze ziekte juist
alleen eigen is aan de Dollardpolders en alzoo mag ver-
ondersteld worden elders niet dan bij name bekend te zijn ;
wij willen daarom ook nog de kenteekenen , die deze ziekte
aanwijzen , mededeelen. Wij kunnen dit kortelijk doen ,
daar zij duidelijk genoeg en niet van bedriegelijken aard zijn.
Zoo als wij hiervoor reeds gezegd hebben , zakt de grond
ongeveer 1 palm, zoodra de zucht in het land valt, en als
het '8 voorjaars droogt en de gezonde kleigrond eene licht-
grijze kleur aanneemt, blijft de zuchtgrond zwart, door
dat de droogende lucht al het water uit dien grond veel
later tot zich neemt. In het algemeen groeijen er niet
dan schrale gewassen in en bij aanhoudenden regen gaat
de groene kleur der bladen en stengels verloren en ten
gevolge van den kwijnenden toestand worden zij geel.
Wij zouden hier ook kunnen vermelden, welke gewassen
op den kleigrond , die door zucht is aangetast , nog het best
kunnen worden verbouwd en welke er geheel niet willen
tieren , maar het komt ons geleidelijker voor , dat wij hier-
over handelen , wanneer wij onze blikken op den landbouw
van de Dollardpolders vestigen en do volgorde behouden,
die wij hiervoor, bij de beschrijving der verschillende klei-
gronden, hebben in acht genomen.
Op de Dollardklei bij uitnemendheid volgt de roodoorn,
wanneer zij geene kniklaag beneden zich heeft. De verbetering
van dien grond hangt van bemesting af, maar welligt dat
het overbrengen van slijk , die men veel buiten de Statenziji
uit het Schanscherdiep of de Aa graaft, eene meerdere en
duurzamer vruchtbaarheid verzekert (221). Het meest
(221) De Heer j. kui»er, Lid der Provinciale Staten, is, naar wij
gelooven, te Blijham de eerste geweest, die zijne roodoorngronden door
bemesting met slijk belangrijk heeft verbeterd.
Digitized by Google
292
kenmerkende van dezen grond is de overmaat van ijzer-
oxydule en daarin moet hoogstwaarschijnlijk de reden van
zijne onvruchtbaarheid geacht worden. Daar deze stof
echter door veel blootstelling aan de lucht , door bemesting
met asch, maar vooral door branding verandert in het on-
onschadelijke ijzeroxyde, is zeker eene verbetering dezer
roodoorngronden te verkrijgen, door ze -eene drooge lig-
ging te geven, den grond door ploeging als anderzins met
de lucht in aanraking te brengen, of door branding. De
Engelschen roosteren uit dien hoofde de hUi- en leem-
gronden en deze gronden verbeteren daardoor aanmerkelijk.
Is onder de roodoornlaag eene laag van knik aanwezig,
zoo als in de Dollardpolders ten westen van Scheemder
Hamrik het geval is, dan rust deze knik veelal op eene
laag van blaauwachtige klei, die aldaar soms eene diepte
van 6 ellen heeft. Om dien onvruchtbaren bovengrond
hiermede te verbeteren, graaft men, dwars door de akkers,
op een afstand van 20 tot 25 ellen van elkander, goten,
die van boven ongeveer 1.5 el wijd en meer of min 2 el
diep zijn , met het doel om de klei , die onder de kniklaag
gevonden wordt , over het land te werpen en daarop even
dik te verdeelen. De klei, die het diepst ligt, is de
vruchtbaarste, en van daar, dat men deze woelgoten eene
zoo groote diepte geeft. Deze goten worden weder met
de bovenste roodoorn en de knik gedempt. Het graven
dezer goten, het slechten van de daaruit komende klei en
weder dempen van de goten kost ongeveer 6% cent de
kubieke el. Het kan zijn, dat de klei niet tot de diepte
van 2 el reikt ; in dat geval graaft men de goten breeder ,
zoodat de gronden met eene blaauwe kleilaag van 0.7 tot
1.5 palm worden opgehoogd. Niet overal echter wordt
deze blaauwe kleilaag onder de kniklaag aangetroffen;
een, naar veler gevoelen, onbedriegelijk kenteeken van
haar bestaan is het groeijen van riet in de slooten. Heeft
men na het graven eenige jaren vruchten verbouwd, dan
neemt de vruchtbaarheid af en het graven van nieuwe
woelgoten, die onmiddellijk aan de eersten liggen, is we-
derom noodig. Het mag wel zonderling genoemd worden,
dat deze onderste klei, terwijl zij, over de roodoorngron-
den gebragt, eene zoo buitengewone vruchtbaarheid geeft,
evenwel , zonder met roodoorn vermengd te zijn , of op
Digitized by Google
293
zich zelve niet in staat is de gewassen weliger te doen groeijen,
alwaarom zij vroeger zeer geschuwd werd en aanleiding
gaf tot een vooroordeel tegen haar gebruik, hetwelk door
de ervaring eerst heeft moeten overwonnen worden.
Gronden, die geheel voor den grasbouw worden gehou-
den, vindt men bij uitzondering en zeer schaars in de
ingedijkte Dollardpolders. Waar men ze aantreft, zijn het
in verhouding tot het geheel onbeduidende stukken, die,
aan de dorpen gelegen, nu eens worden beweid, dan
weder gemaaid en gehooid.
In den regel worden de gronden
1) bij afwisseling groen gehouden, om daarna eenige
jaren te worden bebouwd, of
2) bij eenen geregelden vruchtomloop steeds onder den
ploeg genomen.
Het eerste bouwstelsel is wel algemeen in de oudste
Dollardpolders ingevoerd , maar vermindert , hoe meer men
de jongste polders nadert, terwijl men in de later bedijkte
gronden bijna uitsluitend het tweede bouwstelsel toepast.
In het eerste bouwstelsel zijn zeer verschillende vrucht-
omloopen opgenomen, die moeijelijk alle te beschrijven
zijn, daar de gronden er van zeer verschillenden aard zijn
en de behoeften der landbouwers, die bijna altijd tevens
zand- of zand- en veengronden bezitten , zoodat enkele hun
bedrijf alleen op kleigronden uitoefenen, zoo ver uiteenloopen ,
dat daaruit de noodzakelijkheid ontstaat , om den vrucht-
omloop naar den aard van hun bedrijf te regelen. In de
nieuwe polders is de toestand van den grond meer gelijk
en heeft men meer naar vaste regelen, die de ondervin-
ding heeft voorgeschreven, kunnen handelen.
Men* heeft daar, waar de kleigronden in de later be-
dijkte polders zijn gelegen, bouwstelsels van drie-, vier-,
vijf-, zes-, zeven- en negenvoudigen vruchtomloop, die
meer of minder in gebruik zijn en waarvan sommige reeds
spoedig tot de geschiedenis zullen behooren. De drie-,
vier- , vijf- en negenjarige omloopen , zoo als die hier
voorkomen, hebben de braak niet noodig, die in de zes-
en zevenjarige nog is opgenomen, en in dat opzigt mag
men de beide laatsten reeds van te voren als niet zeer voor-
deelig beschouwen.
Digitized by Google
294
1. In den driejarigen omloop heeft men :
1. boonen bij rijen om de 5de of 6de vore,
2. koolzaad,
3. wintergerst.
2. In den vierjarigen omloop :
1. boonen bij rijen om de 5de of 6de vore ,
2. koolzaad ,
3. wintergerst,
4. haver of zomergerst.
3. In den vijfjarigen omloop:
1. boonen bij rijen om de 5de of 6de vore,
2. koolzaad,
3. wintergerst, of, als 't vervriest, maartegerst,
4. klaver,
5. haver.
4. In den zesjarigen omloop :
1. braak of zomervalgen ,
2. koolzaad ,
3. wintergerst,
4. haver of maartegerst.
5. tarwe,
6. boonen over 't veld.
5. In den zevenjarigen omloop :
.1. braak of zomervalgen,
2. koolzaad,
3. wintergerst,
4. haver of maartegerst,
5. tarwe,
6. boonen over 't veld ,
7. tarwe.
6. In den negenjarigen omloop:
1. boonen bij rijen om de 5de of 6de vore,
2. koolzaad,
3. wintergerst,
4. roode klaver,
5. wintergerst, maartegerst of haver,
6. boonen bij rijen om de 5de of 6de vore ,
7. koolzaad ,
8. wintergerst ,
9. roodc klaver.
Digitized by Google
295
De eerste en tweede omloop is hoofdzakelijk in het bouw-
stelsel van den Oostwolder , meer nog op den Finscrwolder
polder opgenomen , en daar is de vierjarige omloop voor-
deeliger , dan de driejarige , bevonden , daar de ondervin-
ding toch heeft geleerd , dat men bij den vierjarigen om-
loop gemiddeld 4 mudden koolzaad van het bunder meer
inoogst , dan bij den omloop van driejaren; en dit mag
wel zijn oorzaak daarin hebben , dat de grond bij den
driejarigen omloop te los en te kruimelachtig wordt , om voor
den zaadbouw geschikt te zijn. Het is dus niet te ver-
wonderen , dat de driejarige omloop niet meer gevolgd
wordt, dan door hen, die zich slechts met moeite van
oude en gevestigde gewoonten weten los te maken. Men
vindt in die vruchtomloopen geene voedergewassen; daar
uit volgt, dat men die beide omloopen toepasselijk kan
noemen, waar men geen vee houdt. Echter moet men
toch altijd voor een gedeelte van deze omloopen afwijken ,
om gras- of klaverlanden voor de paarden te kunnen
hebben, die toch niet gemist kunnen worden.
De derde omloop vindt in Beerster Hamrik, op den
Stads- en Kroonpolder wel zijne toepassing. Daar wordt
de grond voor l / 3 met roode klaver bezet, en dit is zeker
zeer doelmatig , waar vee wordt gehouden. De grond blijft
er deugdzaam bij en men kan liet onkruid zoodoende wel
uit den akker weren.
De vierde en vijfde omloopen , die vroeger in het bouw-
stelsel van de Midwolder polders waren opgenomen , wor-
den weinig meer gevolgd, sedert men heeft leeren inzien,
dat braak de deugd der kleigronden benadeelde en de
opbrengst met % of / 7 gedeelte verminderde.
De zesde omloop is in de laatste jaren door den Heer
p. u. bürema van Midwolde in gebruik gebragt. Die is
voor alle Dollardpolders, als de grond niet uit roodoorn
bestaat, geschikt, doordien hij vooral de gronden niet
uitput en het land niet door zaad- of wortelonkruiden
vervuilt Echter is het toch noodig, zoo men dezen
vruchtomloop voor eenen anderen wil invoeren, dat het
land vooraf door braak van het onkruid worde gezuiverd.
Zoo als men ziet , is deze vruchtomloop ruim met roode
klaver voorzien , die door hare diepgaande wortels niet
alleen vruchtbare zelfstandigheden van beneden naar boven
Digitized by Google
296
trekt en die, bij het vergaan dier wortels, verder naar
boven in den grond weder afzet, maar ook maken die
diepe wortels den grond los, en het water dringt er ge-
makkelijk in door. Kan de landbouwer zonder benadee-
ling van het vee nu en dan eene snede klaver op het land
laten verrotten , dan kan men alleen tweemaal achter
elkander wit koren verbouwen , b. v. door maartegerst aan
win tergerst te doen voorafgaan , wat buiten deze soort van
bemesting niet verkieslijk is. Slaat het een of ander gewas
af, dan is het noodig , dat men zoo spoedig mogelijk in den
regelmatigen omloop zoekt terug te keeren (222). Vervriest
het koolzaad, waarop men nu en dan wel mag rekenen,
dan zaait men maartegerst en men komt in de 4de of 9de
vrucht met roode klaver weder in den vruchtomloop terug.
Daar wintergerst op de Dollardkleigronden niet na haver
wil groeijen, wacht men zich vooral om bij het vervriezen
van het koolzaad haver uit te zaaijen. De roode klaver
slaat ook meer af, dan den landbouwer lief is, en hetzij
deze klaver de 4de of 9de vrucht is, het best is het, om
in den regelmatigen omloop terug te komen , dat men eerst
boonen bij rijen om de 3de vore , dan gerst zaait , om daarna
weder met de eerste vrucht van den omloop, met boonen
bij rijen om de 5de of 6de vore , te beginnen.
Daar deze vruchtomloop voor het % uit voedergewas-
sen , uit roode klaver bestaat , is hij uitmuntend geschikt ,
om er de stalvoedering mede te vereenigen, die in som-
mige opzigten voordeelig voor de landhuishouding is.
Er zijn meerdere vruchtomloopen in gebruik, maar wij
zouden te ver moeten uitweiden, om ze allen te beschrij-
ven. Het is ook wel mogelijk , dat men op den duur an-
dere vruchtomloopen zal toepassen, die den grond even
duurzaam goed kunnen houden , maar zal die deugd niet
verminderen, dan moet men op de Dollardpolders steeds
zorgen, dat het aantal witkor en vruchten het aantal peul-
vruchten niet overtrefte, daar de ondervinding onbetwist-
baar geleerd heeft, dat dan het onkruid te veel toeneemt,
om duurzaam op goede gewassen te mogen hopen.
(222) Mislukken wordt dikwijls in betrekking tot den oogst genomen ;
afslaan wanneer het gewas zoo slecht is, dat men ombouwt.
Digitized by Google
207
Wat de bemesting der kleigronden aanbelangt, er wordt
daar zeer ongelijk over geoordeeld. De bewering schijnt
niet ongerijmd te zijn, dat eene bemesting van het bouw-
land, wanneer men de mest dadelijk onderploegt, wel veel
er aan toebrengt , om het bouwland zuchtig te maken. De
mest toch is waterhoudend en de kleigrond blijft er voch-
tiger door, dan zonder bemesting. Wijgelooven, dat, zoo
zulks den Dollardkleigronden nut zal aanbrengen , het noo-
dig is , dat des najaars de stoppels worden bemest ; dan is
des voorjaars die mest zoo verteerd , dat er op het land
geen spoor meer van is terug te vinden. Dwalen zou men
echter, zoo men van eene najaarsbemesting van de klaver
eenig voordeel verwachtte, daar de ondervinding heeft doen
zien, dat de klaver dan veelal sterft. Daar, waar op de
Dollardpolders de wisselbouwerij in gebruik is , heeft men
geleerd , dat eene tweejarige bemesting van groenland den
grond meer vruchtbaarheid bij het bouwen schenkt, dan
door een vijf- of zesjarig weiden kan worden verkregen.
In het algemeen is het zeker, dat op iedere soort van grond
bij den wisselbouw het bemesten van groenland verre weg
de voorkeur verdient, boven eene bemesting van het bouw-
land zelve.
Op de roodoorngronden kan men niet wel verbouwen
zomer- en maartegerst; paardeboonen, roode klaver, aard-
appelen en knollen gelukken in het geheel niet; maar
tarwe, brabandsche rogge en witte klaver willen er goed
op voort ; koolzaad en haver groeijen er bij uitnemendheid ,
en in dit opzigt verschillen die gronden wel van de milde
kleigronden der laatst ingedijkte polders, die voor tarwe
en witte klaver minder geschikt schijnen te zijn. De graauwe
erwten — en dit is wel opmerkelijk — zijn, op de laatst
ingedijkte polders verbouwd , des voorjaars nog los en
meelachtig , zoo als men dit noemt , als zij gekookt
zijn , terwijl zij van de roodoorn- , zoo wel als van zand-
gronden, dikwijls zeer spoedig hard en bijna oneetbaar
worden.
De tarwe, op roodoorngronden verbouwd, hoewel zij
geler is, kan zelfs, wat hare kwaliteit betreft, als zij da-
delijk na den oogst gedorschen wordt, als baktarwe gelijk
gesteld worden met jarige tarwe, die de klei oplevert, en
het koolzaad van de roodoorngronden, dat wel eene min
Digitized by Google
298
of meer roode kleur behoudt en nimmer de gitzwarte kleur
van het zaad der kleigronden aanneemt, geeft gemiddeld
wat olie per last meer, dan het zaad, dat de kleipolders
oplevert. Het laatste zaad geeft echter meer koek dan het
eerste, wat wel zeer natuurlijk is.
Over het algemeen worden de roodoorngronden bemest
en dan verzekeren zij een beteren oogst; daar, waar zij
langs de grens van den ouden Dollard liggen en eene
roode aarde hebben, die met darg vermengd is, worden
zij soms 4 of 5 jaar geweid , om uit de zode een paar ha-
vervruchten te geven.
Wat de roodoorngronden betreft, die eene kniklaag on-
der zich hebben, voor den landbouw schijnen zij geene
hooge waarde te hebben, ten zij er de blaauwe, uiterst
vruchtbare klei onder gevonden wordt, die men dan over
het land verspreidt, waardoor het land een welige plan-
tengroei en eene opbrengst wordt gegeven, die de
Finserwolder polder niet kan opleveren. Men heeft er
toch vier keer achtereen koolzaad verbouwd, dat in den
jongsten Dollardpolder niet zal gelukken; terwijl er tevens
alle gewassen, zoo als gerst, zaad, rogge, haver, tarwe,
erwten , boonen , roode klaver en boerekool (moes) even
goed gelukken, wat op de beste poldergronden in geenen
deele het geval is. Is die blaauwe kleilaag niet te vinden ,
dan zijn de vruchten in den regel schraal en de gewassen
tieren niet anders dan bij sterke bemesting; voor beweiding
en hooiwinning zijn zij echter beter geschikt
Is het kleiland door zucht aangetast, dan wil er geen
enkel gewas zoo welig groeijen als op gezonde klei, en
wil men, opklimmende van de gewassen, die er het minst
tot die er het best groeijen , een overzigt daarvan geven ,
dan kan men de vruchten in deze volgorde plaatsen :
maartegerst, wintergerst, haver, tarwe, koolzaad, boonen,
roode klaver.
Hieruit blijkt overtuigend, dat de kleigronden, welke
met zucht behebt zijn, veel beter peul-, dan witkoren-
vruchten opleveren, dat onder de eerste de roode klaver,
onder de laatste de tarwe nog het voordeeligst is. Zelfe
groeit de klaver tijdens droogte in het begin op kleigrond,
die zuchtig is, weliger, dan op grond, die gezond is;
maar toch blijft zij bij verderen groei kleiner en komt niet
Digitized by Google
299
tot de hoogte, die zij op den laatsten grond kan bereiken.
De opbrengst van alle gewassen staat op zuchtigen grond
beneden het beschot, dat men van de gezonde kleigronden
kan verwachten, zelfs als men in het stroogewas op het
oog dat verschil niet kan bespeuren , zoo als tijdens drooge
voorjaars en zomers wel eens het geval is.
De Dollardkleigronden hebben, wat de schadelijkste
onkruiden betreft , slechts één met de zandgronden gemeen ,
namelijk het Kweekgras (Agropyrum repens) , dit , het Hoef-
blad (Tussilago Farfara) en Onnyt (Equisetum palustre)
met de leem- en diluviale kleigronden. Riet (Pliragmites
communis) groeit er even welig, als in de uitgeveende
plassen. Gele en witte Kiek (Sinapis arvensü en Thlaspi
arvensé), vilde Haver (Avena fatua) en zwart Gras (Al-
opecurus agrestis), alhoewel ook elders gevonden wor-
dende, zijn algemeene onkruiden der Dollardgronden.
Onder deze onkruiden kan men rekenen, dat de groei-
plaats van zwart Gras hoofdzakelijk de zuchtige klei-
grond is; op de milde en losse Dollardgronden gedijdt
het zwarte Gras niet welig. Deze onkruiden worden niet
op al de Dollardpolders aangetroffen; maar met den ou-
derdom der polders verminderen of vermeerderen sommige
dezer schadelijke planten.
De roode Remke (Fumaria officinalis) wordt in den Fin-
serwolder polder veelvuldig gezien, maar vermindert met
den ouderdom der polders en wordt niet meer of uiterst
schaars waargenomen in de polders, die het eerst be-
dijkt zijn.
De gele Kiek , die hier en daar de eerst bedijkte polders
zoo onuitroeibaar heeft ingenomen, neemt af, hoe jonger
de polders zijn, en in den Finserwolderpolder wordt zij
mogelijk wel niet gevonden. Overigens zijn in de nieuwste
polders wilde Haver en zwart Gras de voornaamste en las-
tigste onkruiden.
Is het land met onkruid van de eene of andere soort
bezet, dat zich bij eene doelmatige vruchtwisseling, zoo
als vooral met de negenjarige het geval is, nimmer zal
voordoen, dan is het hoogst noodig , dat men krachtige
middelen aanwende, om dat onkruid te doen verdwijnen.
Is de grond door Kweek bezet, dan is het noodig, dat
men zomervalgt en tijdens den zomer bij droog weder
Digitized by Google
300
vijf- of zesmaal ploegt , om 's najaars koolzaad te zaaijerr.
Legt men het land op ronde akkers, dan vloeit het water
zijdelings naar de meetgoten af, waardoor eene digtslem-
ping van den grond bevorderd wordt, en het is zeker,
dat het Kweekgras daar eene welige groeiplaats vindt.
Vlakke akkers zijn ter voorkoming van dat gras daarom
zeer verkieslijk. Het zoogenaamde woelen der gronden,
dat vooral uit het oogpunt van het droogleggen der ak-
kers , zeer belangrijk is , geeft tevens het voordeel , dat de
groei van het Kweekgras er aanmerkelijk door wordt be-
lemmerd.
Om het Hoefblad, dat te veel uitgemergeld land, als
het niet met de zucht aangedaan is, bij voorkeur bezoekt,
te doen verdwijnen , heeft men wel eens voorgesteld , om
de plaats, waar het groeit, twee jaar lang, diep met stroo
te beleggen, en inderdaad de ondervinding heeft doen zien,
dat dan het Hoefblad sterft. De lucht toch wordt van de
planten afgesloten, het licht ontbreekt, en zonder lucht en
licht ontvliedt de levenskracht aan de planten. Dit middel ,
hoe wel het ook aan het doel beantwoordt , is onaanwend-
baar, zoo het Hoefblad een stuk land van eenige uitge-
strektheid heeft bezet Dan kan men het dooden, door
na het zomervalgen geen koolzaad te bouwen, maar
nog een paar maal te ploegen , en in het volgend voorjaar
haver te zaaijen. Is het land nu eenigzins uitgemergeld,
waarvan Hoefblad wel een aanwijzend teeken is, dan kan
men boonen bij rijen om de derde vore , daarna gerst ver-
bouwen, om met boonen om de zesde vore in de hier
voor genoemde, een-, twee-, drie- of zesjarige omloop-
stelsels terug te komen.
De wilde Haver, die een zomergewas is, tiert het we-
ligst, als het 's winters fel heeft gevroren; dan toch is
voorjaars de grond mul en los en dit bevordert den groei
van dat schadelijk onkruid. Ook schijnt het, dat het ver-
bouwen van haver den groei van wilde Haver begunstigt
Men kan dit onkruid verminderen, door late zomergewas-
sen te zaaijen op land, dat men bultig heeft laten liggen.
Tegen zomervalgen is het niet bestand, maar daarvoor
verdwijnt het.
De gele Kiek is een onkruid, dat buitengewoon moeijelijk
te verdrijven is; het zaad, dat betrekkelijk rijk aan vette
Digitized by Google
301
olie is , behoudt , naar 't schijnt , lange jaren zijn ontkie-
mingsvermogen. Men heeft op gronden , die er sterk mede
bezet waren , wel eens de proef genomen , om 4 of 5 jaren
achter elkander aveelzaad te verbouwen, en de ondervin-
ding heeft doen zien, dat dit verderfelijk onkruid, zoo het
niet geheel verdween, dan toch belangrijk verminderde.
Immers het aveelzaad is vroeger rijp , dan het zaad der
gele Kiek; er wordt dus geen nieuw zaad gevormd en
het oude , dat in den grond aanwezig was , vermindert door
den jaarlijkschen opslag. Land , dat met dit onkruid bezet
is geweest en waar men het door het een of ander middel
heeft uitgeroeid , zal lange jaren daarna weer op de akkers
langs de sloten een digt gewas daarvan opleveren , zoo
men bij het graven der sloten de aarde, die daardoor
wordt verkregen , op die gedeelten der akkers werpt.
Het Onnyt is een boosaardig onkruid, dat voor het vee
vergiftige eigenschappen heeft. Het wordt alleen in de
oudste Dollardpolders aangetroffen, in de nieuwste polders
vindt men het schaars. Het is een onkruid, dat het wei-
land uiterst veel schaadt, in bouwland is het minder te
vreezen.
Het Riet wordt in de oudste polders veel meer dan in
de nieuwere gevonden, waar het bijna niet wordt aange-
troffen. Hoofdzakelijk worden de wortels er van bij het
graven der slooten op de zijdakkers geworpen en daar
tiert het welig. Het is zeer nadeelig voor den groei der
gewassen en moeijelijk te verdrijven, daar het afmaaijen
de wortels niet doodt, die even welig weder uitspruiten.
Blijft het land echter groen liggen en wordt het beweidt,
dan sterven de Rietplanten zoowel als de wortels. Het vee
toch trekt de bovenscheuten uit; er blijven buizen, die
door de buitenbladen worden gevormd, over; die buizen
worden bij dauw en regen door water gevuld en men zegt,
dat hierdoor zoowel de planten als de wortels sterven.
De gewone Stiekel (Cirsium arvense), zoo als deze
distel bij ons algemeen genoemd wordt, is een onkruid,
eigen aan de kleilanden, vooral tijdens het eerste jaar,
dat het bouwland groen blijft liggen. Het uittrekken de-
zer planten, voor dat de bloeitijd is geëindigd, of het af-
maaijen is zeker een best middel, om dat onkruid uit te
roeijen, en men heeft het voordeel, dat het hooi, dat die
Digitized by Google
302
planten tijdens zij jong zijn oplevert, door de paarden met
graagte wordt genuttigd , die het hooi van oude Stiekels niet
smakelijk vinden. Veelal bekreunt echter de landbouwer
zich in dit opzigt al te weinig omtrent zijn grasland en
niet zelden vormen zijne graskampen een' waar stiekel- of
distelbosch.
In het houtgewas treden hoofdzakelijk twee boomen ,
die het zand graag bezetten, van de klei terug, en welde
Eik en de Berk; zij schijnen er beiden, ook met de meeste
zorg voor hunnen groei , niet te kunnen leven. De Populier-
soorten en vooral de uritte, de Abeel, evenals het IJpen-
hout, tieren er zeer welig. De Esch, Els en Wilg groei-
jen er vrij wel, maar de Den bevindt er zich niet op
zijne plaats.
Onder de vogelen wordt er de Nachtegaal gemist; de
insecten, die deze zangerige vogel behoeft, schijnen er niet
gevonden te worden.
Hazen zijn er in den regel veel, maar zij zijn lichter
van kleur, dan op de heide, en minder smakelijk, door
dat het voedsel , hoofdzakelijk uit koolzaad- en moesblade-
ren bestaande, een eigenaardigen smaak aan het vleesch
geeft.
Vossen dolen er veel rond, maar het hapert hun aan ho-
len in den grond , om er een duurzaam verblijf te kunnen
houden.
Veldmuizen zijn er dikwijls veel talrijker, dan op zand-
grond en het nadeel, dat de bouwakkers en het grasland
van dit ongedierte lijdt, is dikwijls aanzienlijk.
In de nieuwste polders worden geene Kikvorschen ge-
vonden; de Finserwolderpolder , die in 1819 is bedijkt,
heeft thans bij uitzondering enkelen, die daar bij toeval
verdoold zijn geraakt. In de oudste polders zijn zij talrijk
en wat hun geluid ook verraadt, grooter en zwaarder dan
in de poelen en plassen van de zandgronden.
Hagedissen, Watersalamanders (223), Slangen en Addtrs,
de bewoners der veenen , worden op de alluviale Dollardklei
niet gevonden, alhoewel het eerstgenoemde tweeslachtige
(232) Watersalamanders hebben wij iii deze provincie alleen te Stads-
kanaal aangetroffen; de oostelijke Wcsterwoldschc veenen schijnen dat
dier te missen.
Digitized by Google
303
dier nog op de diluviale zandheuvels soms aan de grens
der alluviale klei voorkomt In de nieuwste polders, zoo
als in den Finserwolderpolder, treft men nog geene andere
visch dan Aal aan, en deze is er nog schaars. De binnen-
bermsloot heeft nog Krabben , Konings en Stommels (bl. 245).
De oudste polders hebben in hunne wateringen veel soor-
ten van visch ; de Kruis- en Blaauwkarper , de Meunen , Grond-
jes en Zeelt, die men hier Slei noemt, zal men er in het
geheel niet of schaars in vinden; over het algemeen is de
visch er minder smakelijk, maar de Aal er veel vetter,
dan in het stroomend water der zandgronden.
Het put-, bron- of welwater is in geen der Dollardpol-
ders drinkbaar voor menschen; de bewoners dier streken
gebruiken niets anders dan regenxoaler, dat zij zelfs veelal
de voorkeur geven boven het putwater der zandgronden.
Digitized by Google
BIJLAGEN.
No. L
Overeenkomst van eenige Reiderlander en Oldambtster Hovelingen
nopens de grensscheiding, wateren, zijlen en dijken
van deze beide Landschappen.
1391.
In nomina Dei Amen. Anno nativitatis eiusdem M.CCC.XCI.,
Indictionis tredecime, mensis Iuny die vicesima prima, hora
vesperarum vel quasi, Pontificatus sanctissimi in Christo Patris
ac Domini nostri, Domini Martini, Divina providentia Pape
quinti, anno suo tertio, in mei Notarii publici, testiumque inf'ra
scriptorum ac specialiter vocatorum rogatorumque presentia,
personaliter comparucrunt quam plures nobiles et discreti viri,
nee non illustres Capitanei territoriorum Rederlancium et Old-
ampte , produxerunt et presentaverunt coram me unam rullam
vel litteram antiquam amborum territoriorum valde utilem et ne-
cessariam , competenter et bene sigillatam , et utiliter et magistra-
liter cum dictura munitam. Aliud etiam petierunt a me fieri
unnm instrumentum ne de cctero ab eorum successoribu3 inter
eos fieret altricatio et confusio de divisione prediorum ad unura-
quemque per rivulorum aquarum meatus ac situs eorundem.
Ne vero nature humane fragilitas, temporiaque continue currentis
posteris afiuturis obliviosam induceret confusionem, pariterque
et errorem, dicta et facta solent quandoque scripturarum testi-
monio autentico ad perpetuam rei memoriam perhennari, ut
eadem necessitas desiderat pro fluxu temporis continue presen-
tentur (*). Ac ille tenor , nulle sine contrario , de verbo ad ver-
(*) Voor presententur denkt driessen , dat waarschijnlijk zal moeten
gelezen worden currentis; evenwel blijft de zin hier en daar wat duister.
Het woord nulle , in denzclfden regel , zal misschien moeten zijn rulle ,
hetzelfde als boven in den negenden regel.
Digitized by Google
305
bum, de principio ad finem, sequitur et est talis, in perpetuum
servandum sine contradictione et revocatione :
Wy egge addinge in Westerwolde , frala bomeka 'mBunda,
wyneko in Ockeweer, campo in Berum , liwert ha yens in
Berda, in Terra Redens Capitales; tammo gockinga in Suid-
broeck, düyrt sibinga, hemmo üuinynga, sebo ennens in
Scheemda , tyacko tyddinga in Exta , in Terra Oldampte ,
Capitales, ut ulterius lucidius patebit intuentibus ac lègentibus.
Acta et facta sunt hec , Anno , Indictione , mensis hora et Pon-
tificatus quibus supra, testibus ad preraissa vocatis et rogatis(*):
(*) Wij geven hier de volgende vertaling van deze latjjnsche notariële
verklaring voor dit stuk , luidende die voor het volgende stuk van 1 420 ,
met eenige verandering en verkorting , bijna cvenzoo.
„In naam van God Amen. In het jaar zijner geboorte 1391, van de
„13de Indictie , den 21 Junij, in of omtrent de vesper , het 3de jaar van de
„in Christus allerheiligste regering van onzen Vader en Heer, den Heer
„ martinus , als Paus door do Goddelijke voorzienigheid, de vijfde, zyn
„voor mij openbaren Notaris en ondergeteekende , bijzonderlijk daartoe
„geroepene en gevraagde getuigen, persoonlijk verschenen verscheidene
„ edele en eerzame mannen , als ook voorname Iloofdlingen van Reider-
n tand en Oldambt, en hebben mij overgelegd en vertoond een rol of
„ouden brief van beider landen grondgebied, die zeer nuttig en noodig
„is, goed en wel verzegeld en behoorlijk met eene verklaring voorzien.
„ Zy* hebben voorts mij verzocht een ander stuk te vervaardigen , opdat
„bovendien onder hunne opvolgers geene twist en verwarring mogt ont-
staan over de scheiding van de landerijen, aan elk hunner toebehoo-
„ rende, door den loop en staat der waterleidingen. Opdat toch de broos-
„heid der mcnschelijke natuur en van den immer voortgaanden tijd bij
„de nazaten door vergetelheid geene verwarring noch dwaling aanbrenge,
„is men wel gewoon woorden en daden door een echt schriftelijk bewy's ter
„ceuwigcr geheugenis duurzaam te maken, zooals dezelfde noodzakelyk-
„heid vordert naar den loop van den immer voortsnellenden tijd. En de
„ inhoud daarvan is van woord tot woord , van het begin tot het einde als
„volgt, om ten allen tijde te worden nageleefd, zonder tegenspraak en
„weerzeggen:
„Wij egge addingb in Westerwolde , frala noMEKA te Bunda, wij-
„ hbko teOcketoeer, campo te Berum, liwert iiayens taBcrda, Hoofd-
„lingen in Reiderland; tammo oockinqa te Suidbroeck, duyrt siniNOA,
„ HEMMO HUINYNGA , SEBO ENNENS te Scheemda , TYACKO TIJDDINGA tC
„ Exta , Hoofdlingen in het landschap Oldambt , gelijk verder nader zal
„blyken aan allen, die deze zullen zien en lezen. Gedaan in het jaar ,
„ de Indictie , de maand en het uur van de Pauselijke regering als boven ,
„ onder getuigen tot het voorzeidc geroepen en gevraagd : n
De aan het slot van hef stuk voorkomende latijnsche regelen behelzen
niets anders dan de ondertcekening van den hier genoemden notaria
BARTOLDITS BAERLTNOIPS.
20
Digitized by Google
306
Dit is dat begrijp liederlandes ende Oldamptes by Wolden ende
by scheydinge beyder Landen voorscr. ende der Stichten, als
Osenbrugge ende Munster, mit thyamen, rivieren ende zypen, daer
toe lopende uyt beyden Landen , stedes ende vast tot ewigen
dagen te holden, so als de geniaecket sint in voortyden, om
nutticheyt ende noot der Landen voorschr. ende hier nae be-
schreven staen.
1. In den eersten, om watersnoot in den Olden ampte, so
sal men toeslaen die Finser Ee op Sinte Peters avent in der
vasten, ende sal weder opgedaen worden op alle Godes Hilli-
gen avent, in alsulcke manieren als voorschr. is.
2. Item die Zype is een rechte scheydinge beyder Landen
ende Stichten voorschr. tusschen der Ext, Schemde; ende dat
Convent der Hüligen Lee salmcn toeslaen te dreen steden op
sinte Peters avent ad Cathedram, ende weder opdoen op sinte
Michaels avent, ende sal uytwateren door den Zyl, die door
den Santwech gaet, ende voort in Adden sloot ende voort in
den Zytwendinge ; ende dese voorschr. Zyl sal wesen twee voe-
ten wyt ende twee voeten hooge in den loop van water.
3. Die Exter ende Schemeder bueren ende dat Convent ter
Heyliger Lee sullen den Zyl gelyck staende holden, want zy uit
der Zypen daer gelyck doorwateren , ende des Convents Iant
daer besonderlinge doorwatert uyt den nyen off Monickesloot ende
ander rivieren des Convents ende buerschappen voorschreven.
4. Die Santwech sullen holden die Exter bueren , hent aan die
Zytwendinge, wantet een principael wech is uyt der Ext, ende
voortaen dat Convent ter Heliger Lee met den voorwareken ende
bueren in Westerlee.
5. Item Heer eppo, Provcst in der tyt ter Heyliger Lee,
ende Heer ziardüs, kerekheer in Westerlee, van des Conventes
ende der voorwareken ende Westerlescher bueren wegen , hebben
verworven van den gantschen Landen van Oldampt by Wolde,
ende vol daer voor gedaen, dat oir water tot ewigen dagen
door dat Oldambt mede mach uytwateren ende lopen in oer
watertochten in de Ee, ende voortaen uyt door die Zylen ter
Munten.
6. Item op dit voorschr. verdrach heeft dat Convent ter
Heliger Lee den nyen sloot van dat Convent dale graven laten
door des Convents lant, an beyden zyden ten water, ende door
den Zyl, die door den Zantwech lecht, ende so voortaen door
Adden sloot uyt ter Munte , als voorsch. is , ende desen nyen sloot
ofte Monicke sloot (so geheten) sal dat Convent oock toeslaen
op sinte Peters avent voorschr., ende weder opdoen op sinte
Michaels avent.
7. Item de Zytwendinge, gelegen htiyten den Zantwech aen
Digitized by Google
307
Adden sloot, is oock de rechte lant off Hammerick scheydinge
der voorschreven Landen ende Stichten; ende die Westerleester
sullen die voorschr. Zytwendinge staende holden buyten der Lande
schaden.
8. Item Thyartsa Zyl ende Ubbinga Zyl, die beyde gelegen
sint in der Exter Hammericke door den Eedyck, die sullen elck
vyff voeten wyt wesen van waterloope; die sullen die Exter
bueren staende holden.
9. Ende dagelycx salmen den Eedyck heel toe holden al om
in den Swage, buyten der ganscher Lande schade.
10. Also wal sullen de Scheminge, Midwolde, Oostwolde bue-
ren den Folckerdewal toeslaen ende holden buyten des gantschen
Landes schaden.
11. Ende al man syn Zylen toe holden soo vast ende soo
starck, dat den gantschen Lande geen schade en schie.
12. Item de Letze off die Zyp, oock alsoo geheten, gelegen
tusschen die Westerlee ende de Medum, dat oock de rechte
Hammericke ende lantscheydinge is der Westerleester ende Met-
mans ende beyde Stichten ende Landen, sal oock toegeslagen
wesen op die voorschr. Petri avent, ende weder opdoen op
sinte Michaels avent, ende uytwateren in de Zytwendinge ende
voort door die hemmericke toe den Zyl Ter Munte.
13. Ende de hooge dam, tusschen Westerlee ende Meden,
sal oock toeslagen wesen ende soo starck toe holden , dat daer
geen schade van en kome.
14. Item Renehe groepe, alsoo geheeten, by Meermanne kerck-
hove, sal stelicke toegeslagen wesen, tusschen sinte Peters
dage ende sinte Martens dage.
15. Item al dat moer op de Meden , ende al dat moer , dat
om dat Convent ter Heyliger Lee lecht , dat sal beslagen we-
sen, dat den ganschen Lande geen schade en geschie.
16. Item dat Revier off Zypen, gelegen tusschen Meden ende
Muntendam, sal oock toegeslagen wesen ende opgedaen wesen,
gelyck de anderen voorschreven.
17. Ende de hoge dam. oock aldaer in sync volle macht
to holden buyten des Landes schaden.
18. Item al dat moer om Muntendam, ende alle watertoch-
ten tusschen Muntendam ende Broehe, die van oldes niet en
plegen to wesen, salmen al te samen toeslaen, dat den Lan-
den geen schade en geschie.
19. Item Hilliho groepe sal oock toeslagen wesen, als die
anderen rivieren voorschreven.
20. In de Burge toe Nortbróke al man syn also vaste toe
holden, dat den gantschen Landen daer geen schaden van en
schie.
Digitized by Google
308
21. Item de Thyamme begint uyt Tydwyneda borch in de Wy-
neda ham , ende loopt op , voorbey Rederwolda , ende voort door
Meggeham, ende door Torptsen, voor by sinte Nicolaus kercke
in Oostfinserwolde west in, voorby Finsterwolda , Oostwolda,
Midwolda, tasschen Bertsather ende Wintschoter mit haren par-
ten, die aen der zuyder zyt der Thyammen liggen gelandet, ende
streeket voort, over dat moer, recht westwert in de Zype, die
gelegen is tusschen Schemeder, Extinger ende dat Convent te
Heliger Lee, ende voort aen dat smalle steenhuys in der Op Ext,
geheten Nemeke Eppens Steenhuys , went an den Zantwech.
22. Dese Thyamme uyt Tydwynedaborch in de Zype dale, hent
aan den Santwech, dit is de rechte scheydinge tusschen beyden
Stichten ende Landen voorschreven , ende scheydet alle Ham-
mericken ontwee van beyden Landen, die tusschen Tydivyneda-
borch ende den Santivech gelegen sint; ende al wat aan die
noorder zyde der Thyamme ende Zype licht, dat is Oldampte
ende wat lande aan de zuyder zyde der Zype ende Thyamme
licht, dat is Reyderlandes ; ende des Convents lnnt lecht an de
zuyder zyde der Zype langes, went aen den Santwech, ende
alle Hammericke , soo voort aen van beyden syden streckende
aen de Zype ende Thyamme voorschreven.
23. Ende voort aen wat lande aen der norder zyde der Zyt-
wendinge licht, dat is Exter Hammerick, ende dat landt, dat aen
de zuyder zyde der Zytwendinge is, Westerleester Hammerick,
gelegen buyten den Santwech.
Onderzont
Et ego bartoldus baerlingids, Clericus Traiectensts Dioce-
sis, publicus Imperiali auctoritate ac ordinaria admissione No-
tarius, quia premissis omnibus et singulis, ut sic premittitur,
fierent et agerentur, una cum prenomiiiatis testibus presens in-
terfui, eaque sic fieri vidi et audivi, ideo hoe presens publi-
cum instrumentum ex inde confeci , subscripsi , et in liane pu-
blicara formam redegi, signoque et nomine meis solitis et
consuetis, rogatus et requisitus in fidem et testimonium omnium
singulorum premissorum.
Gecollationeert neffens seker boeck in quarto ende daer mede
accorderende bevonden, per me
j. van eeck , Secret. (*).
(*) Dit stuk , voorbanden in drie gelijkluidende afschriften of exem-
plaren in het Groningsen Archief en ook op het Register daarvan, uit-
gegeven door den tegenwoordigen Archivarius der provincie Groningen ,
Mr. ü. o. pkith, D. I, bl. 37, onder N°. 3, op het jaar 1391 vermeld ,
Digitized by Google
n°. 11
De vorige overeenkomst met eenige veranderingen hernieuwd.
1420.
In noinine Domini Amen. Anno a nativitate diïjch MCCCCXX
indictionc nndecima , die quinto Sabbathi Mensis Aprilis , Pon-
tificatus sanctissimi in Cbristo Patris et Domini nostri Martini
Pape quinti , anno suo decimo , in mei notarii publici ac testium
inscriptorum ad hoe specialiter vocatorum et rogatorum presen-
tia, personaliter comparuerunt quam plures et nobiles nee non
illustres viri Capitanei tutores Reiderlandae ac ctiam Olden-
amptes et produxerunt & portaverunt ad me unam rotulam , in
qua erat scriptum divisio praediorum multorum territoriorum et
ad futura praecavenda pericula petierunt a me, ut facerem pu-
ia hier medegedeeld, zoo als het reeds gedrukt zich bevindt bij driessen,.
Monum. Gron.j III, 423—433. Deze voormalige Groninger Archivarius
teekent er o. a. bij aan, dat de notariële verklaring, welke deze over-
eenkomst voorafgaat, niet wel op het jaar 1391 kan zijn afgegeven, daar
de hierbij vermelde dertiende Indictie en het derde jaar van Paus mar-
tini s V later invallen en wel op het jaar 1420. Hij houdt het daarom
voor waarscbijnlijk , dat dit het later vernieuwde stuk van dit jaar en
niet het eerste van 1391 is, zoo als er, gelijk gezegd is (bl. 9), twee
van die beide jaren bestaan. Emmiü8 vermeldt beide uitdrukkelijk op
die jaren, en wel, naar 't schijnt, uit eigen aanschouwing. Zie zy 0 *
Rer. Fris. Bist. XV, 222 cn 223. Wij hebben echter gemeend, even
als de heer feith, dit stak tot het eerstvermelde jaar 1391, overeen-
komstig het jaartal , dat aan het hoofd staat , te moeten brengen , even
als het volgende, onder Bijlage II, tot het jaar 1420, schoon ook het
jaar 1420 geenszins strookt met de nadere opgaaf van de elfde Indictie en
het tiende jaar van genoemden Paus aan het hoofd van de notariële ver-
klaring voor dit tweede stuk geplaatst. Er schijnt hieromtrent in de af-
schriften dezer verklaringen oene verwarring te heerschen, gelijk er ook
verschil bestaat in de namen der personen, door wien dit verdrag is go-
slotcn, tusschen de opgaaf hiervan in het eene zoo wel als het ander
stuk cn die welke emmiüs uit dat van 1391 geeft.
Digitized by Google
310
blicum instruinentum , ne de cetero a nostris suecessoribus fieret
altercatio confusio in territoriis; tenorem istius rulli scripsi de
verbo ad verbum a principio usque ad finem.
Dytt is unnd Recht des gantzen landenn, dat plcge to wesen
in den oldenampten by woldato den gantzen Landen beste unnd
dat voir waters noden und alman dat stedelick und vast sall
holdenn, ellick in sin clufft offt in sin Recht als dat hort. Item
in dat erste dat de fnmell Ee sall to slagen wesen up sünt Pe-
ters avent in der vasten und sall weder up daen wesen up alle
gades hilligen avent, oick also wall sall to slagenn wesenn alle
olde tiammingen offte wateringe als hirna beschreven steit, und
in den oldeampten all umb belegen sint by woldenn.
Item de Sipe also gehetenn de gelegenn is tnschen der Ee
und schemde, unnd dat convent to hilligerle und oick en sche-
dinge is der beider stichten vann Munster und van osenbrugge,
dat tuschen den olden ampte und Reiderlandt is gelegen, de is
oick er water ut dragenn an den nyenn sloet offte monckensloet
so geheten unnd gando is in Reiderlandt unnd van dat convent
to hilligerle daellopen is an de santwech. Item de vorss. Sipe
sall to slagen wesenn up dreen steden up sünte Peters avent
und sal weder up dan wesen up sünte Michaelis avent Item
oick ander cleine Reveren de mogen waternn oick in de nien-
sloet offte monckesloet also geheten , etlick nha horen loep datze
nemant gen schadenn. Item neysloet do van dat convent to
hilligerle daell graven is dair dat convent landt van beden ziden
an de sandwech unnd des convenis watertocht is unnd in Rei-
derland gelegen is, wente dat convent to hilligerle gaussliche
alheel gelegen is in Reiderlandt vorschreven. Item so sall de
vorss sloet oick to slagen wesen up sünt Peters avent und sall
weder up dain wesen up sünt Michaelis avent. Item dese vorss
Reveren als de Sipe und de Neysloet und oick ander clene
Reveren vorss de sullen oer water tosamen ut dragen an den
siell de dair geit doer denn sandwech und vort an Addensloet
Item de Siell de dair gait doer denn sandtwech, de sall wesen
van watcrloep twe voete wyet und twe hoich. Item de sand-
wech is utgande van der Exte van den wego de doer de Exte
geit vort na der gast tho westerle und vort an beneden der gast
na de meden. Item Addosloet licht by der westerzidt des Sand-
weges aldernaest und cntphanget do wateringe de doer den
Sandwech doer de Ziell is lopen ute nye sloet unnd van der
Sipe vorss is comen, unnd vorss sloet is vort an waternn an de
Suidwendinge, is vort an water an de Ee na Bruick unnd de
Ee is vort an Wateren na den Schwaig und vort an to den
siell to Munte de alle Oldcampts wateren utdragen. Item de
Letze otftc de Sipe also geheten , de gelegenn is tusschcn meden
)igitizèd by Google
311
und westerle und oick en schedinge tusschen beide Stichte offt
Lande als vorss is, de sal oick to slagen wesen up sunt peters
avent und sall weder up dain wesen up sunt Martens avent,
und de vorss Letze offle Sipe also geheten salT oer water ut
dragen in de Sydtwendinge , In Reneke Grupe by mede Kerch-
have , de sall stedelich to slagen wesen tusschen sunt peters dage
und sunt Martens dage und de hoge dam sall oick to slagen
wesen als vorss is, dat nemant gein schade en sche. Item alle
ffeen de upte meden is de sall beslagen wesen dat dair gein
schade van came. Item oick alle dat feen om dat doester to
hilligerle licht. Item de Sipe offte dat Rever dat gelegen is
tusschen meden und Broick offt Muntendam sall oick to slagen
wesen als vorss is. Item Muntendam und alle ander water-
tochten de sint tusschen Muntendam und Bruck de van olders
plegenn to wesen de sallm to slaen , dat daer gein schade van
en sche. Item de brugge to Bruck, de salm altydt heel holden
sunder schadenn, also wall sullen de Exter buren de Sudtwen-
dinge to holdenn heel, dat den gantzen lande gein schade en
daer van kame dachlix; de Ee dyck sall allemann syn heel hol-
den buten schadenn alle umme in de swage also wall sullen
Scheemder und Mitwolder und Oistwolder buren den ffalcker
dam wol to slain dat nement gein schaden enn sche und
alman synn sile to holden so vast so starck, dat dair nement
gein schade en sche. Item so plegen dair to wesenn twe Sile
in der Exter Hamrick doer den Ehedyck in de Ee, de heet
Tiartzenziel de heet Ubbinga ziell unnd elck sall wesen viff
rothe wyt. Item de Tjamme de uit gainde vor by Reiderwolde
by Twiddinga Borch tusschen Meyham unnd wiveldaham und
doir dorpsenn, vortan uplopende vorby Sunte Niclaes Kercke
van Oistfinsterwolde unnd vortan tusschen ffinsterwolde und de
Beerte und dan vortan und vorup in dat Zuden unnd doer dat
gantze meir inde Zipe de gelegen is tusschen der Exte und
Scheemde und hilligerle als vorss is. De vorss ïiamme is ewich
und wairachtige schedinge tusschen Reiderlandt uud Oldenampte
offt der beiden Stichten. Item vorss puncten sinnen behoeff to
holden an beiden Siden der landen otft der beiden Stiftten vorss
ofïle dat landt by wolden in syn staet staen sall und mit guder
luden hulpe, wente behoeff is dat beste luden des landcs dat
beste an sein.
Acta & facta hoe Anno indictione mensc pontificatus quibus
s. In praesentia discretorum virorum viij hic postea nominato-
rum positorum ad hoe voeatorum & rogatorum plurimorum alio-
rum, Eggo Addinga in Westerwolda, Gata Nomneka in Bunda,
Wimcke in Ockoweir, Campo in Bcrum, Wyawert Hayens in
Ulsda terra Reidensi capitanei, Elt Gockinga in Zuetbruick
Digitized by Google
312
Capitaill, Duert Zebinga in Midwolda, Hemmo Hunninga in
Oestwolda, Ecka Tamminga in Scheemde , Tiacka Tiddinga in
Ext. Item 80 is dair oick en vry wilkoir und verdrach ge-
macket van den hovelingen und van den besten an beiden ziden
unnd van den gantzen meinte van den Oldenampte und Reider-
lande, dat nement zal den andernn lastich wesen offt schade-
lick in den anderen landen van beiden Ziden offte in beiden
stichten in erve beesten en personen. Wer dat saicke , dat dair
schege enich gewalt uit dat ene landt in den anderen de sal
verboert hebben uit synn Guidt hundert fransche Schilde to den
landes besten ann unnd ein geschein is, de helfte unsen gnedi-
gen hernn van Munster offte van Osenbrugge elck in syn eigen
sticht alse dair dat in gescheinn is offte to behoert und de macht
und dat gewalt mit gantzen lande to kere unnd vor an unsen
gnedigen Hernn an to ropen als de Bisschop van Munster offt
de Bischop van Osenbrugge mit oren Ridderschup und dat gantse
Capitull van beiden stichten also datse uns to hulpe kamen unnd
de macht und dat gewalt dale to leggen und ore sulvo stichten
to beschermen uud to corrigeren als dat behort.
Copia als eyns ludende mit sinen principaell etc. etc.
Op de rugzijde staat:
Rechticheiten an etzliche dorper und grentze im olden ampte
to der graveschup Ostfrieslandt behorig (*).
(*) Dit stuk is in twee meer of minder gelijkluidende afschriften aan-
wezig in het Archief te Aurich en daaruit afgedrukt, zoo als wij het
hier overnemen, in het werk van h. suür, Gcsch. der ehemaligen Klösler
in der Provim Ostfriesland , Emden, 1838, S 131 — 135. Gelijk dries-
sbn gecne kennis heeft gedragen van dit Oostfriesche stuk , zoo omge-
keerd ook scür niet van het Groningsche en hy* vergelijkt den inhoud
van het eerste alleen met hetgenc schotanus in zijne Friesche Geschie'
denis over beide stukken van 1391 en 1420 heeft medegedeeld, d.i. naar
kmmiüs, t. a. p., in de voorgaande aantcekening op Bijlage I.
Digitized by Google
m in.
Uittreksel uit een Register van de Friesche kerspelen in deze
Provincie en het naburig Oostfriesland, onder het Bisdom
Munster , inhoudende die, welke tot de Proostdijen
Farmsum en Hatzum of Nes behoorden , uit
de laatste helft der \hde eeuw.
Sedes VI. in Fermissum (*).
Fermissum (Farmsum) .... XVIII. Schilling.
Weywert (Weiwerd) X. —
Henskenze (Heveskes) .... X. —
Oterdnm (Oterdum) XV. —
Berckwene (Borgsweer) ... X. —
Conventus in Metna (Grijze-Monnikenklooster).
(Berta Claustrum) (f).
Waldemandorpe (Woldendorp) . VIII. —
Minor Metna (KI. Termunten) . X. —
Major Metna (Gr. Termunten) . XVI. —
Astwinserwalda (Oostfin serwolde) XVI. —
WestwinserwaldafWestfinserwolde) XVI. —
Swaghe (Zwaag).
Astewalde (Oostwold) .... XIII. —
Andwalde (Midwolda) .... XVI. —
Stemmeda (Scheemda) .... XI. —
Exta (Eexta) VIII. —
Extengamedum (Meeden) . . . VI. —
(*) Dat is dc zesde Proostdij van Farmsum, zoo genoemd naar de
hoofdplaats daarvan , gelijk het volgende opschrift Sedes VII enz. aan-
duidt de zevende Proostdy te Hatzum of Nes, en de woorden van het
laatste opschrift: Ecclesiae vacantes enz., de vakante kerkdorpen, die
naderhand alle zijn vergaan.
(t) Door dc hand van kindlinoer met potlood hier tusschengevoegd ,
doch ten onregte, zooals aangetoond is, bl. 41.
Digitized by Google
314
.Suderbrock (Zuidbroek) . .
tri t r
. VIII.
f? _1_ "11*
Schilling.
TVT .1 t ~1 / TVT 11 1 \
Nordabrock (Noordbroek) . .
' ™
oiardebergn (oiaaeburen) . .
X7TTT
. VIII.
Wenbergum (Wagenborgen) .
. IV.
Methusum (Meethuizen) . .
TT
. V.
Upwirdum (Opwierda) . . .
TV
. IX.
ff 1 ] /ff li \
Dam ecclesia (Appingedam) .
. XXVI.
. IV.
Conventus in Solwert (Klooster te Solwerd).
Watum (Hoogwatum) . . .
. IV.
Holwerde (Holwierda) . . .
. vin.
Sedes VII. in Hartzum alias Nes.
Westerreide (Westerreide) . .
. XIII.
Schilling.
Oesterreide (Oesterreide . .
. XIII.
Nesse (Nesse)
. XII.
Maria Wer (Mariënweer) . .
. ni.
Tordingum (Torum) . . .
. VIII.
Uterapaum (Uiterpawing) • .
. VI.
Derzum (Ditzum)
. X.
Aldendorpe (Oldendorp) . .
. VII.
. XII.
Caldeborch (Coldeborg) . .
. VI.
Weyner (Weener) ....
. XVIII.
Wengramor (Wenigermoer) .
. V.
Poel (Palmar)
. V.
Bonewerda (Bundergarteny) .
. XIII.
Wynnamor (Winemeer?).
Haxne (Saxum?).
Huweghenborch (Harkenborg ?).
Hoghebunde (Bunde).
Holtgast (Holtgast).
Digitized by Google
315
Ecclesiae vacantes aqua depost submersae omnes.
Stagestorp (Stokdorp).
Zentorp (Zanddorp).
Siweteswere (Tysweer of Ewitsweer).
Haxenewalt (Saxumerwolde ?).
Katelmesincke (Hakkelsum ?).
Utebert (Uiterbeerte).
Dertsamewolt (Ditzumerwold ?).
Wynedahaem (Wijndeham).
Gothorne (Golthorn).
Krytzemewalt (Kritzumerwold?).
Kalentwalt (Harmenswolde ?).
Bedamcwalt (Beda of hiernaar genoemd ?).
Upwolde (Peterswolde ?)
Oengum (Medum?)
Stoth (Astok of vandaar Stoksterhorn ?).
Howengahoff.
Howengehom (Houwingeham) VI. Schilling.
Megnlzem (Megenham).
üpredervvalt ) (Reiderwo i de ).
Utrederwalt )
Rodendebord (*) (Kappeldebeerde ?).
(*) Dit uittreksel maakt een deel uit van het Regislrum curarum Tetre
Frisiae Monasleriensis Diocesis ex saeculo XV, onder kindlinger's na-
gelaten Handschriften, Tom. XLIII, p. 1—33, zich bevindende en uit-
gegeven in druk door l. von lkdbbcr, in zijn werkje: Die Fünf Mün-
sterschen Gaue und die Sieben Seelande Frieslands , u. s. w. Berl. 1836,
S. 101. Verg. Vorw. Dit Register is , blijkbaar uit do achter de plaatsen
gevoegde geldsommen , opgemaakt , om do kerkelijke opbrengsten aan het
Bisdom daarvan aan te duiden. Wij hebben tusschen ( ) de namen ,
onder welke de plaatsen thans of anders bekend zijn , er bijgevoegd , van
vele der laatste slechts bij gissing.
Digitized by Google
N°. IV
Attestatie van den kelner van het klooster te Termunten en eenige
bejaarde Oldambtster ingezetenen over den Dollard.
1565.
Wy Stadtholder end Hooftmannen der Stadt end Ommelanden
van Groningen , van wegen des Coenincks van Spangien etc., als
Hartouch van Brabant, Grave van Hollant, end Erffhere der
Stadt end Ommelanden vorsr. etc. , doen kondt end bekennen ,
yn end overmidts desen openen breve , dat voer ons gekoemen
end erschenen synt, heer thedoricüs nicolai a Gouda, Kelle-
ner toe Grysemonchen , oldt acht end veertich jaren; lot jansen
tho Woldendorp , oldt negen end tnegentich jaren; coert ghy-
sens tho Woldendorp , olt tachtentich jaren ; harcke tiddes tho
LaUeweer, olt acht end vyfftich jaren ; johan kueper toe Groe-
termunte, olt een end tachtentich jaren; ffocke mennens tho
Borcksweer , olt negen end veertich jaren ; melle epckens to
Groetemunte, olt tsestich jaren; end hemme thyes toe Groeter-
munte , olt tsoventich jaren , rechtelicken gedaget end geedet ,
hoer submitterende onsen jurisdictie, hebben op alle positien
end articulen , hoer voergeholden , geaffirmeert end gedeponeert ,
soe hyr na volcht. In den eersten heer tüeodoricus nicolai
vorg., syn rechter hant up syn borst preesterlycke wys gelacht,
end syn mede benoempden upgemelt, lyfïïicken myt upgerichten
vingeren gestavides cdes, Godt lyfflycken ten hiUigen gesworen,
dat hoer getuegen kennelicken end bewust is, dat de Eemse,
soe lange hem gedencken kan, tusschen Emden end Nesserlandi
doer geloepen heit, end dat altoes een gemeen naem end faem
by hoer olderen end voerolderen is geweest, soe lange hem ge-
dencken mach, dat de Eemse by olde tyden daer alleen plach
doer toe loepen, eer end voer de Dollart ingebroeken waer;
end voerts dat de Eemse altoes, van oldts, end nu op desen
huedygen daghe, tusschen Logum in Emderlandt end Eeyde in
den Cleyambt gelegen, doer lopt; end seggen mede, dat altoes,
by hoer gedencken, by hoer olderen end voerolderen een ge-
meen naem end faem is gewest, dat de vorsr. Doüart eerst, by
Jansem (wesende by olts een dyck, nu een deep gat in de see,
Digitized by Google
317
by de Lidden toe Reyde gelegen), is ingebroeken doer gewalt
der Eemse , end dat d' vorsr. dyck Jansem , van Reyde , voer t
inbreeken des Dollarts, hen tot Nesserlandt streckende waer,
schuttende de vorsr. Eemse; end zeyde de vorsr. heer thkode-
ricüs, Keilener in hoer Convent, noch een olde Solter gevon-
den toe worden, waerinne gescreven is, dat in het jarcj|dusent ,
twe hondert, negen end negentien, de gemelte Dollart eersten
ingebroken is, end sulex mede toe geblycken wth ene olde taf-
feil , daer de geschefften end accidenten des Convents in verhaelt
staen; seggende, dat in d' vorsr. Solter mede gevonden wordt,
dat drie Abten in de Olde Stoeve begraven leggen ; welcke plaetse
na in t diepste van den Dollart is gelegen, beholtelicken dat
Mïddewolder Kercke up ettelick ackerlandt van do Olde Stoeve,
met een deel van het choer, gelegen is. Seggen voerts de voor-
noemde deposanten, dat, soe lange hoer gedencken can, altoes
by hoer olderen end voerolderen een gemeen naem end faem is
gewest, dat, ten tyde van t inbreken der vorsr. Dollart, eener
genoempt tidde winnengha. up Reyderlandt gewoent heft, seer
ryck van goeden, end oeck een regent ofte mede regent van
Reyderlandt, end namaels doer groete arinoet een provener in
Palmaer geworden; de welcke, angesproken by de huyslueden
end gemeente aldaer, om de dyeken toe maeken, ter antwordt
gegeven heft, dat ho niet wolde dyeken, eer end voer de vloet
een speetse hoghe over syn landt solde loepen; doer wiens ne-
gligentie end groete schuit de dyck Jansem quaelicken bewaert
is geweest , end vermidts dien ingebroeken een groete water (de
Dollart genoempt) gemaeckt heft; in welcke Dollart vier en dar.
tich grote schoene dorpen end twe Kloosters, als Menterwolde
end Palmaer , vergaen end doer t water verdroncken syn , gelyck
noch huyden dages toe seen end toe vernemen is; onder welcke
vergangen dorpen een , Rey der wolde noempt , soe groet end ryck
is geweest, datter negen styghe vrouwen waeren , de elck een
golden span voer hoer borst hadden, daer een Groninger kroes
nats in mochte gaen, end een, Middewolde genoempt, daer
negen styghe steenhuesen waeren; van welcke dorpen end
Kloesters vorsr. de dorpen Swaegh en Tysweer met Palmaer voer
een deel noch corts in esse end in fleur syn geweest, end nu
geheel vergaen. End seyde harcke tiddes, dat hy op Tysweer
noch geboeren waer, end dat hy, oeck lot, COert, hemme,
jan end melle vorschreven , de selve platsen noch wel gekent
hadden, waervan Tysweer by lot end coert noch wal gemayt
is geweest ; end seggen voerts , dat de gewalt van water de lan-
den aldaer seer grotelicken vermindert, dat van alle landen, de
in het jaere een end twintich , twe end twintich , dre end twin-
tich end vier end twintich noch groet waeren, nu zeer weynich
Digitized by Google
318
syn beholden , to weten , gelyck de Keilener vorsr. wth sekere
olde Registers upgelesen heft, was Gi'oete mnnte van soven hon-
dert grasen , Fimel van seshondert end vyftich grasen , Dallinge-
weer van soven hondert grasen , Bamsum van soven hondert end
twintich grasen, Reyde van negen hondert grasen, Lutke munie
van vyffhondert vyfftieh grasen, elcke hondert tot ses stygen
gerekend, alle van Tysweer na der Swaegh leggende, wtgenoe-
men de landen van Lutke munte, waervan nü in Groete munte,
Fimel, Daïlingeweer end Bamsum alleen sestyn hondert, soven
end dartich grasen , end een halve , end in Lutke munte vier hon-
dert, dre end tsoventich grasen beholden syn; end vorclaerden
voerts upgemelte getuegen, naem end faem te syn, in anno du-
sent, vyffhondert end soven, Gaddinge home. eerst ingeloepen
toe wesen; end seyden coekt end lot vorsr. hoer tselve te ge-
dencken, end mede dat de dyck aldaer dre maeil ingelacht waer,
waer van de eerste mael in anno vyfflyn hondert end achte is
geweest, ten welcken tyde de olde dyck seer veer in de Eemse
lach, sonder te weten, hoe voele landes doen ter tyt buten ge-
laten is; end konde harcke, hemme, jan end melle vorsr. van
twemael inleggen der vorsr. dycken gedencken. End deponeer-
den upgemelte getuegen, de anderde inbrekinge der vors. dyck
in anno achtyn ofte negentyn ofte daer omtrent geschiet toe syn,
sonder den tyt int tseeker toe weten toe specificeren; welcke
getuegen doer vorsr. reden wel wetende , dat de opgemelte dyck
nu op de darde plaetse is gelegen , op welcke plaetse de gemene
landen , opt oesten van Reydthdeep gelegen , de selve dyck heb-
ben helpen leggen; daar by vuegende, dat hoer noch wal ge-
dencken mochte , dat de gemene landen , voer elcke roede op toe
scheten, vier end twintich Philips gulden betaolden; end daer
en boven in 't selve jare mede quaemen kaeren , sonder dat hoer
bewust is, dat de eerste end de anderdemaell , de dyck, by
eemants, dan by de landen, aldaer omtrent gelegen, gemaeckt
waer; end seyden mede, dat de dyck van Oterdum tot der Munte,
in anno dusent vyffhondert een end twintich , gedeelt , end een
yder by grastaelen toe gelacht waer, end dat daernae, in anno
ses end twintich, de dyck van der Munte na Fimel een yder
oeck na grastalen toe gelecht is geweest, blyckende wider by
de dyekbreven; end dat, in anno vyff end twintich, de nye
sommer dyck van Fimel na der Swaghe by de vorsr. gemene
landen gemaeckt is, end dat oeck, in anno soven ende twin-
tich, daer na Marwycx hooft in Gaddinge home, by de selve ge-
mene landen, geslagen is, end achtien duesent embder gulden
gecost heft, so men over all seyde; end verclaerde coert ght-
sens hem t selve bewust te syn , vermidts he mede over de ver-
claringe gewest ware, seggende, dat de somme groeter waer
Digitized by Google
319
een Barxgulden end een Hoernekens gulden; end dat , in t selve
jare, de dyck van der Munte tot Reyde gemaeckt is, end dat voert*
in anno een end dartich, de sommerdyck van Reyde, Dallingeweer
(Cost verloren genoempt) by de selve landen gemaeckt is geweest,
dan newarlde reet geworden , waer toe eyn yder gras een Krump-
stert , end voirts de vierde deel van de jaertax heft gegeven , end
dat deselve dyck daer na , in anno twe end dartich , op de gras-
talen een yder toegedeelt is, end dat de getal der gras talen ses
hondert negen end t seventichste halve grasen gewest hebben;
end deponeren voerts de vorsr. getuegen, dat de darch end
moeren omtrent een kleyn vierendel ure gaens gelegen syn van
Gaddinge horne, wth streckende na de Stadt Groningen, end
wider op alle kanten, end dat voerts, na gemene naeme end
fame, d' landen van Jamem vorsr. eerst recht na Nesserlandt
met d' vorsr. dyck geloepen hebben , ende dat daerna van Jcinsem
een dyck gelecht is geweest tot up Tysweer, Palmaer, der Swage
end voerts up Finsertoolde , de welcke, soe de Kei lener in des
Convents olde Registers bevonden heft, omtrent anno dusent,
vierhondert vier end vyfftich gelecht, doen zalige goesen van
dulck Castelein van den Oldenampte waer, end dat de landen
van Jansem tot Oierdum gelecht end soe verre geextendeert syn
gewest, dat de dyck nu op de darde stede lecht, gelyck vorsr.
is; seggende voerts hoer neet bewust to syn, dat van Reyde na
der Swage ofte daer omtrent , na 't inbreken des Dollarts , andere
dyeken tvoerens syn gewest, dan de op Tysweer end voerts op
der Swaege end Finserwolde hebben geloepen, als vorsr.; seg-
gende voerts, dat Palmaer moergront end darch plach toe syn,
ende tuegen voerts lot, coekt, harcke, focke, jan, melle
end hemme vorsr. hoer toe gedencken, dat, in anno dusent vyff-
hondert achthien, negenthyn, twintich ofte daer omtrent, s onder
het juste jaere ontholden toe hebben , dat de vloet end de ebbe
aldaer neet gekeert worden , end dat aldaer omtrent oeck geen
dyeken waeren, anders dan de van Reyde, up Tysweer, Palmaer,
Swaege end up Finserwolde liep, doen wt de waerde wesende,
de oeck geen gewalt van de vloet end ebbe wederstandt conde
doen , sulex dat het solte water aldaer ingeloepen heft , end tot
Wynsmer Zyl , end de andere Zylen up de oestzyde van t Rey-
deep wtlosende , weder wth leep , end dat daer doer ten selven
tyde de Kaenghe by d' vorsr. gemene landen gemaeckt is ge-
weest, begunnende van Olde Munter zyl, hen ter Swage strecken-
de; end verclaerden voorts, dat Jansema gat by Reyde seer deep
is, end dat men anders by Reyde, Gaddinge horne, end voerts
na der Swage, op een ebbe, wel een ofte twe roeren schoet in
de slyck can wtgaen; end dat de slyck harde harde kley gront
is, ende dat noch in Gaddinge horne de wegen, op een ebbe,
Digitized by Google
320
gekent connen worden; seggende voerts alle diepte end gewalt
van water onder Emderlandt toe syn , hoe wel aldaer oeck goede
cley gront is , end dat men soe voel my t tyn gulden aen dese
syde can dycken, als met vyfftich aan den Emder syde; daertoe
affirmerende, dat Reyde van alle verdarff, na hoer gevolen, be-
waert solde konnen worden, soe een goet hooft van Reyder
kerckhoff afgeslagen worde, scheenwys in t water streckende met
de ebbe, om de Lidden aldaer up end voer de ebbe tho be-
scharmen, end noch een ander goet hooft, van de Lidden aff
begunnende, end scheenwys met de vloeth wtstreckende, om de
vorsr. Lidden voer de vloeth to beschamen, welcke twe hooff-
den Jansema gat end diepte solde connen bevangen, end met
lanckheit der tyt stoppen ; end deponeren voerts , dat de noert
noert weste wynt de quaedtste up de dycken end hooffden al-
daer is , end dat aldaer mede groete pericul is , als het wt den
suydwesten geweyt heft, end de wint daer nae toe noerden loopt;
seggende daar en boven , dat de darch end moer gront seer nae by
de sommerdyck , van der Swage na Fimel streckende , is gelegen ,
end dat van daer altoes leger end quader dargh gront gevonden
wordt, end dat, hoer bedunckens, de vorsr. dyck in Gaddinge
hornet voerts toe Reyde, end de sommerdyck van Fimel tot der
Swaege, op dese plaetse, daer de nu leggen , geholden sullen moe-
ten worden , oft dat men het water toe Groningen voer de poerte
sal moeten keren, end dat men, vermidts de dargh end moer
gronden , geen dyck op enich plaetse dan by de Stadt , sal con-
nen slaen ; end seggen voerts coert gtsens , harcke tiddes ,
pfocke mennes , melle epkens , hem kennelick , end wal bewust
toe syn , dat , in anno viertich end negen joncxst vergangen , op
den soven en twintichsten may, de egenarffden, landen hebbende
tnsschen Reyde end de Sioage, buten de sommerdyck gelegen,
doer mandaten van de Gedeputeerde der gemene landen gedron-
gen syn gewest, om de landen, aldaer bueten de sommerdyck
gelegen, toe verlaten tot proffyt der gemene landen, oft ander-
8ins de dyck van der Munte nae Reyde, end de sommerdyck van
Fimel na der Swage , tot ewigen dagen toe maken end toe holden ,
end na maels , met verlatinge derselver landen , daer van niet
ontslagen toe moegen worden, dan geholden to wesen alle hoer
goeden daer mede toe vorlaten , de oeck in andere quartieren end
landen gelegen moegen syn; sulcx dat de egenarffden d' vorsr.
hoer landen de gemene Deputeerden hebben upgedragen end
toegestaen tot proffyt der gemene landen , om doer dien tot ewi-
gen dagen van de vorsr. dycken ontslagen toe syn; welcke landen
by de Gedeputeerden der landen in diervoegen , up t wterste van
den eesche , syn angenomen , end by deselve tot desen huedygen
daghe verhuert end genuttyget; end waren Deputeerden by namen
Digitized by Google
321
»
dese nabescreven personen, de Abbet, doen ter tyt ter Witte-
werum ; Borgerraeister johan sickyngiia , focke ripperda ,
JÜRGIEN VAN MUNSTER , CHRISTOFFEL VAN EEUWSUM , EDZART
rengers end joiian ten holten , sulcx wetende , om dat se
ten selve tyde daer by waeren, end oeck ettelicke landen, hoer
toe behorende , doen verlaten hebben , de noch by end van we-
gen de gemene landen verluiert worden ; deponerende voerts ,
dat de gemene landen alleen nu de dyek van Fimel toe Rei/de t
ende de twee deelen van den sommerdyck van Fimel na der
Swage sullen end behoeren te maeken , vermidts dat alle ander
dyken hoer heren hebben ; hyr mede hoer getuichnisse beslu-
dende. Sonder argelist. Jn oerkonde der waerheit, so hebben
wy Stadtholder end Hooftmannen upgcmelt onsen ampts Segel
witteliek beneden an desen brieff gehangen in den jare uns
Heren dusent , vyffhondert , vyff end 't sestich , up den negen-
tynden dach Aprilis." (*)
(*) Dit stuk berust in het oorspronkelijke op het Groningsch Archief,
zijnde met boven opgegeven titel vermeld in het Register daarvan van
h. o. feit 11 , II, bl. 287, onder N°. 89, en gedrukt te vinden bij dries-
sen, Mon. Gron., III, 443—448.
N°. V.
Aanteekeningen over het ontstaan van den Dollard.
Int yaer des menschwordinge vnses heren dusent twehundert ,
soeuen ende 't soeuentich, den XXIIIen dach decembris, vp een
maendach tho eluen uhren, doe tatüs ende mumbodus pastoren
waeren thoe Reyderwolda^ is een groot inbrueck van wateren ge-
west in Vrieslandt } daer mennich dusent menschen ende beesten
in vergaen sint , ende deselue vloeth is des anderden , darden
ende veerden ijaers weder vernyet worden , ende alsoe de
Oeuerhandt genomen ende den Dullert gemaeckt:
An°. 1277. Sinnen alle Vreeslanden mit water belopen, dyt
sehende Graue florus van Hollandt, heffl gesent in Vrieslandt
21
Digitized by Google
322
diedhick van Brederoe, de hefft Vrieslandt mit schepen ingeno-
men, sunder enich. wederstandt, want de eene kond den an-
der niet ontsetten , durch versumenisse ende partye , van de
onder den dijcken gelegen waeren, konden de dijcken neet staende
holden , ende de daer van woenden , wolden neet mede dijcken ,
so sint dusse na bescr: en karspelen en kercken, vormidts dat
water vorgaen, ende dat ouermidts Jansumer gatt, ende dat is
gescheen in 't jaer dusent twe hundert soeuen ende 't soeucntich
den 13 Januarij:
Dit sint de nabescr. Dorpen
Stock dorp
jxcfppeiaa uerto
Sam dorp
Berum ende Ocka weren twe.
Foptsum (*)
Reyderwolda twe karcken ende
Thysweren
een Canonykesie
Aycka toeren
Wylgan
Soxeember wolda
Palmaer mit een Cloester
Winne ham
•
Vier panuringa
Goldt hoern
VJieda en Fletum twe
Uther Beerte
Torum
Astock
Houinga ham ende torpen twe
Wtnnemeren
Oester fynserwolda
Dune Lee
Bleyham ende Maggaham twe
Ilouinga gast
Nye ham
Meerhuissen
Medum
Wymelda ham
An<>. dusent twe hundert is dat Cloester ter Munten in den
Olden ampte begrepen , vpt latyn Munterna genoempt, ende helft
bij de olde stoue so genoerat, (: is een vledder in de vterdyc-
ken , achter Wagenborgen in den Dullert , gelegen :) , een kloester
Munterwolda vp latyn Campes sylua geheten, als nu de landen
daeromtrent sinnen vorgaen , ende de Dullert is gekomen , \js
dat vorlaten. An°. dusent i i i hundert min eene , ende hebben
eick in der Munten ghegeuen.
— Onder stondt. Copia 8. 3. 73. (t)
(*) Dit zal Soxum moeten zijn, en het later volgende Vheda, Beda.
(t) Dit stuk is aldus in afschrift aanwezig op het Groningsen Archief
en op het Register daarvan aangewezen D. I , bi. 9 , onder N°. 1 van het
jaar 1277.
Digitized by Google
N°. VI.
Gelijke en andere Aanteekeningen over den Dollard, geboekt door
J. RENGERS VAN TEN POST.
Also is wth een mis^aelboeck ther Munten jnt kleijoldampt
getekent gewest , vnd vp der gronninger raetskamer jn caerten
affgebeldet, beijden noch to vnsen tijden dat anno 1277 vp ein
maendag tho xi vren, als Ratus vnde Membrodus pastoren we-
ren to Reiderwolda , ein groeter jnbroeck der wateren gewest
sij jn Frieslant dardoer ettlich dusent an menschen vnd beesten
sint vergaen , dewelcke oeck des andern , derden , vnd veerden
jars weder verniet is. Vnde want de genen de vnder den dyc-
ken gelegen weren, vnde deselue holden mosten hore dijcken
tho maken geen macht hadden staende to holden offt repareren ,
de oeuerst vrie landen van dijken to maken hadden vnde dar
wijth aff woeneden, niet helpen wolden, ist gescheen dat doer
jansummergatt (bij dat dorp jansum tusschen reijde vnd nesser-
lant darnu de Eemss vnde duilcrt tsamen lopt) sint vergaen alle
dese dorpen Stockdorp, Sandtdorp, Saxum, Ewijtswcer, Aelcke-
weer, Suxummerwolda , Wijneham, Holtharen, Vterberda, A-
stock , "Wynemeer, Duuelte, Hammigagast, Kappellabarda , Be-
rum, Ockweer, Wijneldeham , Reiderwolda twe kercken vndo
een Knonckesie, Wijlthum, Palmaer mit een doester dossuluen
naems wittewerummer orde, de Stoeff, Vtherpaijtha, Vtseda,
Fleten, Torum, Torpen, Oesterfijnsewolda , blijham, Megen-
ham, Meerhusen, Medum, Nieham, welcke 31- dorpen sint con-
tinens und vast gewest an reiderlant Nesserlant vor emden langs
an dat kleij oldampt, vnde de dijck sloet an pauwingaheein na
ditsum tho jn reijderlant: vnde is de Dullart geworden waruan
de grunt vp vole plaetsen noch also hoech is alse de landen
tusschen wagenborg duerswolt vnde den dam vnde westernjwe-
lingelant. Darna is de dijck gemaket van Reide na Siddebue-
ren : To deser tijt was het alles water tusschen duerswolt vnde
nortbroeck Suetbroeck, welck nu sint angeslagen landen wth
desen vorgesc. vndergang deser dorperen. So ist oeck water
Digitized by Google
324
west vorhen west tusschen winschoten vnd westerwoldingelant
dat nu oeck alles is to kleijlande geworden. De vorsc. oert
landes is ein herliche lant gewest van vloeken vnd hauens , want
tho Reijde lagen 7 Sijllen , Ther Munten 5 Sijlen, tho Oterdum
3 Sijlen dar dese landen wthwaterden. (*)
(?) Dit ia een uittreksel uit de Kronijk van voornoemden schrijver,
uitgegeven door Mr. u. o. feitii , als Deel I van diens werken en nldaar
bl. 73 en 74 te vinden.
N°. VII.
Dijkbrief van het Oldambt.
1441.
Wij meene meente van oester ende wester Reijde, van fimele,
êallijncwer , beijde munten , baemzum , woltmandorp, borc zweer , mid-
wolde, wagenborghe, beijde broecken, medum, Ext, Scemeda, Oest-
wolde ende finzerwolde , doen kundijch mijt dussenn ijegenwor-
dijgen breuc dat wij hebbenn vmnie noedzakenn ende nuttijcheijt
der dorpen vorscreuen ofte des Oldenamptes mijt vrijen wijllen
eendrachtelijcken ghekoren ende ijcgenwordijch kesenn ende mach-
tijch makenn eerst an wt den dorpen vorsc. den Erbaren heren
Meister berent abt van der munthen ende doctor yn der hijl-
lijgher scrijft, dem prouest van palmaer , den kercher van der
merer munthen ende den casteleijn van der munthen vorsc. ende
wt eiken dorpen dar naest ghekoren ende kesen van Oester
Reijde vnsc kercheer her ocke ende popken tijds, van wester
Beijde her eppen ende HUPKEN zebes, wij van merer munthen,
fijmolen ende dallijncwer ende baemsum want wy een kerspel sijnt
vnde representeren so hebben ghekoren ende kesen eltken ende
FEBEN, GROET OCKEN, TIJARCK HUPPENS , HIRKA UAJJANS yn den
dorpen vorsc. wonnachtych, wij van lesser munten des ghelykes
Digitized by Google
325
her mennen, wabben vnijkens, ijunge tammen ende broder hüp-
ken to lesterhues, wij van woltmandorp lieren wijnijken, HOEWEM
egens ende antken , wij van borezwer lieren fecken, walrijck
ende broder hupke to lalleiveer, wy van mijdwolde heren obben,
tijarken menekens ende manken eppekans, wij van ivagenbor-
ghen popken mijt vnsen kercherenn, wij van noerdbroeck heren
GALCKEN, REMBEN GOGKIJNGHEN ende EBBEN ELLENS, wij van
zuidbroeck heren foppen, remmeren luwerdes ende gijlke
tijabbes, wij van medenn heren hermen ende ebelen luwer-
des, wij van Ext heren doden, gijlken wngijngiie ende edes-
ken herens , wij van de Schemmede heren tijalken, ijpen
kumpijnge ende tijacken popta , wij van Oestwolde heren hup-
ken, hemmen vbekens ende tid tammens, wij van fijnzerwolde
heren nonnen den kelner ter golthornc, yunge obben, nunneke
dodens ende huppen eppens ; welken vorghenoemdem ghekoren
Rechteren loue wij meene meente van steden vnde dorpen
vorsc to volghene ende horijch to sijn woer sij heten vns to
dijken of van dijkenn wegen ende wes sij vns heten doen yn
wat manyren dar an rorende ijs ende tot allen tyden dar to
bereijt to wesen ende waert dat sij vorghenoemden Rechters
twijspandijch waren off worden off yn parten vullen so wyllen
wij vnde louen dat wij mijtter ganzen meenten eendrachtelyck
den mesten pardt to volghene Hijr ijs vort to ghesprokcnn ende
to staenn den vorghenoemden dat dij vorghenoemden Rechters
moghen wt setten off de meeste pardt of sij vnder sijck yemant
haddenn de yn dese dijnghen vorsc. nyet nutte of vnredelyck
weer ende machtijch wess een ander to kesenn vnder sijck wt
steden ende dorpenn dar de ander wonachtich ynne was Ende
des ghelijkes salt oeck wesen of der vorghenoemder enijch
storue of ofliuich worde of van de ene stede tot der anderen
voren, vort meer so loue wij meene meente vors. dat wij wijl-
len ende zullen bijstandych wesen ende hulpelijck den vors.
rechteren of den mesten parte derenn ouerherijnge of den on-
wylhjgen to bedinngen vanneer dese vors. rechters ynt ghemeen
of de meeste parte anbrenghende of van vns begheren Vort so
hebbe wij meene meente bij rade der vorghenoemder rechteren
ouerdraghenn dat alle schelynghe sakenn sullen staen vnghecla-
ghet ende vngherechtet ende yewelyck myt syn rechte beholden
een yewelyck syns rechs beholdenn also langhe als dat dijck-
werek durende ys vp dat al man vrij vnde vclych mach wesen
vp den werke vrij vnd velijch to hues gaen moghen vnde varen
to water vnde to lande bij dache vnde nachte ende velych yn
ende bij sijn hues moghen wesen ende vp allen steden Ende
waert sake dat yemant dessen vrede cude vrijheijt enijcherleije
wys ynbrake hemelijck of openbaer de pene to therijnghe der
Digitized by Google
326
vorsc. rechteren ende des gheneege de mijsdaen ys zullen de
vorsc. rechteren cleyn setten na den dat de mijsdaet groet of
cleijn ijs Ende ghelijkes salt ock van den rechteren wesen yn
wat maniren dat hem misdaen worde alst vorsc ys Item weert
sake dat de vorsc. meeste part enich articulen of punten vonden
de to des vorsc. zaken droghen of bchulpelijck enijcher wijs
waren de hijr nijet staen ynghesc. de wijlle wy holden ghely-
kervvijs of sij van vns waren gheset Des vorsc. punten ynt ghe-
meen ende yewelijck bysunderlynghe loue wy meene meente
Blinder alle arghelijst of nije vonde to holdene tot ewyken tijden
dat wij ouerherijch sijnt of yemant vt vnser meente ouerherijch
ys bij eenre pene twijntijch rijnsche gl. to behof ende nutticheit
der vorghenoemder rechteren In orkunde des vorsc. waerheijt
80 hebben wij meene meente van dorpen vorsc. vns kercheren
zeghelen een yewelijck dorp sijn kercher an des breef laten
hanghen Wij kercheren vorghenoempt een yewelijck vmme bede
wijllen onser meenten hebben vnse zeghelen an dessen breef ghe-
hanghen. Int yaer vnses heren dusent vierhundert ende een ende
vertijch ipso die Juliane virginis. (*)
(*) Dit stuk is in afschrift aanwezig op het Groningsch Archief en op
FErras liegisler daarvan vermeld, D.I, bi. 96 , N°. 6 van het jaar 1441,
onder den titel: Overeenkomst en verdrag van de beide Oldambten enz.
betreffende de dijken.
Digitized by Google
No. VIII.
Verdeeling van de goederen van het klooster Palmar iusschen
die van Wittewierum en Docfaim.
1447.
Frater Thymannus electus abbas , prior , ccteriquc conventuales
in werum ord. prem. monast. dyoc. Univcrsis & singulis presen-
cia visuris seu audituris cupimus fore notum protestando publice.
Quod nos, matura deliberacionc pre via infra seripta, fecimus
& ordinavimus bonorum conventus de palmaer alias porta maior,
dicti ordinis dicteque dyoc. divisionem cum venerabili in Christo
patre , dno Wilhelmo abbate cum suis conventualibus apud sanc-
turn bonifacium in dockum dicti ordiuis, Traject, dyoc. videlicct
primo , quod nos conventuale3 in premissa werum alias florido
orto perpetuis temporibus tenere ac libere valeamus ad nostrum
libitum possidere conventum in dicta palmaer cum omnibus suis
prediisj nee non grangias in clay werum & fynserewolda cum
suis attinenciis , excepta tarnen grangia de bonenborch , parochie
in groethusum, quam conventuales de dockum cum suis attinen-
ciis libere retinebunt ac perpetuis temporibus possidere valebunt
sine nostra contradictione. Item responsuri capitulo nostro ge»
nerali de talliis seu collectis , omnes aggeres juxta conventum
• dictum pallamaer qui ad ipsum dinoscuntur spectare, in esse
conservabimus & qui super inundacionem aquarum fracti fue-
rint, sine auxilio conventus in dockum reparabimus ac reparari
procurabimus , quousque ante dicto conventu in pallamaer cum
suis grangiis antedictis usi fuerimus. Item nos conventuales de
werum conversum Galconem ac sorores infra scriptas , vid. Tya-
dam , renzekam, deddam, Tyaldam & lammekam, in victu &
vestitu tenebimus ac perpetuo sustentabimus , quousque degant
in humanis. Ceteros vero conventuales vid. dnum folkerum,
qui dno Wilhelmo, abbati in dockum, publice coram conventu
suo, manualem promisit obedienciam, ac sororem ettam cum
suis sororibus omnibus carnalibus, una cum ceteris utriusque
sexus conventualibus, de quibus superius non est mensio facta,
Digitized by Google
328
prefatus venerab. dnua Abbas in dockum ad suam obedienciam
suuraque collegium in dockum recipit & recepit, promittens eis
de conscnsu suorum conventualium de victu & vestitu suisque
necessariis, sine dampno eonventus in werum & pallamaer,
quousque in hoe seculo vitam duxerint. perinde hic annectitur
seu additur, in casu, quo cenobium de pallamaer ante dictum
de mandato capituli nostri generalis oportuit reformari & de
preposito & speciali prelato provideri, prout dudum fuerat,
aggeribus per terram reydensem versus silvam reparatis vel
restauratis, ex tune omnes premisse grangie, redditus & pro-
ventus ad dictam pallamaer redibunt, ac libere ad eius usum
remanebunt, 6icuti ante antedictam divisionem extiterant. Et
hoe prefatus venerab. dnus Abbas & conventuales in dicta do-
ckum & sui successores prefatuni monasterium in pallamaer cum
omnibus suis attinenciis, propter allodium in bonenborch nobis
& nostris successoribus perpetuis temporibus libere assignarunt
& resignarunt, atque bis presentibus assignant & resignant,
dolo , fraude & nova invencione seclusis quibuscunque. In fidem
premissorum sigilluni nostrum conventuale, una cum sigillo
abbaciali presentibus duximus appendi. Datum ao dni raccccxlvij ,
octava epiphanie dni. (*)
Vertaling van voorgaand stuk.
Wij broeder thymannus , gekoren Abt , Prior en overige con-
ventualen te Werum van de Premonatreiter orde en in het Bis-
dom Munster ) doen kond en openbaar aan allen en een iegelijk ,
wie dit zullen zien en hooren , hoe wij , na rijp overleg , hebben
gemaakt en bepaald eene verdeeling van de goederen van het
klooster van Palmaer , anders geheeten Porta major , van gezegde
orde en Bisdom, met den eerwaarden Vader in Christus, den
heer willem Abt en zijne conventualen van het St» Bonifacius
klooster te Dockum van gezegde orde in het Sticht Utrecht , in
diervoege: Ten eerste mogen wij conventualen in Werum , an-
ders genoemd floridus Hortus, voor altijd hebben en vrij naar
onzen wil bezitten het klooster in gezegde plaats Palmaer met al
zyne landerijen, alsook de voorwerken te Claywerum en Fynse-
rewolda met derzelver aanhoorigheden , uitgezonderd het voor-
werk te Bonenborch , in het kerspel Groethusum , hetwelk de
(*) Dit stak is naar een afschrift in het Archief tc Aurich gedrukt ,
in het meergenoemde werk van 11. buur, Geschichte der ehemaligen Klöster
in der Provinz Ostfriesland , onder Beil. X, S. 169. Wij laten er voor
do onbekenden met de latijnsche taal cene vertaling van volgen.
Digitized by Google
•
329
kloosterlieden van Docfom met zijn toebehooren vry zullen behou-
den en vermogen eeuwig te bezitten , zonder tegenspraak van ons.
2°. Met verantwoording aan ons algemeen Kapittel van de op-
brengsten of ontvangsten, zullen wij al de dijken bij het gezegde
klooster Pallamaer , die tot hetzelve blijken te behooren, in stand
houden en die er wegens watervloed mogten verbroken worden,
zonder hulp van het klooster te Dockum herstellen of laten her-
stellen, zoo als wij tot dus verre dat klooster te Pallamaer met
zyne voornoemde voorwerken in gebruik hebben gehad. 3°. Wy
kloosterlingen te Werum zullen den lekebroeder galco en de
lekezusters, met name ttada, renzeka, dedda, tyalda en
lammeka , onderhouden voor altijd , zoo lang zy leven , met
voedsel en kleeding. De overige conventualen echter , met name
heer folkeb , welke aan den heer willem , Abt te Dockum ,
openlijk ten overstaan van zijn convent, met de hand gehoor-
zaamheid heeft beloofd , en zijne zuster etta met al zyne vleesche-
lijke zusters, alsook de overige conventualen van beider kunne
van wie boven niet is gewaagd , ontvangt en heeft ontvangen
de voornoemde eerwaarde heer Abt te Dockum onder zijne gehoor-
zaamheid en zyn kollegie te Dockum , belovende hun met toe-
stemming van zijne conventualen zoolang zij leven van voedsel en
kleeding en al het noodwendige te voorzien , zonder kosten van het
convent te Werum en Pallamaer» Voorts wordt hier bijgevoegd,
dat, ingevalle het meergemelde klooster van Pallamaer op bevel
van ons algemeen Kapittel moest worden hersteld en van een
Proost en eigen Prelaat voorzien, zooals het lang was geweest,
indien de dijken door Reiderland naar het Wold [oldambt] mog-
ten worden hersteld of hernieuwd, alsdan al de voornoemde
voorwerken, opkomsten en baten terug zullen keeren tot Palla-
maer voornoemd en vrij tot gebruik daarvan zullen blijven , even
als zij voor gezegde verdeeling hebben bestaan. En zoo hebben
voornoemde eerwaarde Abt en kloosterlingen te Dockum en
hunne opvolgers meergemeld klooster te Pallamaer met alle zijne
aanhoorigheden , tegen het landgoed te Bonenborch aan ons en
onze opvolgers voor eeuwig vry toe- en afgestaan en staan bij
dezen zulks toe en af, zonder eenig arglist, bedrog of nieuwe
vonden. Tot oorkonde van het voorgaande hebben wy ons
kloosterzegel, benevens het abtenzegel aan dit stuk doen hech-
ten. Gegeven in het jaar onzes Heeren 1447, den 13 January.
Digitized by Google
N°. IX
Verdrag tusschen Groningen en Ommelanden ter eene, en het
Oldambt ter andere zijde , over het maken en onderhouden
der Reiderdijken , tusschen Palmar en Finserwolde.
1454.
Wy Borgermester ende Raed in Groningen betugen mit dessen
openen breue dat wy vennyds den vulmachtigen vanden lande
ende onsz wegen daer to ghenoget ende gheramet, als gosbn
VAN DÜLCK , VLOER VAN NORTDIJK, CLAWES TEN BRUGGEN, LO-
dewich hoernking kastelleijn , johan rengers ende EGGERCK
ripperda andie ene zyd, Hoefftiingen rechteren ende ghemene
meente van Oldeampt vermijds oeren vulmachtigen daerto ghe-
ramet van oeres ghemenes landes wegen, alze aijlcko wijn-
gen, HEMMO VBEKEN, TANCKO OMCKEN, FEBO TOPTEN, DODO TD>
DINGA, HOMMO TIJACKE , TIJACKO POPTEN, REMKO LIJWERDES,
memod to Zuudbroke ende edzo lijndekens andie ander zijt,
Hebben mit consente wulborde ende bywesen der Ersamen he-
ren ende praelaten Abte van der munten, abte van werum, proueste
van hüligherlee , Commendares van Osterwemm ende Golthorne,
lieffliken ende vrentliken mit malckanderen begrepen verdragen
ende eendrachtliken besloten van dije Reijder dijken tusschen
palmaer ende finserwolde (*) te make te eyndigen ende staende
te holden in dusdane vorwarden ende maneren hijr na bescre-
uen Int eerste dat een yewlick persone gheestlyck ofte warlick
sal syn lant bescriuen laten dat tusschen palmaer oflfle kadijken
ende ffinserwolde is ghelegen ende mijt den nijen dyck gewon-
nen mach worden vp zeker tijde ende steden alss dat ghekun-
diget sal worden in ons mande landen tot eiker kercke drye
Ende welck persone syn land dan nicht laet bescriuen vp soda-
nige tyde ende stede als daer van gheramet ende ghekundiget
worden die en sal gheen ansprake beth hebben vp dat land tot
ewijgen dagen. Item weert sake dat yemant in dessen vorss*
lande land ansprake meer dan hie ofte sie mocht bewijsen mit
(*) Deze en gene op de volgende bladzijde cursief gedrukte plaats
ztfn beide ook in het oorspronkelijke anders dan bet overige geschreven.
Digitized by Google
331
breue oft gude tuge ende des namales bevunden worde dat ho
so veel nicht hadde als he liadde scriven laten de sal broken
hebben van clcken dcijmad enen olden schilt des he to onrechte
ende to veel heuet scriuen laten, Item weert sake dat yenich
land ouer bleue vnbescreuen dat land sal vervallen wesen des Stadt
ende lande Item so wanneer de dijck vullenmaket is ende
ghesloten so sal een yewlick de sijn land bescriuen heuet laten
geuen van elcken deijmad enen haluen Rinsk. gulden off den
derdendeel des landes dat hee bescriuen heuet laten tot behoeff
der stad ende lande hoer vnkost hoer vrende hoer hulpe van
palen van vlaken ende anders dat dacr vp gaen mach, Ende
dit sal en jewlick inseggen wacr he land oft ghelt wil gheuen
so wanneer he sijn land bescriuen lat ende kundiget wort alss
vorss. is bij eenre van teijn olde schilden Item voert so solen
dess vorss. persone vulmachtich wesen to ordineren den nijen
dijck to deelen ende staen to holden, wo veel dijkes dat nije
land sal holden ende wo veel de kadijck in beijden sijden mede
solen dijken ende holden to den nyen dijck Item weert sake
dat die nije dyck begond worde ende nicht mochte van node
worden gheendighet, dat god moto voorzeen, ende daer vnkost
ende vnwelt van daen waer van teringe ende wtlegede goet dat
solen wij van Oldampten ende de ghene de mit vns ghelandet
sint ende hoer land bescriuen hebben laten betalen de twedeel
ende de stad ende lande den derdendeel Voert meer wes kun-
dinge ende bedinge stad ende lande doen mit malckanderen van
dyken off dammen of ene bevredinge dat solen sie vulmachtich
wesen na wtwijsinge des nijen rechtes ende alle vechtinghe won-
dinge leemte ende doetdeel dat mogen sie berichten ende wt-
winnen to wil dat sie reijsen wt ende to hues, welckeer wj
samentlike stereken to holden sunder al argclist ende nije vonde
In vrkunde ende beuestnisse dess. vorss. punte So hebben wij
onss stad seghel an dit breeff ghehangen, Ghelyck wij van Oldr
ampt vorss onss ghemenen landes zeghel mede hijr an hebben
ghehangen ende om groter tuchnisse waerheit ende tolaet ende
bijwesen so sinnen der praelaten hoer Conuents seghele vorss.
mede hijr an ghehangen Int Jar vnss heren m°cccc° ende vier
ende vijfftich des maendages na Cantate.
Concordat prs copia cum suo collata authentico vnico
ciuitatis firmato sigillo. per me Nok pub: ac S. Groning.
ALTING
1. 11. 54.(*)
(*) Dit verdrag is hier gedrukt naar het aldus onderteekende afschrift ,
voorhanden op het Archief van Groningen cn voorkomende op het meer-
gemelde Register daarvan, D. I, bl. 12U, N°. 5 des j. 1454.
Digitized by Google
VERBETERINGEN.
Bladz. 39 in het midden: Stootshorn onder Noordbroek bestaat
nog heden.
„ 71 reg. 5 van bov. staat: weder lees: verder
„ 82 „ 15 „ „ „ Zijlmeesterschap „Zijlvester schap
» 86 „ 16 „ „ „ 1452 „ 1542
„ 104 „ 10 „ ond. „ Bij Heiligerlee bleef de Dollard
tegen den hoogen leemwal aan-
spoelen , lees : Bij Westerlee
bleef de Dollard tegen den hoo-
gen leemwal van de Oostergast
aanspoelen.
II
181
in de noot (142) reg. 3
van bov. stactf:
1836 to:1636.
1»
182
reg.
4 van ond.
staat:
in
lees: by.
11
147
»>
2
»
bov.
n
12888
»
12886.
11
»»
i>
5
»>
41995
n
41993.
11
149 Aant. (166)
n
11 Maart 1666
u
8 Mei 1666.
11
158
reg.
3 van ond.
»>
20.64
»
20.65.
11
171
»
1
>»
»
»>
1474.17.50
1480.17.50.
1»
»>
»»
n
*»
»
11411.61.30
»
11405.61.30.
11
»
»>
2
»»
334.76.30
340.76.30.
1>
n
»
»>
»
»
2999.23.70
2293.23.70.
M
172
11
»
»>
35.49.75
»
35.61.75.
n
n
»
12
t>
»>
6.69.50
II
6.81.50.
11
173
tt
7
»>
bov.
»
6.7
II
6.8.
'J
n
11
15
»>
ond.
35 B. 49 R.75 E.
„35B.61R.75E.
1»
177
tj
2 tot
reg. 16 van
ond. moet staan:
De bezitters van gronden onder Finserwolde hebben echter
de Beertster moe, die van de Bellingewolder moe tot aan het
Munnekeveen als scheiding met deze tusschen de Gemeente
Beerta en Finserwolde is aangenomen, niet als scheiding tus-
schen hunne slijkgronden en die van de stad Groningen wil-
len erkennen en wy meenen wel te weten dat het geschil , 't welk
hierover is ontstaan, bij minnelijke schikking is uit den weg
geruimd. De scheiding tusschen de slijkgronden onder Finser-
Digitized by Google
333
wolde en van de stad Groningen onder de Beerta is op de vol-
gende wijze bepaald : men heeft de stadszwette achter- en voor-
waarts verlengd en eene lijn van de Beertster zijl op het huisje ,
dat op Reide staat, aangetrokken en deze ook achterwaarts
doorgetrokken, tot dat zij de rugwaarts verlengde stadzwette
doorsneed. Uit dit snijdpunt is eene lijn in den Dollard op-
getrokken, die den hoek van de evengenoemde lijnen midden
doordeelt, en van den kap van den dijk af aan is 2000 el ver
deze laatste lijn voor de scheiding tusschen de even vermelde
shjkgronden aangenomen; dan is die scheiding de lijn , die regt-
hoekig uit het punt op 2000 el afstand van den dijk gelegen wordt
getrokken tot aan het punt, waar zij de straks beschrevene lijn,
die op Reide aanloopt, snijdt, en daarna volgt de scheiding
de lijn, die op Reide is gerigt.
Bladz. 186 reg. 14 van bov. staat: rijswerk lees: rijswerk of
kweldergras en sultestokken.
198
»
3
n
ii
ii
scheiden lees: scheidt.
221
2
ii
ii
ii
verbreiding „ verbreeding.
11
»
8
ii
ond.
ii
zoodauig „ zoodanige.
»
224
14
ii
bov.
ii
slykgoten „ meetjes.
»
233
16
ii
ond.
ii
goten „ gaten.
11
237
15
ii
bov.
ii
voor „ van.
11
240
23
ii
ii
Vroeger werd wel eens des na
jaars de Suite gesneden, lees:
Vroeger werd wel eens des na-
jaars in September, omdat
later daarvoor minder geschikt
is, de Suite gesneden.
„ 240 „ 3 van ond. in de Aanteek. staat: dat vooral in
het Kuiper , lees : dat vooral in de Schel-
penkalk en ook in het Kuiper.
„ 247 „ 17 „ „ staat: Sehierlings (Anas anser ferus), lees:
Schierlings (Anser segetum).
„ „ „ 16 „ „ staat: Weenkies (Anser segetum) , lees:
Weenkies (Anas anser ferm),
„ 255. De Stommel is Gammarus locustra LEA.cn, de Botweide
Corophium longicorne. Zie J. v. D. hoeven , Handb.
van de Dierkunde, I, 759, 2de uitg. Deze Schryver
is zoo vriendelijk geweest ons met de systhema-
tische namen dezer diertjes beter bekend te maken.
„ 263 reg. 21 van ond. staat: het zomerweer lees: heet
zomerweer.
„ 302 „ 18 „ bov. staat: maar zij zijn lichter, lees:
maar zij zijn minder rood of bruin.
„ 314 „ 13 „ „ staat: Solwerd, Ues: Felwerd.
Digitized by Google
Bij 3. OOMKENS. .1. Zoon ia mede uitgegeven:
G. A. VENEMA,
OVER
HET D 1 L E W
VAN DE
NOORDELIJKE KUSTSTREKEN VAN ONS LAND.
Met eene uitslaande Plaat, a ƒ 0-60.
OVER
DE BALANS M Ml Wl».
Met drie uitslaande Platen, è, ƒ 3-60.
OVER HET
ETEN EN WEGEN
VAN
GRANEN , ZADEN EN ANDERE ZELFSTANDIGHEDEN.
Met een uitslaand Plaatje, & ƒ 0-75.
Een onmisbaar Handboekje voor Kooplieden en Landbouwers.
J. H. JAPPÉ,
VAN DE
PROVINCIE GRONINGEN,
HET EEN GEDEELTE VAN DE
PROVINCIËN FRIESLAND EN DRENTHE.
In vier bladen, op dubbel-atlas velin papier, a f 14-00.
Op katoen geplakt, met stokken en knoppen, a - 18-00.
Mr. T. BECKERING,
KAART ©F tAUBTAFESEEi
DER
PR.OVIXTCXE CnOSTXlTGEXT EXT OMMfflLATOBff ,
VERDEELD IN DES ZELFS BIJZONDERE
KWARTIEREN, DISTRICTEN en VOORNAME JURISDICTIËN,
BENEVENS DE
HEERLIJKHEID WESTERWOLDE.
In vier bladen , atlas-formaat a ƒ 8-00.
Op katoen geplakt, met stokken en knoppen, a - 12-00.
Digitized by
I!
r
[ j | D igitized
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
I
»
I
I
!
«
i
i
I
I
!
!
i
I
T »• i» k i' n r n .
^ r «v» « «* Jn< 6 cm een id>m
Larrctf I » " „ . .
v „ Iroiiinrte
Kleiqvond .
ï.antiqrond , ai Leem .
/ £* Laaa Veen . ( ook- iïaiyj/fi'orirfJ
^/ Hcofl i'evn .(na/, otrr/rttnen J
JL
larvAn
. Schierbeek
Diaitized bv CjOüqIg
Digitized by Google
Oh
t
»
9
9
Digitized by Google